3.1.De voorzieningenrechter weegt vervolgens de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de staatssecretaris die pleiten tegen het treffen daarvan, tegen elkaar af. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt in stand kan blijven, hoe minder ruimte er bij deze belangenafweging is voor de belangen van verzoeker.
4. In een voorlopige voorziening dient de voorzieningenrechter altijd eerst te kijken naar het spoedeisend belang. Verzoeker heeft hierover toegelicht dat hij vanaf 21 januari 2026 op non-actief is gezet door zijn bemiddelingsbureau, vanwege het ontbreken van een VOG. Verzoeker heeft aangegeven dat hij bijna volledig afhankelijk is van het inkomen dat hij verkrijgt uit de opdrachten van [bemiddelingsbureau] , welke worden verstrekt door dit bemiddelingsbureau en waarvoor hij deze VOG nodig heeft. Volgens de staatssecretaris heeft verzoeker nog een lopende aanvraag voor een VOG voor werkzaamheden bij/via [bemiddelingsbureau] . De voorzieningenrechter ziet daarin echter onvoldoende reden om eraan te twijfelen dat de VOG waar het in deze procedure over gaat, ziet op de huidige werkzaamheden van verzoeker. Verder moet verzoeker ook een VOG aanvragen voor de stage die hij moet lopen vanwege zijn opleiding. Hoewel dat niet gaat over dezelfde VOG als in deze procedure, begrijpt de voorzieningenrechter wel dat verzoeker de VOG voor zijn stage, in afwachting van deze uitspraak, nog niet heeft aangevraagd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van spoedeisend belang.
5. Bij de aanvraag van de VOG is door de opdrachtgever van verzoeker het algemene screeningprofiel van toepassing verklaard met de risicogebieden: informatie, geld, goederen, diensten, proces en personen. De staatssecretaris heeft dit niet als evident onjuist gezien en heeft de aanvraag van verzoeker dan ook beoordeeld aan de hand van dit screeningsprofiel en de genoemde risicogebieden.
6. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris ervan kunnen uitgaan dat de aanvrager van de VOG geen evidente fouten heeft gemaakt bij de aangevinkte risicogebieden. Het is namelijk primair aan de werkgever om te bepalen welk screenings- en risicoprofiel voor de functie van toepassing is, omdat deze het beste zicht heeft op de risicogebieden voor de functie. Verzoeker had met zijn werkgever in gesprek kunnen gaan om te bespreken of het door hem gewenste screeningsprofiel ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ toegepast kon of had moeten worden, maar dit heeft hij niet gedaan. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werkgever een onjuist screeningsprofiel heeft aangekruist. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het risicogebied ‘proces’ niet evident onjuist is. Verzoeker heeft hierover aangevoerd dat hij nooit eerder cliënten heeft moeten vervoeren en dit in de toekomst ook niet zal doen. De voorzieningenrechter volgt dit betoog echter niet. In de door verzoeker verstrekte overeenkomst van opdracht staat namelijk dat de dagbesteding onder een van zijn taken valt. Het vervoeren van cliënten kan hiervan een onderdeel zijn. De overeenkomst van opdracht sluit het vervoer van cliënten dus niet uit. Dat verzoeker tot dusver geen cliënten heeft vervoerd, betekent ook niet dat hij dit in de toekomst niet zal doen. De staatssecretaris mag dan ook uitgaan van het algemene screeningsprofiel met de risicogebieden: informatie, geld, goederen, diensten, proces en personen.
Het objectieve en het subjectieve criterium
7. Bij het beoordelen van een VOG kijkt de staatssecretaris eerst naar het objectieve criterium. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet wordt betwist dat hieraan is voldaan. Het staat vast dat verzoeker strafrechtelijk is veroordeeld binnen de terugkijktermijn en de staatssecretaris heeft duidelijk uitgelegd wat de risico’s zijn als de strafbare feiten worden herhaald in deze functie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat als verzoeker opdrachten aanneemt als zzp’er in de zorg, de strafbare feiten een risico vormen voor de goede vervulling van de opdrachten en de mogelijk kwetsbare cliënten waarmee verzoeker dan zou komen te werken. Verzoeker heeft ook erkend dat aan het objectieve criterium is voldaan.
8. Als er wordt voldaan aan het objectieve criterium, wordt de VOG in beginsel geweigerd. In de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 is uitgewerkt dat, indien er voldaan is aan het objectieve criterium, ook nog gekeken moet worden naar het subjectieve criterium. Daarbij gaat het erom of de feiten en omstandigheden ertoe leiden dat er alsnog een VOG afgegeven moet worden. Er wordt dan gekeken naar de afdoening van de strafzaak, de antecedenten, het tijdsverloop daarvan tot de aanvraag en verzoekers persoonlijke belangen bij het verkrijgen van een VOG.