Uitspraak
In de artikelen 2 tot en met 7 van het Wetboek van Strafrecht is geregeld in welke gevallen Nederland rechtsmacht heeft. Ingevolge artikel 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien, naast plaatsen in Nederland, ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van voornoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (zie onder meer Hoge Raad 13 april 1999, NJ 1999, 538 en Hoge Raad 30 september 1997, NJ 1998, 117).
Op basis van bij de Criminele Inlichtingen Eenheid in de periode van november 2008 tot en met februari 2009 binnengekomen informatie inzake georganiseerde mensensmokkel door onder meer [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] [1] , is op 27 januari 2010 het onderzoek Sunjata gestart. Dit onderzoek richt zich op personen die zich vermoedelijk schuldig maken aan overtreding van de artikelen 197a, 225, 231 en 420 bis/ter/quater Sr. [2] In het onderzoek komen 11 verdachten naar voren en er zijn 11 zaaksdossiers samengesteld.
Deze redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet als aanvang van de termijn worden gerekend 5 oktober 2010, nu verdachte op die dag voor het eerst als verdachte werd verhoord bij de politie en is aangehouden.