Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Inleiding
4.Overwegingen ten aanzien van het bewijs
5.Vordering benadeelde partij
6.Beslissing
22 augustus 2013.
Rechtbank Noord-Holland
Verdachte werd beschuldigd van drie aanrandingen in een kapperszaak in Hoorn, waarbij hij vrouwen tijdens massages onzedelijk zou hebben betast. De rechtbank onderzocht de verklaringen van drie aangeefsters en het beschikbare bewijs.
De rechtbank constateerde dat er onderlinge contacten en beïnvloeding tussen de aangeefsters waren, wat de betrouwbaarheid van hun verklaringen aantastte. De verklaringen verschilden bovendien in verschillende fases, en er was geen aanvullend bewijs zoals getuigenverklaringen of objectief bewijsmateriaal dat de beschuldigingen ondersteunde.
De rechtbank oordeelde dat de aangiftes onvoldoende steun vonden in ander bewijs en dat de verklaringen van de aangeefsters niet als schakelbewijs konden dienen vanwege de onderlinge beïnvloeding. Verdachte ontkende de ten laste gelegde feiten uitdrukkelijk.
Gezien het strafrechtelijk bewijsstelsel en het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. Tevens verklaarde de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk omdat de feiten niet bewezen waren.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van aanrandingen.