ECLI:NL:RBMNE:2026:931

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
05/289598-24
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m SrArt. 77n SrArt. 138 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging zware mishandeling en wapenbezit, taakstraf voor bedreiging en lokaalvredebreuk

Op 9 september 2024 werd verdachte aangehouden in een asielzoekerscentrum te Nunspeet. Hij werd beschuldigd van poging tot zware mishandeling, bedreiging van een politieambtenaar, het dragen van een breekmes en lokaalvredebreuk. De rechtbank sprak verdachte vrij van poging zware mishandeling en het dragen van een wapen, omdat het opzet en de wapenbestemming niet overtuigend konden worden bewezen.

De rechtbank achtte echter bewezen dat verdachte de politieambtenaar heeft bedreigd met woorden als 'ik ga jullie neersteken en onthoofden' en dat hij ondanks een ontzegging de opvanglocatie betrad, wat lokaalvredebreuk oplevert. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur, met aftrek van 286 dagen voorarrest, waardoor hij de taakstraf niet daadwerkelijk hoeft uit te voeren.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een persoonlijkheidsstoornis en een posttraumatische stressstoornis, en het feit dat verdachte niet eerder was veroordeeld. Het jeugdstrafrecht werd toegepast omdat verdachte minderjarig was en de ernst van de feiten en zijn persoonlijkheid geen toepassing van het volwassenenstrafrecht rechtvaardigden.

De officier van justitie had een jeugddetentie van één maand geëist met bijzondere voorwaarden, maar de rechtbank vond een taakstraf passend gezien de lange duur van het voorarrest en de omstandigheden. De rechtbank legde geen voorwaardelijke straf of bijzondere voorwaarden op omdat verdachte niet gemotiveerd was voor behandeling.

Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland op 10 maart 2026, waarbij de strafrechtelijke kwalificaties en de strafoplegging uitvoerig werden gemotiveerd.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging zware mishandeling en wapenbezit, veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur voor bedreiging en lokaalvredebreuk met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 05/289598-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] (Syrië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna: [verdachte] .

