ECLI:NL:RBMNE:2026:908
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening tegen stopzetting lesgeld inburgering niet-ontvankelijk verklaard
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 11 maart 2026 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening. Het verzoek betrof de stopzetting van het lesgeld en de kosten voor het afleggen van een inburgeringsexamen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld omdat het kennelijk niet-ontvankelijk was.
De kern van de beoordeling lag bij het connexiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit vereiste houdt in dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen inhoudelijk kan worden behandeld indien het is verbonden aan een besluit waartegen bezwaar of beroep is ingesteld. In deze zaak bleek dat verzoeker geen bezwaar had ingediend tegen het bericht van stopzetting bij de gemeente of DUO, noch had gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een bezwaarschrift te overleggen.
Omdat er geen bezwaar- of beroepsprocedure aan het verzoek ten grondslag lag, was het verzoek niet connex en derhalve niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter heeft het verzoek daarom niet inhoudelijk behandeld en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen stopzetting lesgeld inburgering is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van connexiteit.