ECLI:NL:RBMNE:2026:919

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/3296
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 3:4 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Redelijke aanwijzing van parkeervakken voor laden elektrische voertuigen in woonwijk

Het college van burgemeester en wethouders van Almere nam op 3 februari 2025 een verkeersbesluit om twee parkeervakken aan te wijzen voor het laden van elektrische voertuigen nabij een adres in Almere. Eiser betwistte dit besluit vanwege onvoldoende motivering, onduidelijke gebruikersgegevens, mogelijke toename van parkeerdruk en onvoldoende rekening houden met bewonersbelangen.

De rechtbank stelt vast dat het college zijn beoordelingsruimte op juiste wijze heeft ingevuld, onder meer door toepassing van de Plaatsingsregels Almere 2023. Het college heeft de locatiekeuze voldoende onderbouwd met data over bezettingsgraad en technische criteria, en heeft geen onderzoeksplicht naar het onderscheid tussen bewoners en forensen bij het gebruik van laadpalen.

De rechtbank oordeelt dat de parkeerdruk niet onevenredig toeneemt door het besluit en dat het belang van de energietransitie zwaarder weegt dan het beperkte nadeel voor de parkeerdruk. Ook is het college niet verplicht alternatieve locaties te onderzoeken als de gekozen locatie voldoet aan de criteria. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het verkeersbesluit tot aanwijzing van twee laadparkeervakken wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3296

