ECLI:NL:RBMNE:2026:961

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
603571 FT RK 25-1226
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1 sub b FaillissementswetArt. 295 lid 3 FaillissementswetArt. 349a FaillissementswetArt. 2 Besluit salaris bewindvoerder schuldsaneringsregeling
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling met verlenging wegens goede trouw tekortkoming

Verzoekster bevindt zich in een problematische schuldensituatie en heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank oordeelt dat verzoekster ontvankelijk is omdat een buitengerechtelijke schuldregeling niet haalbaar is.

Hoewel verzoekster eerder een verzoek tot toelating tot de Wsnp had ingediend dat was afgewezen wegens gebrek aan goede trouw, maakt de rechtbank nu een uitzondering vanwege haar uitzichtloze situatie. De rechtbank wijst het verzoek tot toelating toe, maar wijst het verzoek tot een eerdere ingangsdatum af.

De rechtbank overweegt dat verzoekster in augustus 2023 een recht van hypotheek heeft verstrekt terwijl zij daartoe niet gerechtigd was, wat afbreuk doet aan haar goede trouw. Daarom wordt de duur van de Wsnp verlengd met zes maanden, tot 13 februari 2028. De rechtbank benoemt een rechter-commissaris en stelt het salaris van de bewindvoerder vast.

De rechtbank vertrouwt erop dat verzoekster zich aan haar verplichtingen zal houden en acht de overige toelatingseisen vervuld. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de Wsnp wordt toegewezen met verlenging van de regeling met zes maanden en afwijzing van een eerdere ingangsdatum.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: 603571 FT RK 25-1226
Vonnis van: 13 februari 2026
op het verzoek van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] -1972 te [geboorteplaats]
wonende op een bij de rechtbank bekend geheim adres,
hierna te noemen: [verzoekster] .
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing
voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden
toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt [verzoekster] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 1 september 2025. Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen. De rechtbank ziet wel aanleiding om de Wsnp te verlengen met zes maanden.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de
Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld op de zitting van 14 januari 2026. Op de zitting zijn verschenen:
  • Mevrouw [verzoekster] ,
  • Mevrouw [A] , schuldhulpverlener.
1.3.
Na de zitting heeft de rechtbank nog aanvullende stukken opgevraagd bij [verzoekster] . Op 21 januari 2026 zijn de aanvullende stukken ontvangen. Op 8 februari 2026 is een e-mail ontvangen van [verzoekster] .

