ECLI:NL:RBMNE:2026:959

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
12056939 \ AV EXPL 26-3
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 lid 1 RvArt. 29a lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kort geding wegens onvoldoende spoedeisend belang bij huurgeschil

In deze zaak vorderen verhuurders dat huurders een woning ontruimen, huurachterstand betalen en huur blijven voldoen zolang zij de woning niet verlaten. Er loopt echter al een bodemprocedure met een geplande mondelinge behandeling op 24 februari 2026.

De kantonrechter oordeelt dat het spoedeisend belang ontbreekt om in kort geding vooruit te lopen op de bodemprocedure, aangezien de mondelinge behandeling in kort geding slechts 8 dagen eerder plaatsvond dan die in de bodemprocedure. Dit tijdsverschil vertegenwoordigt een beperkt financieel belang van circa € 650, terwijl het gebruikelijk is dat de uitspraak in de bodemprocedure binnen twee weken volgt.

De verhuurders konden niet voldoende onderbouwen waarom zij niet op de bodemuitspraak konden wachten. Ook het risico van hoger beroep door huurders is onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen, omdat een uitspraak in de bodemprocedure doorgaans uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

De vorderingen worden daarom afgewezen en de verhuurders worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van € 50,00, welke uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard.

Uitkomst: Vorderingen van verhuurders in kort geding afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang; verhuurders veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12056939 \ AV EXPL 26-3
Vonnis in kort geding van 2 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

wonende in [woonplaats 1] ,
2.
[eiser sub 2],
wonende in [woonplaats 2] ,
3.
[eiser sub 3],
wonende in [woonplaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s.,
gemachtigde: mr. S.H.W. Le Large,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] ,

beiden wonende in [woonplaats 1] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 januari 2026, met producties 1 t/m 13,
- productie 14 van [eiser sub 1] c.s.,
- de pleitnota van [eiser sub 1] c.s..
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 16 februari 2026. Daarbij was [A] (rentmeester van [eiser sub 1] c.s.) namens [eiser sub 1] c.s. aanwezig met gemachtigde mr. S.H.W. Le Large. [gedaagde sub 1] was ook aanwezig, mede namens zijn echtgenote [gedaagde sub 2] . De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3.
Tenslotte is door de kantonrechter bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser sub 1] c.s. verhuren een woning aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . [eiser sub 1] c.s. willen met deze kort geding procedure bereiken dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de woning ontruimen (verlaten), de huurachterstand betalen en de huur doorbetalen zolang zij de woning niet hebben verlaten. [eiser sub 1] c.s. hebben hierover ook al een bodemprocedure gestart, waarin de mondelinge behandeling op 24 februari 2026 plaatsvindt. [eiser sub 1] c.s. zijn van mening dat zij de uitkomst van die bodemprocedure niet kunnen afwachten. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser sub 1] c.s. onvoldoende spoedeisend belang hebben om met een voorlopige voorziening in deze zaak vooruit te lopen op het oordeel van de rechter in de bodemprocedure en wijst daarom de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. af.