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere

(gemachtigde: mr. K.C. Gümüssoy).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verkeersbesluit van het college om twee parkeervakken ter hoogte van [adres 1] aan te wijzen en in te richten voor het laden van elektrische voertuigen (verkeersbesluit). Eiser is het niet eens met de locatie van de aangewezen parkeervakken. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het verkeersbesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 3 februari 2025 het verkeersbesluit genomen. Eiser heeft op 24 maart 2025 daar tegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 22 mei 2025 is het college bij dat besluit gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft schriftelijk gereageerd op het verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens het college [A] , [B] en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
5. Het college heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag wat nodig is ter bescherming van de verkeersbelangen genoemd in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw). Het college dient dit naar behoren te motiveren. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. Nadat het college heeft vastgesteld wat naar zijn oordeel nodig is gelet op de betrokken verkeersbelangen, moet het de uitkomst van die beoordeling afwegen tegen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de (uitkomst van de) belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). [1]
6. Het college heeft invulling gegeven aan de beleidsruimte met de Plaatsingsregels Almere 2023 (Beleidsregels).
Heeft het college de keuze voor de locatie van de laadpaal voldoende onderbouwd?
7. Eiser voert aan dat het college onvoldoende heeft onderbouwd waarom juist deze locatie is gekozen en waarom alternatieven niet geschikt zouden zijn. Ook heeft het college de gebruikersgegevens waarop het besluit is gebaseerd niet inzichtelijk gemaakt. De door het college gepresenteerde cijfers over de bezetting van nabijgelegen laadpalen geven niet aan op welke dagdelen de bezettingspercentages gelden en of het piekmomenten of structurele drukte betreft. Ook wordt geen onderscheid gemaakt tussen laden door bewoners en het laden door bezoekers en forensen, terwijl dat voor een woonwijk essentieel is. Verder zijn de uitgebreidere cijfers en motieven voor het bepalen van de locatie van de laadpaal pas na bezwaar en beroep aangeleverd, waardoor eiser het besluit niet eerder inhoudelijk kon toetsen of concrete bezwaren kon tegenwerpen. Het besluit is volgens eiser daarom onvoldoende gemotiveerd.
8. De rechtbank overweegt dat het college aan het besluit van 3 februari 2025, als gehandhaafd bij het bestreden besluit, ten grondslag heeft gelegd dat er in de buurt behoefte is aan nieuwe en/of extra laadinfrastructuur. Deze behoefte kan blijken uit statistieken van bestaande laadpalen of door verzoeken van bewoners. Bij het bepalen van de locaties gelden de realisatie- en locatiecriteria uit de Beleidsregels als toetsingseisen en beleidsregels waaraan een locatie moet voldoen.
In het bestreden besluit heeft het college nader toegelicht dat de behoefte aan een nieuwe laadpaal is gebaseerd op een datagestuurd verzoek vanwege de bezettingsgraad van laadpalen aan de [adres 2] en [adres 3] . Deze laadpalen voldeden in de maanden oktober, november en december 2024 aan de criteria voor uitbreiding. Die criteria zijn een gemiddeld maandelijks afzetvolume vanaf 1000 kWh over de afgelopen 3 maanden, een gemiddelde bezettingsgraad van 40% gedurende een specifiek dagdeel gedurende de afgelopen drie maanden en waarvan niet binnen 200 meter loopafstand al een nieuwe laadpaal in voorbereiding of in de afgelopen 3 maanden in bedrijf is gesteld. Volgens het college is de aangewezen locatie [adres 1] zowel technisch als qua spreiding de beste locatie waarmee een dekkend netwerk wordt gerealiseerd in dat gedeelte van [locatie] . De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee voldoende heeft onderbouwd waarom juist voor deze locatie is gekozen. In beroep heeft het college de gebruikersgegevens van de hiervoor genoemde laadpalen verstrekt, waarbij, anders dan eiser stelt, ook de bezetting per dagdeel is aangegeven.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de omstandigheid dat het college de gebruikersgegevens waarop het besluit is gebaseerd niet al in de bezwaarfase heeft verstrekt, een gebrek oplevert. Het college heeft de gebruikersgegevens genoemd in het bestreden besluit en nader onderbouwd in beroep. Eiser heeft niet geconcretiseerd waarom zou moeten worden getwijfeld aan deze cijfers. Verder oordeelt de rechtbank dat de onderzoeksplicht van het college niet zover strekt dat onderzoek moet worden gedaan naar de vraag of het omwonenden of forensen zijn die gebruik maken van de laadpalen. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat de laadpalen in een woonwijk staan en uit de data blijkt dat met name ‘s nachts de bezetting van de laadpalen hoog is, wat er niet op wijst dat de laadpalen niet door omwonenden worden gebruikt. Van een onvoldoende gemotiveerd besluit ter zake van de door eiser genoemde punten is geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Wordt de bestaande parkeerdruk verergerd door de komst van de laadpaal?
9. Eiser voert aan dat de parkeerdruk in de wijk al hoog is en dat het omzetten van twee reguliere parkeerplekken naar laadplekken voor elektrische auto’s de parkeerdruk verergert voor bewoners die geen elektrische auto hebben.
De stelling van het college dat de parkeerbalans door de aanwijzing van de laadpaal niet wordt beïnvloed, is te kort door de bocht. Ook heeft het college geen concrete cijfers over de algemene parkeerdruk. Verder zijn elektrische auto’s in het gebied nog zeldzaam, staan laadplekken geregeld leeg en kunnen reguliere parkeerders geen parkeerplekken vinden. Het college heeft ook geen gegevens geleverd over het aandeel bezetting door elektrische voertuigen tegenover brandstof auto’s of over het omzetten van laadplekken naar regulier parkeergebruik na laadbeurten.
10. De rechtbank overweegt dat uit de Beleidsregels volgt dat een beroep op toename van de parkeerdruk in een bezwaar tegen de aanwijzing van laadpaalplekken in beginsel niet slaagt en het college hiernaar ook geen onderzoek doet. Hierbij wordt gewezen op de toename van elektrisch rijden, waardoor het college het gebruik van een publiek toegankelijk oplaadnetwerk zwaarder vindt wegen dan eventuele lokale parkeerdruk. De rechtbank vindt dit beleid niet onredelijk. Het college wijst er daarnaast terecht op dat er geen parkeerplekken verloren gaan door de aanwijzing van parkeerplekken voor het laden van elektrische voertuigen, zodat het aanwijzen daarvan niet leidt tot een grotere parkeerdruk. Hierbij wijst de rechtbank erop dat uit de door het college overgelegde data blijkt dat de nabijgelegen laadpaalplekken ook geregeld gebruikt worden. Dat eiser een andere beleving heeft van het gebruik van de laadpaalplekken en de noodzakelijkheid daarvan, maakt niet dat het college niet mocht uitgaan van de beschikbare data. Verder is het college, zo dit al uitvoerbaar zou zijn, niet verplicht om onderzoek te doen naar het aandeel van elektrische- en fossiele brandstofauto’s in de nabije omgeving van de parkeerplekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is er voldoende rekening gehouden met de belangen van de bewoners?
11. Eiser voert aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van bewoners die afhankelijk zijn van de bestaande parkeercapaciteit, zeker gezien de toekomstige bouwplannen. Het college heeft die belangen slechts in algemene termen benoemd en ze afgedaan tegen het belang van de energietransitie.
12. De rechtbank stelt voorop dat eiser alleen beroep indient namens hem zelf en niet namens ook andere bewoners. De rechtbank oordeelt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van eiser, de schaarsere parkeerruimte nabij zijn woonadres door twee nieuwe laadplekken, niet opweegt tegen het belang van het plaatsen van de laadpaal. Dit te meer, omdat uit de beschikbare data blijkt dat er behoefte is aan een nieuwe laadpaal. Dat er door het verkeersbesluit twee parkeerplaatsen minder beschikbaar zijn voor niet-elektrische voertuigen is geen gevolg dat zo nadelig is dat het onevenredig is in verhouding tot het doel van het verkeersbesluit. Eiser heeft verder ook geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die het college tot een ander besluit hadden moeten brengen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had het college alternatieve locaties moeten onderzoeken?
13. Eiser voert aan dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van de leefbaarheid en naar alternatieve locaties.
14. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het aanwijzen en inrichten van nieuwe locaties voor laadpalen is vastgelegd in Beleidsregels. De rechtbank stelt vast dat het college de daarin genoemde plaatsingscriteria heeft toegepast. Het college heeft erop gewezen dat zij meerdere locaties heeft onderzocht en daarbij mede afhankelijk is van technische mogelijkheden en rekening houdt met een goede spreiding van laadpalen. Zoals hiervoor is overwogen heeft het college voldoende gemotiveerd waarom voor deze locatie is gekozen. Verder heeft eiser ook zelf geen concrete geschikte alternatieve locaties aangedragen. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat zelfs als er al dergelijke geschikte alternatieve locaties zouden zijn, dat niet tot de conclusie hoeft te leiden dat de nu gekozen locatie dan ongeschikt is en dat het college daarom niet tot het verkeersbesluit had kunnen komen. Ten slotte heeft eiser niet toegelicht hoe de leefbaarheid van de omgeving in het gedrang komt door de aanwijzing van de laadplekken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om twee parkeervakken ter hoogte van [adres 1] in [plaats] aan te wijzen en in te richten voor het laden van elektrische voertuigen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:439)