ECLI:NL:RBMNE:2026:95

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11866777 \ LE VERZ 25-57
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:672 lid 11 BWArt. 7:673 BWArt. 16 NBBU CAOArt. 611a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling duur uitzendovereenkomst en transitievergoeding bij beëindiging na één week

De zaak betreft een arbeidsrechtelijk geschil tussen verzoeker en verweerster over de duur van een uitzendovereenkomst en de daaruit voortvloeiende rechten. Verzoeker trad op 30 juni 2025 in dienst bij verweerster op basis van een uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd, die volgens de overeenkomst voor één week was aangegaan met een mogelijke stilzwijgende verlenging van vier weken. Verzoeker vorderde loon, schadevergoeding, een billijke vergoeding en verstrekking van documenten.

De kantonrechter stelde vast dat de overeenkomst duidelijk was aangegaan voor één week en dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een verlenging of een overeenkomst van drie maanden. Het telefoongesprek dat verzoeker als bewijs aanvoerde, bood onvoldoende aanwijzingen dat verweerster een langere duur had toegezegd. Verweerster had de overeenkomst niet voortijdig opgezegd, waardoor deze van rechtswege eindigde na één week.

Verzoeker had recht op loon over de daadwerkelijk gewerkte dagen en een transitievergoeding van €13,00 bruto, maar niet op een gefixeerde schadevergoeding of billijke vergoeding. De vordering tot oplegging van dwangsommen werd afgewezen. Verweerster werd veroordeeld tot het verstrekken van de uitzendbevestiging. Proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van een transitievergoeding en verstrekking van de uitzendbevestiging, wijst overige vorderingen af en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: 11866777 \ LE VERZ 25-57
Beschikking van 9 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende in [plaats 1] ,
verzoeker, hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend met een toevoeging: nr. [.],
gemachtigde: mr. J.S. Bauer,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd op [plaats 2] ,
verweerder, hierna te noemen: [verweerster] ,
vertegenwoordigt door haar algemeen directeur [A] ,
gemachtigde: mr. H. Mouselli.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties;
- het verweerschrift, met producties;
- de Nederlandse vertaling van producties 1 en 2 bij het verzoekschrift van de zijde van [verzoeker] ;
- de transcriptie van een telefoongesprek in de Poolse taal met de Nederlandse vertaling van dat gesprek van de zijde van [verzoeker] ;
- een e-mail van 11 november 2025 met een bewijsstuk voor de vertaling van het telefoongesprek door [onderneming] van de zijde van [verzoeker] ;
- het verzoek van [verzoeker] van 18 november 2025 om ter zitting [B] als getuige te laten horen.
1.2.
Op 24 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door mr. Bauer en A.G. Tol-Pawloska, tolk in de Poolse taal. Namens [verweerster] is verschenen [A] (algemeen directeur), bijgestaan door
mr. Mouselli. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. [verweerster] heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting met partijen is besproken.
1.3.
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 22 december 2025 uitspraak zal worden gedaan. De uitspraak is gevolgd op 9 januari 2026.

2.De kern van de zaak

2.1.
[verzoeker] is op 30 juni 2025 bij [verweerster] in dienst getreden op basis van een uitzendovereenkomst fase 1-2 voor bepaalde tijd (hierna: de overeenkomst). [verzoeker] heeft in het kader van die overeenkomst werkzaamheden verricht bij een visbedrijf op [plaats 2] voor een bruto uurloon van € 14,30. Voor de duur van de overeenkomst heeft [verzoeker] woonruimte aan de [adres] in [plaats 3] gekregen. Op vrijdag 4 juli 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld. [verweerster] heeft [verzoeker] vervolgens bij brief van 7 juli 2025 bericht dat de arbeidsrelatie inmiddels was geëindigd en dat [verzoeker] de woonruimte in [plaats 3] moest verlaten. Op 26 juli 2025 is [verzoeker] uit zijn woonruimte gezet. [verzoeker] vordert nu onder meer betaling van loon, een gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding. Ook vordert [verzoeker] dat [verweerster] de uitzendbevestiging en een bruto-netto specificatie van de betalingen verstrekt. Dit alles met oplegging van dwangsommen.

