Uitspraak
Ontstaan en loop van de gedingen
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland behandelde de beroepen van eisers tegen aanslagen erfbelasting en heffingsrente opgelegd door de Belastingdienst. Kern van het geschil was of de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten van de Successiewet 1956 (Sw) terecht niet werden toegepast op privévermogen en of de fictieve verkrijging op grond van artikel 9 Sw Pro terecht werd meegenomen bij een overbedelingsschuld met een bovenmatige enkelvoudige rente.
Eisers voerden aan dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten ook op hen van toepassing moesten zijn en dat de toepassing van artikel 9 Sw Pro zonder overgangsrecht in strijd was met het eigendomsrecht en het vertrouwensbeginsel. Verweerder stelde dat de regeling niet discrimineert en dat artikel 9 Sw Pro correct werd toegepast.
De rechtbank stelde vast dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten zijn gericht op het beschermen van ondernemingsvermogen en dat privévermogen niet als gelijk geval kan worden beschouwd, waardoor geen sprake is van discriminatie. Tevens werd overwogen dat artikel 9 Sw Pro een fiscale fictiebepaling is die afwijkt van het civiele erfrecht om belastingontwijking tegen te gaan en dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid bleef door geen overgangsrecht te bieden.
De rechtbank concludeerde dat de materiële terugwerkende kracht van artikel 9 Sw Pro geen inbreuk maakt op het eigendomsrecht van artikel 1 EP Pro bij het EVRM omdat er een fair balance bestaat tussen belangen. Het beroep van eisers werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De beroepen tegen de aanslagen erfbelasting en heffingsrente worden ongegrond verklaard.