Uitspraak
1.[eiser sub 1] ,
2.
[eiser sub 2],
3.
[eiser sub 3],
1.[gedaagde sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] ,
1.De procedure
- de pleitnota van [eiser sub 1] c.s..
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak vorderen verhuurders dat huurders een woning ontruimen, huurachterstand betalen en huur blijven voldoen zolang zij de woning niet verlaten. Er loopt echter al een bodemprocedure met een geplande mondelinge behandeling op 24 februari 2026.
De kantonrechter oordeelt dat het spoedeisend belang ontbreekt om in kort geding vooruit te lopen op de bodemprocedure, aangezien de mondelinge behandeling in kort geding slechts 8 dagen eerder plaatsvond dan die in de bodemprocedure. Dit tijdsverschil vertegenwoordigt een beperkt financieel belang van circa € 650, terwijl het gebruikelijk is dat de uitspraak in de bodemprocedure binnen twee weken volgt.
De verhuurders konden niet voldoende onderbouwen waarom zij niet op de bodemuitspraak konden wachten. Ook het risico van hoger beroep door huurders is onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen, omdat een uitspraak in de bodemprocedure doorgaans uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.
De vorderingen worden daarom afgewezen en de verhuurders worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van € 50,00, welke uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard.
Uitkomst: Vorderingen van verhuurders in kort geding afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang; verhuurders veroordeeld in proceskosten.