1.Zitting

De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 24 februari 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
  • [verdachte] ;
  • de officier van justitie: mr. N. Schapendonk;
  • de advocaat van [verdachte] : mr. M. Öszüren (hierna: de advocaat);
  • de onderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming: [A] .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
Feit 1
Primair:op 9 september 2024 te Nunspeet heeft geprobeerd om aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
Subsidiairis dit ten laste gelegd als bedreiging;
Feit 2
op 9 september 2024 te Nunspeet [slachtoffer] in diens hoedanigheid van ambtenaar van de politie heeft bedreigd door hem de woorden toe te voegen: “ik ga jullie neersteken en/of ik ga jullie onthoofden”;
Feit 3
op 9 september 2024 te Nunspeet een wapen van de categorie IV, onder 7 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een breekmes heeft gedragen;
feit 4
op 9 september 2024 te Nunspeet lokaalvredebreuk bij het COA heeft gepleegd.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van feit 1. De feiten 2, 3 en 4 acht de officier van justitie wettig en overtuigend te bewijzen.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft vrijspraak van feit 1, feit 2 en feit 3 bepleit. Ten aanzien van feit 4 heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 1
De rechtbank acht feit 1 niet wettig en overtuigend bewezen.
In een proces-verbaal van verbalisanten [slachtoffer] en [verbalisant] wordt beschreven dat [verdachte] is aangehouden in een asielzoekerscentrum. Bij de aanhouding is een aantal medewerkers van het asielzoekerscentrum aanwezig geweest, waarbij een van de medewerkers heeft vertaald tussen [verdachte] en de verbalisanten. Tijdens de aanhouding zou aan [verdachte] zijn gevraagd of hij scherpe voorwerpen bij zich had. [verdachte] zou hierop “nee” hebben geantwoord. Vervolgens zou [verdachte] op een paar centimeter van [slachtoffer] een uitgeschoven breekmes in zijn hand hebben gehouden. [slachtoffer] heeft hierop de hand van [verdachte] vastgepakt, waarop [verdachte] het mes zou hebben laten vallen.
[verdachte] heeft op de zitting verklaard dat het anders is gegaan. Hij verklaart dat hij inderdaad een breekmes in zijn zak had en dat hij dat bij zich droeg omdat hij de dag daarvoor had gewerkt en daar met het breekmes dozen moest openmaken. Hij zegt dat hij “ja” heeft geantwoord op de vraag van de verbalisant of hij scherpe voorwerpen bij zich had. Hierop zou hij het mes hebben laten zien en op de grond hebben laten vallen.
Getuige [getuige 1] , een medewerker van het COA, heeft vlak na het incident tegenover de politie verklaard dat zij [verdachte] ‘ja’ heeft horen zeggen, toen hem werd gevraagd of hij scherpe voorwerpen bij zich had. Ook de medewerkers van het COA die recentelijk bij de rechter-commissaris zijn gehoord, sluiten aan bij het scenario van [verdachte] . Getuige [getuige 2] verklaart bij de rechter-commissaris eveneens dat hij ‘ja’ heeft gezegd op de vraag of hij scherpe voorwerpen bij zich had. De getuigen [getuige 2] en [getuige 3] hebben bij de rechter-commissaris verklaard dat [verdachte] het mes toonde, nadat de politie bij hem naar scherpe voorwerpen had gevraagd, en dat hij het mes laag en naar beneden hield. Zij interpreteerden het als een meewerkende houding van [verdachte] .
De rechtbank twijfelt er niet aan dat verbalisant [slachtoffer] zich bedreigd heeft gevoeld, maar is van oordeel dat niet overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] het (volle of voorwaardelijke) opzet had om met het mes zwaar lichamelijk letsel aan verbalisant [slachtoffer] toe te brengen of om verbalisant [slachtoffer] te bedreigen. Daarom spreekt de rechtbank [verdachte] vrij van de primaire en subsidiaire beschuldiging onder feit 1.
3.3.2.
Vrijspraak feit 3
Voor een bewezenverklaring van feit 3 (het dragen van een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet Wapens en Munitie) is vereist dat van het breekmes, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder het wordt aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het is bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.
De officier betoogt dat feit 3 kan worden bewezen omdat het mes was uitgeschoven. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank feit 3 niet wettig en overtuigend bewezen. [verdachte] heeft het mes tevoorschijn gehaald toen hem in het kader van een transportfouillering werd gevraagd of hij scherpe voorwerpen bij zich had. Uit de inhoud van het dossier blijkt niet, althans onvoldoende, dat [verdachte] het breekmes pakte met de bedoeling om daarmee letsel aan [slachtoffer] toe te brengen of daarmee te dreigen. Nu de rechtbank niet bewezen acht dat het breekmes deze bestemming had, zal [verdachte] worden vrijgesproken van het aan hem onder 3 ten laste gelegde.
3.3.3.1
Bewijsmiddelen feit 2 [1]
