Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:915

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/6735
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake urgentieverklaring en passend woningaanbod

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de verlenging van haar urgentieverklaring door WoningNet en tegen het niet tijdig ontvangen van een passend woningaanbod. De voorzieningenrechter beoordeelt dat het bezwaar tegen de e-mail van 6 oktober 2025 en het beroep niet tijdig beslissen geen kans van slagen hebben. Het bezwaar is te algemeen en moet nog worden aangevuld, terwijl het beroep niet tijdig beslissen niet van toepassing is omdat er geen wettelijke aanvraag ligt waarop moet worden beslist.

De voorzieningenrechter benadrukt dat het aanbieden van een woning een feitelijke handeling is en geen besluit dat de rechtspositie van verzoekster beïnvloedt. Verzoekster beschikt reeds over een urgentieverklaring, waardoor zij al een aanspraak heeft op voorrang bij woningtoewijzing. Het verzoek om schorsing van de urgentieverklaring is niet logisch omdat dat zou betekenen dat verzoekster geen urgentieverklaring meer heeft.

Hoewel de situatie van verzoekster onwenselijk is omdat zij lang wacht op een passende woning, is het verzoek niet de juiste weg om dit te bereiken. De voorzieningenrechter adviseert inschrijving via WoningNet en contact met het college van burgemeester en wethouders. Het verzoek wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen zonder toekenning van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen als kennelijk ongegrond omdat het bezwaar en beroep geen kans van slagen hebben.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6735

uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),
en

Het college van burgemeester en wethouders van Almere

(gemachtigde: mr. J.H.S. Biervliet).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende het (pro forma) bezwaar tegen de e-mail van Almere WoningNet Woondiensten (WoningNet) van 6 oktober 2025 en hangende het beroep niet tijdig beslissen wegens het niet ontvangen van een passend aanbod naar aanleiding van de urgentieverklaring van 19 april 2024. Met de e-mail van 6 oktober 2025 heeft WoningNet de urgentieverklaring van verzoekster verlengd met zes maanden.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb bepaalt – kort gezegd – dat, indien tegen een besluit bezwaar of beroep is ingesteld, de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Het verzoek om een voorlopige voorziening is enerzijds connex aan het (pro forma) bezwaar tegen de e-mail van Woningnet van 6 oktober 2025 en anderzijds connex aan het beroep niet tijdig beslissen omdat – volgens verzoekster – naar aanleiding van de beschikking van 19 april 2024 nog geen passende woning aan verzoekster is aangeboden. De voorzieningenrechter ziet zich daarom voor de vraag gesteld of dat bezwaar en beroep kans van slagen heeft.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zowel het (pro forma) bezwaar als het beroep geen kans van slagen heeft. Het (pro forma) bezwaar is zeer algemeen geformuleerd en moet volgens de gemachtigde van verzoekster nog worden aangevuld. Een beroep niet tijdig beslissing kan enkel tot doel hebben dat een bestuursorgaan wordt opgedragen binnen een bepaalde termijn te beslissen op een aanvraag. In dit geval ligt er geen wettelijke aanvraag voor en wenst verzoekster geen (nadere) besluitvorming. Wat zij wil is het aanbod van een passende woning. Het aanbieden van een woning aan verzoekster is een feitelijke handeling, die geen invloed heeft op de rechtspositie van verzoekster. Het beroep heeft daarom naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter geen kans van slagen. Het verzoek is om deze redenen kennelijk ongegrond.
5. De voorzieningenrechter merkt op dat zij zich afvraagt of verzoekster met het onderhavige verzoek überhaupt kan bereiken wat zij daadwerkelijk voor ogen heeft; namelijk het aanbod van een passende woning. Verzoekster heeft in het verzoekschrift namelijk verzocht ‘de bestreden beslissing’ op de meest korte termijn te schorsen en/of dat ze in de positie wordt gebracht dat zij binnen een afzienbare termijn beschikt over een aanspraak op een voor haar passende woning. Wat betreft de verzochte schorsing kan het dan alleen maar gaan om de beschikking van 19 april 2024. Aangezien verzoekster daarbij een urgentieverklaring is verleend, kan de voorzieningenrechter zich niet voorstellen dat verzoekster daadwerkelijk beoogt die verlening van de urgentieverklaring te schorsen. In dat geval heeft zij immers geen urgentieverklaring meer. Ook met het tweede deel van haar verzoek bereikt verzoekster niet wat zij eigenlijk beoogt, ze vraagt namelijk om een aanspraak op een passende woning, terwijl ze over die aanspraak met de urgentieverklaring reeds beschikt.
6. De voorzieningenrechter ziet dat de gestelde situatie waarin verzoekster zich al lang bevindt zeer onwenselijk is. Ze wacht al heel lang op een passende woning. Het onderhavige verzoek is echter niet de juiste route om een woning te krijgen. Verzoekster dient zich in te schrijven voor woningen via Woninget, waarbij ze voorrang kan krijgen middels haar urgentieverklaring. Daarnaast zou contact tussen verzoekster en verweerder kunnen helpen bij het vinden van een passende oplossing.

Conclusie en gevolgen

7. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek kennelijk ongegrond is. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Omdat het verzoek wordt afgewezen , krijgt verzoekster het griffierechter niet terug. Ook bestaat daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.