ECLI:NL:RBNHO:2013:13136

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 december 2013
Publicatiedatum
16 januari 2014
Zaaknummer
C/15/207314 / JU RK 13-1059
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek verlenging ondertoezichtstelling minderjarige na woninginbraak

De Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige die eerder was veroordeeld voor woninginbraak. De minderjarige en zijn ouders werken vrijwillig mee aan hulp van het SIG, maar weigeren andere hulp van de Stichting. De kinderrechter heeft de zaak behandeld op een zitting met gesloten deuren waarbij ook een tolk aanwezig was.

De ouders stelden dat er geen sprake is van een bedreigde ontwikkeling en dat de opvoedcapaciteiten niet ter discussie staan. De Stichting wilde de ondertoezichtstelling verlengen om toezicht te houden op de situatie en schoolgang van de minderjarige en snel te kunnen ingrijpen bij dreigend afglijden. De gezinsvoogd constateerde dat het niet goed gaat met de minderjarige, die niet wil meewerken, maar dat beëindiging van de ondertoezichtstelling een verkeerd signaal zou zijn.

De kinderrechter concludeerde dat gezien het zwakke gezinssysteem en de problemen met politiecontacten en schoolgang, de ondertoezichtstelling geen toegevoegde waarde heeft omdat de minderjarige verplicht contact met de jeugdreclassering heeft en er al toezicht mogelijk is binnen dat kader. Daarom werd het verzoek tot verlenging afgewezen. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht
Sectie Familie & Jeugd
verlenging ondertoezichtstelling
zaak-/rekestnr.: C/15/207314 / JU RK 13-1059
beschikking van de kinderrechter van 10 december 2013
naar aanleiding van een verzoek van
de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdbescherming, Locatie Haarlem, namens deze de William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam-Zuidoost,
hierna te noemen: de Stichting,
strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige:
-
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],
verblijvende bij de ouders,
kind van
[de moeder], wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader], wonende in [woonplaats],
hierna te noemen: de vader.
Het gezag over de minderjarigen wordt uitgeoefend door de ouders.

1.Procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een verzoekschrift, met bijlagen, van de Stichting, ingekomen op 3 oktober 2013.
1.2
De kinderrechter heeft het verzochte behandeld op de zitting met gesloten deuren van 10 december 2013.
Hierbij zijn verschenen en gehoord:
- de ouders, bijgestaan door mr. J.T. Willemsen, kantoorhoudende te Haarlem;
- de Stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [medewerkster].
Op de zitting is bijstand verleend door een tolk Berbers.
1.3
De minderjarige is in raadkamer gehoord.

2.Feiten en omstandigheden

Bij beschikking van de kinderrechter van 11 november 2011 is deze minderjarige onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling thans nog voortduurt tot 30 december 2013.

3.Verzoek

De Stichting heeft verzocht de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige te verlengen voor de duur van een jaar.
Het plan en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling zijn als bijlagen bij dat verzoek gevoegd.

4.Beoordeling

4.1
Ter zitting is namens de ouders het standpunt ingenomen dat het verzoek dient te worden afgewezen. Zij zijn van mening dat er geen sprake is van een bedreigde ontwikkeling. Nu de ondertoezichtstelling van de zus van [minderjarige] niet zal worden verzocht, moet worden geconcludeerd dat de opvoedcapaciteiten van de ouders kennelijk niet ten grondslag liggen aan het verzoek. Daarnaast werken de ouders in het vrijwillig kader mee aan hulp van het SIG. De ouders en [minderjarige] accepteren echter geen hulp van de Stichting, zodat er weinig progressie is. De Stichting is voornemens de ondertoezichtstelling in de nieuwe periode in te zetten als monitor, maar het is de vraag of dit mogelijk is als [minderjarige] en de ouders niet bereid zijn mee te werken.
4.2
Namens de Stichting is naar voren gebracht dat de voortzetting van de ondertoezichtstelling als doel zou hebben om toezicht te houden op de situatie en schoolgang van [minderjarige] en om snel te kunnen ingrijpen als hij dreigt af te glijden. Het is juist dat [minderjarige] niet veel vertelt aan de gezinsvoogd, tevens jeugdreclasseringswerker, en dat hij niet wil meewerken. Het gaat echter niet goed met [minderjarige], zodat de gezinsvoogd van mening is dat beëindiging het verkeerde signaal aan hem afgeeft. Als de ondertoezichtstelling niet door zou lopen, kan er nog wel toezicht gehouden worden in het kader van de het verplicht contact met de Jeudgreclassering.
4.3
De kinderrechter is op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, gebleken dat het niet goed gaat met [minderjarige]. Er is sprake van een zwak gezinssysteem en zorgen over de politiecontacten, vrienden en schoolgang van [minderjarige]. Bij zijn veroordeling voor woninginbraak op 16 juli 2013 is hem echter verplicht contact met de Jeugdreclassering opgelegd, waaraan hij twee jaar dient mee te werken, en in welk kader er nog geruime tijd toezicht op hem gehouden kan worden. Nu [minderjarige] en zijn ouders geen andere hulp accepteren dan die geboden door het SIG, is de kinderrechter van oordeel dat een ondertoezichtstelling geen toegevoegde waarde heeft en voor de maatschappij onnodige kosten oplevert. Gelet hierop zal de kinderrechter het verzoek afwijzen.

5.Beslissing

De kinderrechter:
Wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.G. Hijink, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Alexander, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2013.
Tegen deze beschikking kan door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze aan hen op andere wijze bekend is geworden.