Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
€ 445.000,- onderbouwd. Het taxatierapport is op 17 september 2021 opgesteld voor het verkrijgen van hypothecaire financiering. Eiser wijst erop dat de waarderingsgrondslag van het taxatierapport past bij artikel 17 lid 2 van Pro de Wet WOZ. Eiser vindt dat het taxatierapport de juiste verkoopwaarde van de woning weerspiegelt, hij wijst daarbij op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 juni 2022. [1] Eiser vindt dat de heffingsambtenaar ten onrechte voorbij is gegaan aan het taxatierapport van eiser. Eiser wijst er ook op dat er bij het vaststellen van het taxatierapport een inpandige taxatie is geweest en de datum van het rapport dichter bij de waardepeildatum ligt dan de gehanteerde verkopen van de heffingsambtenaar. Hij stelt dat de heffingsambtenaar niet aan zijn plicht heeft voldaan om de waarde te baseren op objectieve gegevens zoals het taxatierapport.
€ 1.000,- bedraagt. Omdat daarnaast de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, kan de belastingrechter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank zal dit dan ook toepassen. Het overgangsrecht uit overweging 3.5 is niet van toepassing. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is namelijk gedaan op 29 september 2025, na het arrest van de Hoge Raad. Het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.