Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
2.De kern van de zaak
3.De verdere achtergrond van het geschil
- dat [onderbewindgestelde] ten tijde van de beslaglegging op grond van het vonnis € 14.255,95 verschuldigd was, onverminderd de nog te vervallen rente en kosten;
- dat de toegewezen vordering is voortgekomen uit een overeenkomst die [onderbewindgestelde] aanvankelijk is aangegaan met Legio Lease B.V.; en
- dat Legio Lease B.V. de vordering op enig moment heeft overgedragen aan Bank Labouchere Nederland N.V., die de vordering vervolgens heeft overgedragen aan Dexia Bank Nederland N.V. en die weer aan [gedaagde] .
4.De beoordeling
Worden de vereiste verklaringen niet afgegeven, dan verklaart de rechtbank de inschrijving waardeloos op vordering van de onmiddellijk belanghebbende. Wordt ter verkrijging van dit bevel iemand die in de registers staat ingeschreven, dan worden daarmee tevens gedagvaard al zijn rechtsverkrijgenden die geen nieuwe inschrijving hebben genomen.”
- de bewindvoerder heeft gemotiveerd aangevoerd dat [gedaagde] sinds 2020 niet meer bestaat;
- uit de door hem overgelegde bescheiden van de Ierse Kamer van Koophandel volgt die ontbinding eveneens en ook volgt daaruit dat die ontbinding tot stand is gekomen na de voltooide vereffening van de onderneming van [gedaagde] ;
- de beslagleggende deurwaarder heeft verklaard dat de vorderingenportefeuille van [gedaagde] is overgenomen door het bedrijf [onderneming] , maar dat is onjuist gebleken omdat dat bedrijf dat heeft ontkend;
- er is geen (andere) rechtsopvolger van [gedaagde] bekend ten aanzien van de onderliggende vordering op [onderbewindgestelde] , laat staan dat die een nieuwe inschrijving heeft genomen als bedoeld in artikel 3:29, lid 1 BW;
- een dergelijke rechtsopvolger heeft zich ook niet in dit geding gemeld, terwijl die eventuele rechtsopvolger zich op de voet van het in geding zijnde beslagexploot heeft kunnen realiseren dat een gerechtelijke procedure tussen hem en [onderbewindgestelde] omtrent het beslag (zoals hier: op grond van de artikelen 3:28 en 3:29 BW) kon worden gestart door de in geding zijnde dagvaarding van [gedaagde] , ten kantore van de beslagleggende deurwaarder;
- ook heeft die eventuele rechtsopvolger zich kunnen realiseren dat overigens voor het geldend maken van diens rechten jegens [onderbewindgestelde] of het behoud ervan de beslagleggende deurwaarder een belangrijke tussenschakel was of kon zijn, maar er is klaarblijkelijk op geen enkele wijze door de eventuele rechtsopvolger met die deurwaarder (ten dienste van haar crediteurenpositie) contact gelegd en die deurwaarder is kennelijk ook niet uit eigen initiatief op feiten of omstandigheden gestuit waaruit kan worden afgeleid dat de vordering toch door [gedaagde] aan een derde is overgedragen;
- [onderbewindgestelde] is na 2009 nimmer op het bestaan van de vordering gewezen, ook omdat aan het beslag van meet af aan geen verdere uitvoering is gegeven;
- sinds de ontbinding van [gedaagde] (en de eventuele overdracht) zijn inmiddels circa zes jaren verstreken;
- de navraag door de bewindvoerder bij alle Nederlandse deurwaarders, bij aanvang van het beschermingsbewind in november 2017, heeft geen informatie opgeleverd die op het bestaan van een rechtsopvolger duidt.