Een proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [slachtoffer] en [verbalisant] van 10 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wij, verbalisanten [slachtoffer] en [verbalisant] , gingen naar het Centraal Orgaan opvang asielzoekers in Nunspeet, omdat [verdachte] daar aanwezig was. [2]
Ik, [slachtoffer] , hoorde medewerker [getuige 2] van het COA zeggen dat [verdachte] in het Arabisch riep dat hij ons neer wilde steken. [3]
Ik, [verbalisant] , hoorde [getuige 2] zeggen dat [verdachte] in het Arabisch riep dat hij ons neer wilde steken. Ik hoorde [getuige 2] zeggen dat [verdachte] deze dreiging meerdere keren zei.
Wij liepen met [verdachte] naar het dienstvoertuig en hoorden hem zeggen dat hij ons wilde steken en ons wilde onthoofden. Wij hoorden dat [verdachte] dit in de Nederlandse taal naar ons uitsprak. Wij hoorden [verdachte] tijdens de rit meerdere keren zeggen dat hij ons wilde onthoofden. [4]
3.3.3.2
Bewijsoverweging feit 2
Volgens verbalisanten [slachtoffer] en [verbalisant] heeft [verdachte] op meerdere momenten gezegd dat hij ze wilde neersteken en onthoofden. Tijdens de aanhouding zou hij dit in het Arabisch hebben gezegd. Dit zou zijn vertaald door een medewerker van het asielzoekerscentrum. Daarna zou [verdachte] tijdens het lopen naar het politievoertuig en tijdens het vervoer naar het politiebureau deze woorden in het Nederlands hebben gezegd. De verbalisanten hebben in het proces-verbaal afzonderlijk opgeschreven wat er tijdens de aanhouding is gebeurd. De gang van zaken tijdens het transport is door hen gezamenlijk beschreven.
De advocaat bepleit vrijspraak van de bedreiging, omdat de medewerker van het asielzoekerscentrum later heeft ontkend dat [verdachte] heeft gedreigd met steken of onthoofden. Het proces-verbaal van de verbalisanten moet volgens de advocaat met grote terughoudendheid worden bekeken, omdat de inhoud ervan wordt tegengesproken door latere verklaringen van medewerkers van het asielzoekerscentrum bij de rechter-commissaris. Het bewijs voor de bedreiging is bovendien alleen afkomstig van verbalisant [slachtoffer] : de inbreng van [verbalisant] over het transportgedeelte van het proces-verbaal zou beperkt zijn gebleven tot taalkundig redigeren. Bovendien spreekt [verdachte] geen Nederlands, dus is het feitelijk onmogelijk dat [verdachte] in het Nederlands bedreigingen heeft geuit.
De rechtbank volgt de advocaat niet. De verklaringen bij de rechter-commissaris geven geen aanleiding om eraan te twijfelen dat [verdachte] heeft gedreigd met het neersteken en onthoofden van de verbalisanten. Hoewel het proces-verbaal van verbalisanten [slachtoffer] en [verbalisant] niet geheel strookt met de verklaringen die de medewerkers van het COA recentelijk bij de rechter-commissaris hebben afgelegd, maakt dit niet dat het proces-verbaal als zodanig onbetrouwbaar is. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat [verdachte] tegen de verbalisanten heeft gescholden, maar hij kan zich niet meer herinneren wat [verdachte] precies heeft gezegd. Dat doet aan het bewijs voor bedreiging niet af. Dat geldt ook voor de latere verklaring van verbalisant [verbalisant] . Zij verklaarde bij het verhoor bij de rechter-commissaris dat zij zich niet alles meer herinneren, maar heeft daar verklaard dat het proces-verbaal inhoudelijk klopt. Getuige [getuige 2] verklaart bovendien dat [verdachte] ook wel Nederlands sprak.
De rechtbank acht op basis van het proces-verbaal van [slachtoffer] en [verbalisant] wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] heeft gedreigd met neersteken en onthoofden.
3.3.4
Bewijsmiddelen feit 4
[verdachte] heeft het ten laste gelegde feit bekend. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In deze situatie hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet volledig uit te werken. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
  • De verklaring van [verdachte] op de zitting van 24 februari 2026;
  • Een proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens COA van 10 september 2024;
- Een geschrift, te weten een ontzegging van toegang tot het COA te Nunspeet, van 14 juni 2024. [6]
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 2
op 9 september 2024 te Nunspeet [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer] de woorden toe te voegen "ik ga jullie neersteken” en “ik ga jullie onthoofden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [slachtoffer] in diens hoedanigheid van ambtenaar van de politie;
feit 4
op 9 september 2024 te [plaats] in het besloten lokaal de [adres] , bij Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 14 juni 2024 schriftelijk de toegang tot die opvanglocatie ontzegd voor de duur van vijf maanden.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 2
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie;
feit 4
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
4.2
Strafbaarheid feiten en verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten of van [verdachte] opheffen. De feiten zijn strafbaar en [verdachte] is dat ook.

5.Straf

5.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot:
- een jeugddetentie van één maand, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden (kort gezegd): meewerken aan (trauma)behandeling en aan hulpverlening en ondersteuning (zoals emotieregulatie en integratie), houden aan regels en afspraken op de woonplek, het hebben van dagbesteding en meewerken aan controles op alcohol en verdovende middelen.
5.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt om aan [verdachte] maximaal één dag onvoorwaardelijke jeugddetentie en geen bijzondere voorwaarden op te leggen, gelet op het feit dat [verdachte] zeer lang in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en niet eerder voor een misdrijf is veroordeeld.
5.3
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk en bedreiging van een agent met de dood. Hij is naar een asielzoekerscentrum gegaan terwijl hij wist dat hem de toegang tot dat centrum was ontzegd. Dit zorgde voor veel overlast en onrust bij de bewoners. Nadat de medewerkers van het asielzoekerscentrum de politie hadden ingeschakeld, heeft [verdachte] een agent met de dood bedreigd door naar de agent te roepen dat hij hem zou gaan steken en onthoofden. Dit is een grove bedreiging en heeft bij de agent, zo blijkt uit het dossier, voor gevoelens van angst gezorgd. De rechtbank acht het van groot belang dat politieagenten veilig en ongestoord hun werk kunnen doen. Zij brengen zichzelf in gevaarlijke situaties om de veiligheid van burgers te waarborgen.
Het strafblad
De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van [verdachte] . Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor een misdrijf is veroordeeld.
Persoonlijke omstandigheden
[verdachte] is geobserveerd in het Forensisch Centrum [locatie] . Hiervan is verslag gedaan in het Pro Justitia-rapport van 26 november 2025. In dit rapport komt naar voren dat [verdachte] een persoonlijkheidsstoornis heeft met zowel antisociale, borderline, histrionische en narcistische trekken. [verdachte] heeft hierdoor moeite met het in toom houden van zijn emoties en met het beheersen van zijn impulsen. Ook wordt beschreven dat hij een posttraumatische stressstoornis heeft en een stoornis in het gebruik van cannabis en lyrica (beide ten minste van matige ernst, nu in remissie door gereguleerde omstandigheden). De onderzoekers hebben geadviseerd om, voor zover nog van belang, de bedreiging verminderd aan [verdachte] toe te rekenen aan [verdachte] . De rechtbank houdt hier in strafverminderende zin rekening mee.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft in zijn rapport van 19 februari 2026 benoemd dat het recidiverisico hoog is en het daarom belangrijk is dat [verdachte] een behandeling en intensieve begeleiding krijgt. Hoewel [verdachte] niet gemotiveerd lijkt voor een behandeling, heeft de Raad wel geadviseerd om bij een veroordeling een voorwaardelijke detentie en bijzondere voorwaarden op te leggen. Verder heeft de Raad een plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ-maatregel) of een gedragsbeïnvloedende maatregel afgeraden, omdat deze maatregelen niet passend en niet uitvoerbaar zijn.
Jeugdstrafrecht
Hoewel [verdachte] ten tijde van het ten laste gelegde 17 jaar was, wordt in het Pro Justitia-rapport geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Uit het rapport blijkt dat er wordt getwijfeld aan zijn leeftijd. Daarnaast wordt beschreven dat het volwassenenstrafrecht beter past bij de persoonlijkheid en het ontwikkelingsniveau van [verdachte] . De Raad heeft daarentegen in zijn rapport geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen. Op zitting voegt de Raad daaraan toe dat de identiteitsdocumenten van [verdachte] zijn bekeken en dat zijn opgegeven leeftijd klopt. De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat minderjarigen volgens het jeugdstrafrecht worden berecht. Nu de leeftijd van [verdachte] vaststaat en noch de ernst en omstandigheden van de feiten, noch de persoonlijkheid van de verdachte aanleiding geven om het volwassenenstrafrecht toe te passen, zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.
De duur van het voorarrest
[verdachte] heeft 286 dagen in voorarrest gezeten. De feiten waarvoor hij wordt veroordeeld rechtvaardigen een vrijheidsbeneming van deze duur niet, temeer nu [verdachte] een blanco strafblad heeft. Dat is een hard gelag voor [verdachte] . De verhoren bij de rechter-commissaris hebben pas in een laat stadium van het onderzoek plaatsgevonden, waardoor lange tijd ernstige bezwaren voor feit 1 werden aangenomen en [verdachte] mede op basis daarvan vast bleef zitten. De rechtbank houdt hier rekening mee bij het opleggen van een straf. Tegelijkertijd merkt de rechtbank op dat er grote zorgen waren over de psychische toestand van [verdachte] en de kans op herhaling van delictgedrag. Daarom is het nodig gevonden om een Pro Justitia-rapportage op te laten stellen. [verdachte] is meermalen geschorst, maar heeft steeds weer de schorsingsvoorwaarden overtreden, waardoor hij weer vast kwam te zitten. Ook dat heeft bijgedragen aan de lange duur van zijn voorarrest.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor minderjarigen voor een bedreiging is een werkstraf van 20 uur. Voor lokaalvredebreuk bestaat geen oriëntatiepunt. Een strafverzwarende omstandigheid is dat de bedreiging tegen een ambtenaar van de politie gericht was.
Gelet op al het vorengaande legt de rechtbank aan [verdachte] een werkstraf van 40 uur op, met aftrek van voorarrest. Omdat hij 286 dagen in voorarrest heeft doorgebracht en 1 dag gelijk wordt gesteld aan 2 uren werken, zal [verdachte] niet daadwerkelijk een werkstraf uit te hoeven voeren. [verdachte] heeft zijn straf al ondergaan tijdens het voorarrest.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat een werkstraf beter past bij de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Zij legt ook geen voorwaardelijke straf en voorwaarden op. Daar ziet de rechtbank geen ruimte voor, aangezien [verdachte] reeds langer in voorarrest heeft gezeten dan de straf die hij krijgt opgelegd. Bovendien zegt [verdachte] dat hij niet gemotiveerd is voor behandeling of hulp en begeleiding van de jeugdreclassering.