3.De beoordeling

De vorderingen van [eiser sub 1] c.s. worden afgewezen
3.1.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser sub 1] c.s. onvoldoende spoedeisend belang hebben om met een voorlopige voorziening in deze zaak vooruit te lopen op het oordeel van de rechter in de bodemprocedure, terwijl dit wel is vereist om de vorderingen in een kort geding toe te wijzen. [1] De vorderingen van [eiser sub 1] c.s. worden daarom afgewezen.
Onvoldoende spoedeisend belang
3.2.
De dagvaarding van [eiser sub 1] c.s. in de bodemprocedure is op 6 november 2025 aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betekend. Op 23 december 2025 is de datum voor de mondelinge behandeling in de bodemzaak vastgesteld op 24 februari 2026. [eiser sub 1] c.s. hebben ruim 3 weken na die dagbepaling, namelijk pas op 16 januari 2026, een kort geding aangevraagd. De mondelinge behandeling in kort geding heeft op 16 februari 2026 plaatsgevonden. Dat is maar 8 dagen voordat de mondelinge behandeling in de bodemprocedure plaatsvindt. De gemachtigde van [eiser sub 1] c.s. heeft aangevoerd dat de mondelinge behandeling in de bodemzaak pas op 24 februari 2026 kan plaatsvinden door de verhinderdata van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , maar dit is op zichzelf geen reden om een spoedeisend belang in deze kort geding-procedure aan te nemen. Bovendien hebben [eiser sub 1] c.s. zelf ook verhinderdata op mogen geven. Bij de dagbepaling van een mondelinge behandeling wordt (in beginsel) rekening gehouden met de verhinderdata van beide partijen én de agenda van de rechtbank.
3.3.
[eiser sub 1] c.s. hebben in feite geen ander spoedeisend belang gesteld dan het belang om de woning zo snel als mogelijk aan iemand anders te kunnen verhuren, die wel de huur betaalt. Door (de gemachtigde van) [eiser sub 1] c.s. is gesteld dat de uitspraak in de bodemzaak minstens 6 weken na de mondelinge behandeling op zich laat wachten, maar dat is niet gebruikelijk. De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling van 16 februari 2026 besproken dat in dit soort veelvoorkomende huurzaken de uitspraak in de bodemprocedure over het algemeen 2 weken na de mondelinge behandeling volgt. Een uitspraak in een kort geding procedure volgt (over het algemeen) ook 2 weken na de mondelinge behandeling. Dit kort geding vonnis verschijnt dus slechts 8 dagen eerder dan een eventueel veroordelend vonnis in de bodemprocedure [2] , waarbij die 8 dagen een geldelijk belang van ongeveer € 650,00 vertegenwoordigen [3] . [eiser sub 1] c.s. hebben niet (voldoende) toegelicht waarom zij niet 8 dagen langer zouden kunnen wachten op een uitspraak/met ontruimen. Verder is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen verhaal kunnen bieden voor deze ‘extra’ 8 dagen, die een geldelijk belang vertegenwoordigen dat in verhouding tot de totale huurachterstand beperkt is.
3.4.
De gemachtigde van [eiser sub 1] c.s. heeft wel nog aangevoerd dat het niet zeker is dat binnen 2 weken na de mondelinge behandeling in de bodemzaak de ontbinding en ontruiming worden toegewezen, maar dit valt onder het procesrisico van [eiser sub 1] c.s.. Wanneer bovendien echt aannemelijk zou zijn dat de bodemrechter de vorderingen niet zal toewijzen, dan zouden deze vorderingen in dit kort geding om die reden ook niet toegewezen kunnen worden.
3.5.
Verder heeft de gemachtigde van [eiser sub 1] c.s. gesteld dat als de ontbinding en ontruiming in de bodemzaak toegewezen worden, deze veroordelingen kunnen worden gehinderd door een eventueel hoger beroep van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Dit is onvoldoende om een spoedeisend belang aan te nemen. Het is namelijk niet ongebruikelijk dat de uitspraak in een bodemzaak, zeker in dit soort huurzaken, uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard als dat is gevorderd. Dat betekent dat de uitspraak in de bodemprocedure dan moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt.
3.6.
Kortom, de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. zijn onvoldoende spoedeisend om in een kort geding toe te wijzen.
[eiser sub 1] c.s. moeten de proceskosten betalen
3.7.
De vorderingen van [eiser sub 1] c.s. worden afgewezen en zij moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden begroot op:
- verletkosten
50,00
Totaal
50,00
3.8.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.9.
De kantonrechter verklaart deze uitspraak wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. af,
4.2.
veroordeelt [eiser sub 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026.
61312

Voetnoten

1.Artikel 254 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’).
2.Als de kantonrechter op 16 februari 2026 mondeling uitspraak in kort geding had gedaan, was het proces-verbaal van die mondelinge uitspraak binnen 2 weken naar partijen gestuurd. Hier geldt immers artikel 29a lid 4 Rv. Als het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak eerder zou zijn verzonden dan de termijn van 2 weken, was dus nog steeds slechts beperkte tijd (minder dan 2 weken) extra gewonnen bovenop die 8 dagen.
3.De huur is € 2.430,94 per maand. € 2.430,94 / 30 dagen x 8 dagen = € 648,25.