Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 april 2013 in de zaak tussen
[naam], te [woonplaats], eiser
De mnister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
20 augustus 2010, kan het reeds om die reden niet aan het besluit ten grondslag zijn dan wel worden gelegd.
1 januari 2008 tot 9 maart 2012 als werkinstructie is gehanteerd bij beslissingen op verzoeken tot het verwijderen van persoonsgegevens. Voor zover verweerder daarmee betoogt dat zou zijn voldaan aan het vereiste van het te voren schriftelijke vastleggen van de termijn als bedoeld in artikel 13, vierde lid, van de Wpg en artikel 6:2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bpg, kan hij daarin niet worden gevolgd. Daartoe is van belang dat het Privacyreglement, zoals hiervoor al overwogen, zijn gelding geheel heeft verloren.
€ 472,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak de transacties van 29 november 1999, 2 december 1999, 21 juli 2001, 29 maart 2004 (driemaal) en van 5 maart 2005 te verwijderen uit de registers van FIU;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 150,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,- te betalen aan eiser.
mr. T. Luigjes, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2013.