ECLI:NL:RBMNE:2026:989

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
C/16/601849 / HL ZA 25-284
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oproeping in vrijwaring toegestaan bij geschil over saneringskosten na grondkoop

In deze civiele procedure vordert eiseres betaling van €193.161,98 voor sanerings- en sloopwerkzaamheden uitgevoerd op grond die door gedaagden is gekocht van een derde partij, [bedrijf]. Gedaagden verzoeken in een incident om deze derde partij in vrijwaring op te roepen, stellende dat deze partij verantwoordelijk is voor het bouwrijp maken van de locatie, inclusief sanering.

De rechtbank beoordeelt dat voor oproeping in vrijwaring vereist is dat uit de stellingen van gedaagden blijkt dat de derde partij krachtens haar rechtsverhouding verplicht is de nadelige gevolgen van een verlies in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen. Hoewel de rechtsverhouding nog niet definitief vaststaat, is voldoende onderbouwd dat deze verplichting bestaat.

De rechtbank staat daarom toe dat [bedrijf] wordt gedagvaard om op de vordering tot vrijwaring te antwoorden en de procedure voort te zetten. De kosten van het incident worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De hoofdzaak wordt aangehouden tot de volgende zitting op 1 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank staat toe dat de derde partij in vrijwaring wordt opgeroepen en houdt de hoofdzaak aan tot 1 april 2026.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/601849 / HL ZA 25-284
Vonnis in incident van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] .,
advocaat: mr. F. Rientsma,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. G.K. Slagter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties, van 28 oktober 2025,
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring,
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] heeft sanerings- en sloopwerkzaamheden verricht op de grond van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . In de hoofdzaak vordert [eiseres] betaling van € 193.161,98 voor het uitvoeren van dit werk, ofwel op basis van de aannemingsovereenkomst, ofwel als schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
2.2.
In het incident verzoekt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de rechtbank om haar toe te staan om [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) in vrijwaring op te roepen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren aan dat zij, voor het geval de vorderingen van [eiseres] toewijsbaar zouden zijn, er recht op en belang bij hebben om door [bedrijf] te worden gevrijwaard. [eiseres] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank aangaande de vordering in vrijwaring.

3.De beoordeling in het incident

Wat is er aan de hand?
3.1.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de grond waarop [eiseres] de werkzaamheden heeft uitgevoerd gekocht van [bedrijf] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen dat [bedrijf] verantwoordelijk was voor het bouwrijp maken van de locatie. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verwijzen naar de tweede pagina en artikel 1 lid 3 van Pro de Koopovereenkomst. Onder bouwrijp maken valt volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zowel slopen als saneren. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen dat er in de koopovereenkomst en bij de koopsom nadrukkelijk rekening is gehouden met de sloopkosten. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vinden dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat het bouwrijp opleveren van de grond door [bedrijf] ook de sanering omvatte. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen dat zij na de levering wel als aanspreekpunt voor de sloop en sanering hebben opgetreden, maar dat de financiële verantwoordelijkheid voor de kosten bij [bedrijf] lag en ligt.
Het juridisch kader
3.2.
Voor de toewijzing van een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring is vereist dat uit de stellingen van de partij in de hoofdzaak ( [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ) voortvloeit dat indien uit de hoofdzaak een voor haar nadelige beslissing wordt gegeven, de in vrijwaring op te roepen derde ( [bedrijf] ) krachtens zijn rechtsverhouding tot haar verplicht is de nadelige gevolgen van een verlies door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk te dragen. Of die rechtsverhouding daadwerkelijk bestaat, hoeft in het vrijwaringsincident nog niet vast komen te staan.
Oproeping in vrijwaring wordt toegestaan
3.3.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betogen dat [bedrijf] is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst tussen hen, omdat [bedrijf] de grond niet bouwrijp geleverd heeft. Daarom behoren de kosten voor de saneringswerkzaamheden door [eiseres] voor rekening van [bedrijf] te komen, aldus [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Als de aansprakelijkheid van [bedrijf] niet uit de contractuele tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst zou voorvloeien, dan volgt de aansprakelijkheid volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] uit het onrechtmatig handelen van [bedrijf] . Tot slot voeren [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aan dat [bedrijf] anders aansprakelijk is op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
3.4.
Uit de door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] aangevoerde feiten en standpunten vloeit voort dat de rechtsverhouding tussen haar en [bedrijf] een verplichting tot vrijwaring van [bedrijf] in de hoofdzaak meebrengt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de vermeende rechtsverhouding tussen haar en [bedrijf] en haar belang bij oproeping in vrijwaring voldoende onderbouwd. Daarmee is aan de vereisten voor oproeping in vrijwaring voldaan.
3.5.
De kosten van het vrijwaringsincident zullen worden gecompenseerd.

4.De beslissing

De rechtbank
In het incident
4.1.
staat toe dat [bedrijf] B.V. wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 1 april 2026 om 11:00 uur, teneinde op de vordering tot vrijwaring te antwoorden en voort te procederen,
4.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
In de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 1 april 2026 om 11:00 uur voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
PM/45352