3.De beoordeling

Duur uitzendovereenkomst één week
3.1.
[verzoeker] meent dat hij recht heeft op loon en vergoedingen. Primair omdat hij met [verweerster] een overeenkomst voor de duur van drie maanden heeft gesloten en [verweerster] de overeenkomst niet tussentijds had mogen opzeggen en subsidiair omdat de overeenkomst volgens [verzoeker] na één week stilzwijgend is verlengd met vier weken. [verweerster] betwist dat zij loon en vergoedingen aan [verzoeker] verschuldigd is, omdat de overeenkomst zou zijn gesloten voor de duur van één week en de overeenkomst na die week van rechtswege tot een einde is gekomen. De kantonrechter volgt [verweerster] en legt hierna uit waarom.
3.2.
In de overeenkomst staat, voor zover hier relevant:
“3. De Uitzendovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van één week en kan na afloop van voornoemde duur stilzwijgend onder dezelfde voorwaarden en voor de duur van vier weken worden verlengd. De Uitzendovereenkomst eindigt van rechtswege, dus zonder dat opzegging nodig is”.
Uit de in het geding gebrachte stukken volgt dat de overeenkomst ook in de Poolse taal aan [verzoeker] is verstrekt. Voor [verzoeker] had dus duidelijk kunnen en moeten zijn dat de overeenkomst bij aanvang werd aangegaan voor de duur van één week. [verzoeker] stelt dat hij de documenten onder tijdsdruk moest tekenen, omdat de medewerker van [verweerster] haast had, en dat hij de documenten die hem werden aangeboden daardoor niet heeft kunnen lezen, maar die stelling heeft [verzoeker] niet onderbouwd. Dat hij de overeenkomst snel en onder druk heeft moeten tekenen blijkt verder nergens uit. De kantonrechter passeert daarom deze stelling van [verzoeker] .
3.3.
[verzoeker] stelt ook dat [verweerster] hem vooraf een overeenkomst van drie maanden had beloofd en dat hij er daarom van mocht uitgaan dat hij de overeenkomst voor drie maanden afsloot. [verzoeker] heeft ter onderbouwing daarvan verwezen naar een door zijn partner, [B] , opgenomen telefoongesprek in de Poolse taal. [B] zou dat gesprek ook namens [verzoeker] hebben gevoerd met een recruiter van [verweerster] . [verzoeker] heeft van dat gesprek een transcriptie en een Nederlandse vertaling ingebracht.
3.4.
Ter zitting is op verzoek van [verzoeker] [B] als informant gehoord. [B] heeft verklaard, voor zover hier relevant, dat zij heeft gebeld met een recruiter van [verweerster] , dat zij in dat gesprek ook heeft gesproken over het werk van [verzoeker] , dat de recruiter tegen haar heeft gezegd dat de overeenkomst minimaal drie maanden zou duren en dat de recruiter haar en [verzoeker] naar de locatie van [verweerster] in [plaats 2] stuurde om de overeenkomst te tekenen.
3.5.
[B] heeft het telefoongesprek gevoerd, nadat haar werkzaamheden en de werkzaamheden van [verzoeker] bij [verweerster] waren geëindigd. [B] zou in dit gesprek dezelfde vragen hebben gesteld als in het gesprek dat zij en [verzoeker] voor aanvang van de overeenkomst met [verweerster] hebben gevoerd om bevestigd te krijgen dat tegen hen is gezegd dat de overeenkomst drie maanden zou duren. [verweerster] betwist dat in het telefoongesprek een recruiter van [verweerster] is te horen, omdat [verweerster] geen uitzendovereenkomsten voor de duur van drie maanden afsluit en het gesprek wordt gevoerd door een vrouw terwijl [verweerster] geen vrouwelijke recruiters in dienst heeft. Dat [B] dit telefoongesprek voert met een werknemer van [verweerster] toont [verzoeker] niet aan en blijkt verder ook nergens uit. In het telefoongesprek wordt ook niet specifiek gerefereerd aan de overeenkomst die [verzoeker] met [verweerster] heeft gesloten of aan afspraken die [verzoeker] specifiek met [verweerster] over de door hem met [verweerster] gesloten overeenkomst zou hebben gemaakt. Het telefoongesprek biedt daarom onvoldoende aanwijzingen voor de stelling van [verzoeker] dat [verweerster] hem een overeenkomst voor de duur van drie maanden heeft beloofd en hij van die duur mocht uitgaan. Ook deze stelling van [verzoeker] slaagt dus niet.
3.6.
