Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De vordering
€ 10.597,-en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland behandelde een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die was veroordeeld voor heling. De officier van justitie had aanvankelijk een bedrag van €10.597,- gevorderd, later bijgesteld tot €2.437,-, gebaseerd op het bewezenverklaarde feit waarvoor veroordeelde onherroepelijk was veroordeeld.
De procedure kende aanzienlijke vertragingen, mede door een hoger beroep van het Openbaar Ministerie dat uiteindelijk werd ingetrokken. Hierdoor was de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met 66 maanden overschreden. De verdediging voerde aan dat het OM niet ontvankelijk moest worden verklaard wegens deze overschrijding en het ontbreken van essentiële stukken, waaronder het vonnis en het strafdossier.
De rechtbank oordeelde dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het OM, maar dat dit wel moet worden verdisconteerd in de ontnemingsvordering. Vanwege het ontbreken van de onderliggende stukken en het verweer van de verdediging dat veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel had genoten, kon de rechtbank niet vaststellen of het gevorderde bedrag terecht was.
Gezien de forse overschrijding, het relatief geringe bedrag en de ingrijpende gevolgen voor veroordeelde, zoals beslaglegging op zijn woning, zag de rechtbank geen aanleiding om het OM alsnog toe te staan de ontbrekende stukken aan te leveren. Daarom wees de rechtbank de ontnemingsvordering af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens ontbreken van onderliggende stukken en overschrijding van de redelijke termijn.