ECLI:NL:RBMNE:2026:957
Rechtbank Midden-Nederland
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontruiming hospitaverhuur wegens belangenafweging
In deze kortgedingprocedure vordert de verhuurder ontruiming van een onzelfstandige woonruimte die zij verhuurt aan de huurder. De verhuurder stelt dat de huurovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd en dat de huurder de woning moet verlaten. De kantonrechter beoordeelt eerst het spoedeisend belang en stelt vast dat dit aanwezig is vanwege de verstoorde verhouding tussen partijen.
De opzegging is gedaan met een te korte termijn, maar de conversiebepaling in artikel 7:271 lid 7 BW Pro maakt de opzegging rechtsgeldig. De verhuurder beroept zich op twee opzeggingsgronden: dringend eigen gebruik en belangenafweging. De eerste grond wordt tijdens de zitting ingetrokken omdat de verhuurder inmiddels een andere woning heeft gekocht.
De belangenafweging op grond van artikel 7:274 lid 1 onder Pro f BW vereist dat de verhuurder aantoont dat haar belangen zwaarder wegen dan die van de huurder. De verhuurder stelt dat zij de woning wil verkopen, maar levert geen bewijs van aankoop of verkoopplannen. De verstoorde verhouding leidt tot subjectieve klachten, maar het is onvoldoende aannemelijk dat deze door de huurder zijn veroorzaakt. Het belang van de huurder bij voortzetting van de huur weegt zwaarder, mede gezien de woningmarkt.
Daarom is niet aannemelijk dat de verhuurder in een bodemprocedure zal slagen en is het niet gerechtvaardigd om de ontruiming nu toe te wijzen. De vordering wordt afgewezen en de verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen omdat het belang van de huurder zwaarder weegt dan dat van de verhuurder.