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is
dat niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. [verzoekster] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
De toelating
2.2.
[verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een
problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan
en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de
afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de
verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
2.3.
[verzoekster] heeft eerder een verzoekschrift voor toelating van de Wsnp ingediend. Dit verzoek is bij vonnis van 25 februari 2025 door de rechtbank Midden-Nederland afgewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) heeft in haar arrest van 6 juni 2025 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en -voor zover hier relevent – het volgende overwogen ten aanzien de goede trouw van verzoekster.
2.4. “3.10.
“3.10. [verzoekster] was daarnaast tussen 2018 en februari 2023 eigenaar van de onderneming [onderneming] B.V. Nadat zij die onderneming in februari 2023 (om niet) heeft overgedragen aan een oud medewerkster, had zij nog tot april 2024 de functie van bestuurder binnen die vennootschap. In mei 2023 heeft [verzoekster] een overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij zij een bedrag van € 60.000 van [onderneming] B.V. heeft geleend. Zij heeft in augustus 2023 tot zekerheid voor de terugbetaling van die geldlening een recht van hypotheek aan [onderneming] B.V. verstrekt op een vakantiewoning in België van [verzoekster] en haar ex-partner. Volgens [verzoekster] mocht zij dat doen, omdat haar ex-partner weigerde om het eigendomsdeel van [verzoekster] in de vakantiewoning over te nemen. Op de zitting verklaarde [verzoekster] dat zij maandelijks ongeveer € 1.000 op de geldlening aflost door verrekening van het loon dat zij als werknemer bij [onderneming] B.V. verdient. De vordering bedraagt nu nog ongeveer € 50.000.
3.11.
Het hof leest dat in de beschikking van 7 december 2022 (verbeterd bij beschikking van 29 maart 2023) in de berekening van het bedrag dat [verzoekster] aan haar ex-partner moet betalen de waarde van de vakantiewoning in België is meegenomen, waarbij die woning aan de ex-partner wordt toebedeeld. Via die weg heeft de ex-partner de helft van de waarde van de vakantiewoning (€ 40.000) al aan [verzoekster] vergoed. Anders dan [verzoekster] meent heeft zij nu dan ook geen recht meer op de helft van de opbrengst van het chalet. Ten gevolge van de beschikking is [verzoekster] gehouden tot de goederenrechtelijke voltooiing van de verdeling door haar onverdeelde helft van dit gemeenschappelijke eigendom aan haar ex-partner over te dragen althans onbezwaard ter beschikking van haar ex-partner te houden. Zij had in augustus 2023 materieel gezien dus geen aanspraken meer op de vakantiewoning. Door desondanks voor een lening aan haarzelf een hypothecaire zekerheid op haar onverdeelde helft te vestigen, heeft [verzoekster] niet meegewerkt aan die goederenrechtelijke voltooiing door simpelweg haar helft om niet aan haar ex-partner te leveren (of voor hem ter beschikking te houden), hoewel zij daartoe op grond van de vastgestelde verdeling wel was gehouden. Ook die omstandigheid doet afbreuk aan de goede trouw van [verzoekster] .” [1]
2.5.
De rechtbank overweegt dat hetgeen het hof heeft overwogen over het gebrek aan goede trouw van [verzoekster] ten aanzien van het laten ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, in beginsel nog steeds in de weg staat aan de toelating tot de Wsnp. [verzoekster] heeft immers in augustus 2023 een recht van hypotheek aan [onderneming] B.V. verstrekt. De in artikel 288, eerste lid, onder b, van de Faillissementswet opgenomen driejaarstermijn verstrijkt dus pas in augustus 2026.
2.6.
Hoewel deze omstandigheid toelating tot de Wsnp in beginsel in de weg staat, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval op grond van de uitzichtloze situatie van [verzoekster] en ter voorkoming van verdere neergang, een uitzondering moet worden gemaakt. De rechtbank zal evenwel ter compensatie van het geconstateerde verwijtbare handelen van [verzoekster] , de duur van de schuldsanering verlengen en licht dit toe als volgt.
2.7.
Op grond van artikel 349a van de Faillissementswet kan de rechtbank de termijn van de schuldsaneringsregeling ten hoogste op drieënhalf jaar stellen als de aard van de schulden daartoe aanleiding geeft. In de omstandigheid dat [verzoekster] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het laten ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend en op die grond nu nog niet toegelaten zou mogen worden tot de schuldsanering, ziet de rechtbank aanleiding de looptijd van de Wsnp te verlengen. De looptijd wordt daarom, met inachtneming van de onder 2.5 genoemde driejaarstermijn, met zes maanden (de periode tussen februari 2026 en augustus 2026) verlengd tot 13 februari 2028. Gelet op het voorgaande is het vaststellen van een eerdere ingangsdatum niet aan de orde.
2.8.
De rechtbank is verder van oordeel dat, gelet op de uiteenzetting van [verzoekster] in het verzoekschrift en de aanvullende stukken van 21 januari 2026 en 8 februari 2026 waarin [verzoekster] aannemelijk heeft gemaakt welke gerechtelijk procedures er thans lopen en dat er voor haar geringe financiële risico’s aan zijn verbonden, dit aspect een toewijzing tot de Wsnp thans niet in de weg staat. De rechter-commissaris zal verder de voortzetting en aanvang van (nieuwe) procedures dienen te beoordelen.
2.9.
Tenslotte is er bij de rechtbank voldoende vertrouwen dat [verzoekster] zich
zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp en is voldoende aannemelijk geworden dat voldaan is aan de overige vereisten voor toelating.
2.10.
Gelet op artikel 295 lid 3 van Pro de Faillissementswet.

3.Beslissing

3.1.
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] -1972 te [geboorteplaats] ,
wonende op een geheim adres,
- benoemt tot rechter-commissaris mr. G. Konings,
en tot bewindvoerder B.L. Menting,
Postbus [postbusnummer] ,
[postcode] [plaats] ;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 13 februari 2026 en de duur op 24 maanden
- stelt bij wijze van voorschot, bij toereikend boedelactief, het salaris van de bewindvoerder vast op het op grond van artikel 2 van Pro het Besluit salaris bewindvoerder schuldsaneringsregeling geldende bedrag;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven.
Dit is de beslissing van mr. P.M.E. Bernini, rechter, in samenwerking met mr. L.G.J.F.J. Lenders, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden, 6 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3547, r.o. 3.10 en 3.11.