Nu niet is komen vast te staan dat de overeenkomst voor drie maanden is afgesloten, ligt de vraag voor of het dienstverband na één week stilzwijgend is voortgezet. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een verlenging van de overeenkomst om de hierna volgende reden.
3.7.
Het kenmerk van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is dat deze van rechtswege eindigt na het verstrijken van de duur waarvoor hij is aangegaan. Dit kan anders zijn als de werkzaamheden na de afgesproken einddatum worden voortgezet. Als hierover geen duidelijke afspraken zijn gemaakt, kan er sprake zijn van stilzwijgende verlenging van de arbeidsovereenkomst. Bij de beoordeling of er sprake is van een stilzwijgende verlenging is van belang of de werknemer ( [verzoeker] ) op grond van gedragingen van de werkgever ( [verweerster] ) heeft mogen aannemen dat de uitzendovereenkomst na afloop van de tijd waarvoor deze was aangegaan, stilzwijgend wordt voortgezet. Dat die gedragingen er van de zijde van [verweerster] zijn geweest heeft [verzoeker] niet gesteld. Van die gedragingen is verder ook niets gebleken. Uit de brief van 7 juli 2025 van [verweerster] aan [verzoeker] , waarin [verweerster] aangeeft dat de overeenkomst inmiddels was geëindigd, en uit de omstandigheid dat [verzoeker] na afloop van de eerste week niet meer stond ingeroosterd voor werk, blijkt juist dat [verweerster] de intentie had om de overeenkomst na één week te laten eindigen. De kantonrechter volgt daarom ook het subsidiaire standpunt van [verzoeker] niet.
[verweerster] moet een week loon aan [verzoeker] betalen
3.8.
[verweerster] moet voor de duur van één week loon aan [verzoeker] betalen. Partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] heeft gewerkt op maandag 30 juni 2025, dinsdag 1 juli 2025 en donderdag 3 juli 2025. Op vrijdag 4 juli 2025 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld. [verweerster] geeft aan dat zij voor de op deze dagen gewerkte uren het loon aan [verzoeker] heeft betaald en dat ook de opgebouwde vakantiedagen en vakantiebijslag zijn uitbetaald. Dat [verweerster] dat heeft gedaan, blijkt uit de overgelegde loonstroken en eindafrekening en is door [verzoeker] ook niet weersproken.
3.9.
Voor de uren waarvoor geen loon is betaald, beroept [verweerster] zich op het loonuitsluitingsbeding in de overeenkomst. Dit beding houdt in dat [verweerster] over de uren die niet zijn gewerkt geen loon hoeft te betalen. Deze afwijking geldt echter niet als de arbeid niet verricht kan worden vanwege ziekte. Dan moet wel loon doorbetaald worden.
3.10.
[verzoeker] meent dat hij nog recht heeft op loon, omdat hij ziek was en daardoor op vrijdag 4 juli 2025 niet heeft kunnen werken. [verweerster] stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] zich op 4 juli 2025 niet heeft ziek gemeld, maar dat hij die dag gewoon niet is komen opdagen. [verzoeker] stelt dat hij zich wel degelijk heeft ziek gemeld, maar hij heeft verzuimd die ziekmelding in het geding te brengen. [verzoeker] zegt dat hij dat alsnog kan doen, maar dat is in deze stand van de procedure te laat. Dat had [verzoeker] eerder kunnen en moeten doen. De kantonrechter wijst dit af.
[verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding
3.11.
Omdat de overeenkomst na één week van rechtswege is geëindigd, is de overeenkomst op initiatief van [verweerster] niet voortgezet. Dat betekent dat [verzoeker] op grond van artikel 7:673 BW Pro recht heeft op een transitievergoeding. [verzoeker] geeft niet aan hoe hoog die transitievergoeding zou moeten zijn. De kantonrechter stelt aan de hand van de loonstrook en eindafrekening vast dat [verzoeker] een totaal bruto inkomen van € 452,03 heeft verdiend en berekent de transitievergoeding met dat bruto loon op € 13,00.
Geen dwangsom
3.12.
[verzoeker] vordert om een dwangsom op te leggen voor het geval dat [verweerster] het resterende loon en de transitievergoeding niet betaald. De vordering tot oplegging van die dwangsom zal in ieder geval worden afgewezen, omdat een dwangsom op grond van artikel 611a Rv niet kan worden opgelegd bij een veroordeling tot betaling van een geldsom.
