ECLI:NL:RBMNE:2026:952

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/4664
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 lid 5 WooArt. 3:2 AwbArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens te beperkte uitleg Woo-verzoek inzake parkeerhandhaving

Eiser heeft op 15 januari 2024 een verzoek om informatie ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo) over handhaving rond parkeerplaatsen en interne communicatie over een uitspraak van de Raad van State van 6 november 2013.

Het college van burgemeester en wethouders van Montfoort wees het verzoek af omdat er geen documenten werden aangetroffen. Eiser stelde dat het verzoek onjuist was geïnterpreteerd en dat er wel documenten onder het college berusten. De rechtbank oordeelt dat het college het verzoek te beperkt heeft opgevat en onvoldoende contact heeft gezocht om het verzoek nader te specificeren.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf een beslissing te nemen over de inhoud van het verzoek.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4664

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort,het college,
(gemachtigde: mr. De Boer).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van het college om eisers verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo), af te wijzen. Het verzoek van eiser ziet kort gezegd op handhaving rond parkeerplaatsen op de [adres] in [plaats] en hoe intern is om gegaan met een uitspraak van de Raad van State over dit onderwerp. Het college heeft dat verzoek afgewezen, omdat er geen documenten zijn aangetroffen. Eiser is het hier niet mee eens, omdat er wel documenten onder het college moeten berusten, zijn verzoek is niet op de juiste wijze opgevat. Eiser is het dus niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het Woo-verzoek van eiser te beperkt heeft opgevat
.Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 15 januari 2024 een verzoek om informatie gedaan op grond van de Woo. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 24 maart 2025 (primaire besluit) afgewezen, omdat het college niet over de gevraagde informatie beschikt. In het bestreden besluit van 10 juli 2025 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder .

Beoordeling door de rechtbank

Om welke informatie heeft eiser verzocht in zijn van verzoek van?
3. Het Woo-verzoek van eiser van 15 januari 2024 luidt als volgt:
‘’
In het kader van mijn dossieronderzoek - parkeerplaatsen - en voortschrijdend inzicht vraag ik mij af hoe de uitspraak van de Raad van State 6 november 2013 inzake parkeerplaatsen en handhaving op [adres] intern is verlopen. Vooralsnog in de periode 6 november 2013 tot 30-6-2014.
Ik verzoek u mij, vooruitlopend op een gelegenheid om het gehele dossier in te mogen zien,
de volgende documenten toe te sturen;
- de onderlinge mailwisseling over dit onderwerp en de uitspraak Raad van State op 6 november 2013, tussen met name de heren [A] , [B] , mevr. [C] , burgemeester [D] , de heer [E] en mevr, [F] , de heren [G] , [H] en [I] en alle anderen u bekend.
- het ambtelijk voorstel tot handhaving, uitgewerkt 17-12-2013, van de heer [G] ? De heer [B] ?
- Besluitvormingsdocumenten, ambtelijk bij mandaat/delegatie? B&W?, alle notulen werkoverleggen, interne notities of dergelijke.
Volgde daarop ook formeel en informeel overleg met gemeenteraadsleden, bijvoorbeeld
mevr, [J] en mevr. [K] of anderen? Hoe is hier onderling over gecommuniceerd in de periode 6 november 2013 tot vooralsnog 30-6-2014
Ik verzoek u mij kopieën van vastleggingen van die individuele en onderlinge
communicatie in bijvoorbeeld onderling mailverkeer, documenten, notities, brieven,
gespreksverslagen, notulen werkoverleggen, adviezen vanuit juridische zaken of genoemde
functionarissen of wie er nog meer bij betrokken waren en wat dies meer zij in mogelijke
vastleggingen te verschaffen.’’
Is het verzoek te beperkt opgevat?
4. Eiser stelt dat zijn Woo-verzoek ten onrechte is teruggebracht tot de vraag hoe de uitspraak van de Raad van State (Afdeling) van november 2013, inzake parkeerplaatsen en handhaving aan de [adres] , intern is verlopen. Daarbij wist eiser er op dat het college in haar verweerschrift in de bezwaarfase heeft toegelicht dat uit het primaire besluit, en met name de toelichting daarop, valt af te leiden dat specifiek naar interne informatie betreffende de genoemde uitspraak van de Raad van State is gezocht. Derhalve is niet gezocht naar informatie over hetgeen zich nadien als gevolg van die uitspraak mogelijk allemaal heeft afgespeeld. Volgens eiser had het college contact op moeten nemen met hem om duidelijkheid te vragen over de bedoeling van zijn Woo-verzoek.
5. Het college stelt zich op het standpunt dat het verzoek duidelijk was en er geen verdere toelichting gevraagd had moeten worden. Bij eisers vele Woo-verzoeken geeft hij altijd precies aan welke informatie hij zoekt. De verzoeken zijn vaak gerelateerd aan een specifieke periode, een specifieke ambtenaar of een uitspraak van de Afdeling. Het onderhavige verzoek ziet volgens het college heel precies op interne communicatie omtrent de uitspraak van de Afdeling, van 6 november 2013.
6. De rechtbank is van oordeel dat het college het verzoek van eiser te beperkt heeft opgevat. Daartoe wordt het volgende overwogen.
7. In de aanhef van het verzoek van 15 januari 2024 staat:
“wet open overheid (WOO) Verzoek omtrent interne informatie inzake besluit tot handhaving parkeren op [adres] ”.In de brief staat verder om welke informatie eiser verzoekt. Hij verzoekt onder andere ‘
de onderlinge mailwisseling over dit onderwerp en de uitspraak Raad van State op 6 november 2013’.Naar het oordeel van de rechtbank vraagt eiser daarmee enerzijds om mailwisselingen over het onderwerp ‘handhaving parkeren [adres] ’ en anderzijds om mailwisselingen over de uitspraak van de Afdeling. Ook uit de rest van het verzoek valt af te leiden dat het over meer gaan dan uitsluitend stukken die direct over de uitspraak van de Afdeling gingen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de periode waarover stukken worden gevraagd en de ruime opsomming van mogelijk te verstrekken stukken De rechtbank kan het college dan ook niet volgen in haar standpunt dat eiser in ieder geval niet vraagt om intern overleg dat volgde op de Afdelingsuitspraak. Het verzoek richt zich namelijk op de periode van 6 november 2013 tot 30 juni 2014, terwijl de uitspraak van de Afdeling op 6 november 2013 is gedaan. Verder is ook duidelijk wat voor soort documenten eiser vraagt, namelijk: mailverkeer, notities, brieven, gespreksverslagen, notulen werkoverleggen en adviezen. Intern, formeel en informeel.
8. Het is wel voorstelbaar dat voor het college de precieze reikwijdte van het verzoek niet duidelijk was. Echter, dit had het college aanleiding moeten geven om eiser behulpzaam te zijn bij het nader specificeren van zijn verzoek. [1] Het college had het Woo-verzoek, aan de hand van eisers eerdere Woo-verzoeken, niet mogen begrenzen zonder nader contact. Deze beroepsgrond slaagt.
9. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigd en het college opdraagt om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Is de zoekslag op de juiste wijze verricht?
10. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling of het aannemelijk is dat zich onder het college meer documenten berusten. Het college dient allereerst een nieuwe beslissing op het verzoek van eiser te nemen, nu deze niet is begrepen zoals door eiser is beoogd.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo jo. artikel 3:2 van Pro de Awb. Dit betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat het college zes weken krijgt om een nieuw besluit te nemen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat het college nader onderzoek moet doen aan de hand van het verzoek.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
13. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 10 juli 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr.K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo.