Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor een boatsaver in de Kromme Mijdrecht. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht wees de aanvraag af omdat de activiteit valt onder het absolute verbod van artikel 2.36 van de Omgevingsverordening Provincie Utrecht, waardoor het college zich onbevoegd achtte om te beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht het bezwaar ongegrond heeft verklaard. De aangevraagde activiteit betreft een boatsaver die niet in een natuurlijke inham op eigen terrein ligt en valt daarom niet onder de vergunningplicht van artikel 2.37, maar onder het absolute verbod van artikel 2.36. Dit verbod staat geen afwijking toe via een omgevingsvergunning.
Eiser voerde onder meer aan dat de regeling onduidelijk is en dat het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel geschonden zijn. De rechtbank wijst deze gronden af, onder meer omdat de regeling helder is, de toelichting niet bindend is, en de situatie van een eerder verleende vergunning voor een ligplaats met kajuitboot niet vergelijkbaar is. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat het betrekking heeft op handhaving en niet op vergunningverlening.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding en terugbetaling griffierecht af. De uitspraak is mondeling gedaan op 15 januari 2026 en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.