[verzoeker] heeft geen recht op een gefixeerde schadevergoeding
3.13.
[verzoeker] maakt aanspraak op een gefixeerde schadevergoeding. Op grond van artikel 7:672 lid 11 BW Pro is de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt aan de andere partij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. De overeenkomst die [verzoeker] met [verweerster] heeft gesloten is na één week van rechtswege geëindigd. [verweerster] heeft die overeenkomst niet voortijdig opgezegd. Van het niet rechtsgeldig eindigen van de overeenkomst is dus geen sprake. [verzoeker] kan daarom geen aanspraak maken op een gefixeerde schadevergoeding.
[verweerster] moet de uitzendbevestiging verstrekken
3.14.
[verzoeker] stelt dat hij de uitzendbevestiging van [verweerster] had moeten krijgen, maar [verweerster] die niet heeft verstrekt. [verzoeker] heeft recht op die uitzendbevestiging op grond van artikel 16 van Pro de NBBU CAO. [verweerster] heeft de uitzendbevestiging meegenomen naar de zitting en er geen bezwaar tegen gemaakt om de uitzendbevestiging aan [verzoeker] te verstrekken. De kantonrechter wijst deze vordering daarom toe.
3.15.
[verzoeker] vordert aan [verweerster] een dwangsom op te leggen. De kantonrechter heeft gelet op de mededeling van [verweerster] ter zitting geen reden om aan te nemen dat [verweerster] de uitzendbevestiging niet aan [verzoeker] zal verstrekken. De kantonrechter wijst deze vordering daarom af.
[verzoeker] heeft geen recht op een billijke vergoeding
3.16.
[verzoeker] vordert de toekenning van een billijke vergoeding omdat het ontslag in strijd met de wettelijke regels plaatsgevonden zou hebben. Een billijke vergoeding kan alleen worden toegekend als de werkgever van het ontslag een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zoals hiervoor al overwogen is de overeenkomst van rechtswege tot een einde gekomen en heeft [verweerster] de overeenkomst niet voortijdig beëindigd. Haar valt van het eindigen van die overeenkomst op dat moment dan ook geen (ernstig) verwijt te maken.
3.17.
De kantonrechter begrijpt de stellingen van [verzoeker] zo dat hij nog een vergoeding van € 3.000,00 vordert, omdat hij te vroeg en met geweld uit zijn woonruimte zou zijn gezet en daardoor schade heeft geleden. Hij stelt daartoe dat hij bij brief van 7 juli 2025 een termijn van vier weken heeft gekregen om zijn woonruimte te ontruimen, dat hij op 17 juli 2025 het bericht kreeg dat hij de woonruimte per 21 juli 2025 moest verlaten en dat hij vervolgens op 26 juli 2025 met geweld uit zijn woonruimte is gezet. Hierdoor is hij enkele weken dakloos geweest en zijn zijn spullen beschadigd, aldus [verzoeker] . [verweerster] erkent dat [verzoeker] op 26 juli 2025 uit zijn woonruimte is gezet, maar zij betwist dat dat met geweld is gegaan en spullen zijn beschadigd. [verweerster] geeft aan dat [verzoeker] en zijn partner voor onrust bij medebewoners hebben gezorgd en de medebewoners zich door [verzoeker] bedreigd voelde. Het was daarom niet wenselijk dat [verzoeker] langer in de woonruimte zou blijven. Ook tijdens de ontruiming zou [verzoeker] zich agressief hebben gedragen. De kantonrechter wijst het verzoek van [verzoeker] af. De vergoeding die [verzoeker] wil omdat hij schade zou hebben geleden door de te vroege ontruiming kan in deze procedure niet toegekend worden. De vergoeding van schade is immers een vergoeding die gebaseerd is op een onrechtmatige daad die jegens de verhuurder moet worden ingesteld en niet jegens de werkgever.
Proceskosten
3.18.
Omdat partijen deels in het gelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [verweerster] tot betaling van een transitievergoeding van € 13,00 bruto aan [verzoeker] ;
4.2.
veroordeelt [verweerster] tot het verstrekken van de uitzendbevestiging aan [verzoeker] ;
4.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
4.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.R. van der Vos en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.
41264