ECLI:NL:RBNHO:2013:7897
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens faillissement rechtspersoon
Aan verdachte, een besloten vennootschap, werd ten laste gelegd dat zij executoriaal beslag had onttrokken. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat op het moment van het instellen van de strafvervolging het faillissement van de vennootschap reeds was uitgesproken en de vennootschap haar activiteiten had gestaakt.
De rechtbank overwoog dat er geen wettelijke regeling bestaat voor het moment waarop het recht tot strafvordering tegen een rechtspersoon vervalt, maar aansluiting kan worden gezocht bij artikel 69 Sr Pro. Uit het dossier bleek dat het faillissement op 6 maart 2012 was uitgesproken en de vervolging op 27 juli 2012 werd ingesteld. Hierdoor was voor derden kenbaar dat de vennootschap geen activiteiten meer zou ontplooien.
De rechtbank concludeerde dat de vennootschap vennootschapsrechtelijk waarschijnlijk ontbonden zou zijn voordat een straf ten uitvoer kon worden gelegd, waardoor vervolging geen redelijk doel dient. Dit is in strijd met de goede procesorde, zodat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens het faillissement en het staken van activiteiten van de vennootschap.