6.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 77a, 77g, 77m, 77n, 138, 285 van het Wetboek van Strafrecht.

7.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart de feiten 1 en 3 niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 2 en 4 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;
strafbaarheid [verdachte]
- verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder feit 2 en feit 4 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt [verdachte] tot
een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 40 uren;
- beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 20 dagen hechtenis;
- bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de werkstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren werkstraf per dag.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.G.C Bij de Vaate, voorzitter tevens kinderrechter, mr. O. Böhmer en mr. C. van Wambeke, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Mol als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2025.
Bijlage: De tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 9 september 2024 te Nunspeet ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een mes, althans enig scherp voorwerp, ter hand heeft genomen en/of voornoemd
voorwerp aan die [slachtoffer] heeft getoond en/of met het snijgedeelte naar voren
heeft gewezen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 september 2024 te Nunspeet [slachtoffer] heeft bedreigd met
- met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of
goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat,
- met enig misdrijf tegen het leven gericht of
- met zware mishandeling
door een mes, althans enig scherp voorwerp, ter hand te nemen en/of voornoemd
voorwerp aan die [slachtoffer] te tonen en/of met het snijgedeelte naar voren te wijzen,
althans feitelijkheden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl dit feit werd
gepleegd tegen die [slachtoffer] in diens hoedanigheid van ambtenaar van de
politie
2
hij op of omstreeks 9 september 2024 te Nunspeet [slachtoffer] heeft bedreigd met
- met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of
goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat,
- met enig misdrijf tegen het leven gericht of
- met zware mishandeling
door die [slachtoffer] de woorden toe te voegen "Ik ga jullie neersteken en/of Ik ga jullie
onthoofden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl dit
feit werd gepleegd tegen die [slachtoffer] in diens hoedanigheid van ambtenaar van
de politie
3
hij op of omstreeks 9 september 2024 te Nunspeet een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een breekmes zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;
4
hij op of omstreeks 9 september 2024 te [plaats] in het besloten lokaal de [adres] bij Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 14 juni 2024 schriftelijk de toegang tot die opvanglocatie ontzegd voor de duur van vijf maanden.

Voetnoten

2.Pagina 26.
3.Pagina 27.
4.Pagina 28.
5.Pagina 43-44.
6.Een geschrift, te weten een ontzegging van toegang tot het COA, pagina 47.