ECLI:NL:RBMNE:2026:897

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
C/16/604392 / JE RK 25-1919
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 JeugdwetArt. 1:250 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging gesloten jeugdhulp en toewijzing machtiging uithuisplaatsing in open setting

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) om een machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp en een machtiging tot uithuisplaatsing voor een minderjarige geboren in 2009. De minderjarige verbleef reeds in een gesloten instelling, maar liep meerdere keren weg, waarna een open setting werd gezocht. De moeder wenst een gesloten plaatsing, terwijl de minderjarige zelf voorkeur heeft voor een open setting.

De kinderrechter overweegt dat gesloten jeugdhulp alleen kan worden verleend indien ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen dit noodzakelijk maken, en er geen minder ingrijpende alternatieven zijn. Hoewel de gedragswetenschapper aanvankelijk instemde met gesloten plaatsing, stemt zij uiteindelijk niet in vanwege het feit dat de minderjarige zich herhaaldelijk aan gesloten hulp onttrekt, waardoor behandeling niet effectief is.

De kinderrechter constateert dat de gesloten plaatsing niet het gewenste effect heeft gehad en dat de minderjarige in een open setting meer kans heeft op passende hulp, ondanks de risico's van weglopen. De machtiging tot uithuisplaatsing in een open accommodatie wordt daarom toegewezen. Tevens wordt een bijzondere curator benoemd om de belangen van de minderjarige te behartigen, aangezien de moeder en de minderjarige verschillende wensen hebben.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de minderjarige ontvangt een brief waarin de beslissing en de motivatie worden toegelicht. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na betekening.

Uitkomst: Verzoek machtiging gesloten jeugdhulp afgewezen, machtiging uithuisplaatsing in open setting toegewezen met benoeming bijzondere curator.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummers:
C/16/604392 / JE RK 25-1919
C/16/605842 / JE RK 26-104
Datum uitspraak: 29 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp en een machtiging uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND, gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. C. Lamphen.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. Uzumcu.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
in de procedure met kenmerk C/16/604392:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 december 2025;
  • het bericht met bijlagen van de GI van 6 januari 2026;
  • het bericht met bijlagen van de GI van 15 januari 2026;
in de procedure met kenmerk C/16/605842:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 januari 2026;
  • het bericht van de GI met bijlage van 26 januari 2026;
  • het bericht van de GI van 28 januari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van [minderjarige] ;
- de advocaat van de moeder (digitaal);
- mevrouw [A] en mevrouw [B] namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] ook uitgenodigd voor de zitting. [minderjarige] heeft voorafgaand aan de zitting aan haar advocaat verteld dat zij niet naar de zitting wilde komen, maar dat zij wel telefonisch bereikbaar was. De advocaat van [minderjarige] heeft tijdens de zitting geprobeerd om telefonisch met [minderjarige] in contact te komen, maar dit is niet gelukt.
1.4.
De moeder is door de kinderrechter op de juiste wijze opgeroepen voor de zitting, maar zij is niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op een geheim adres.
2.3.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft [minderjarige] bij beschikking van 30 augustus 2024 onder toezicht gesteld tot 30 augustus 2025. De ondertoezichtstelling is vervolgens verlengd tot 30 augustus 2026.
2.4.
Vervolgens heeft de kinderrechter van deze rechtbank bij beschikking van 21 februari 2025 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 21 maart 2025. Daarna heeft de kinderrechter in de beschikking van 12 maart 2025 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 12 maart 2025 tot 9 april 2025. Vervolgens heeft de kinderrechter bij beschikking van 21 maart 2025 een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend tot 1 juli 2025 en het overige deel van het verzoek aangehouden. Daarna heeft de kinderrechter in de beschikking van 19 juni 2025 aansluitend een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend tot 1 oktober 2025.
2.5.
Daarna heeft de kinderrechter bij beschikking van 28 oktober 2025 een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 1 november 2025 tot 1 februari 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2025:6162).
2.6.
[minderjarige] is weggelopen uit de gesloten instelling. Nadat zij was teruggevonden is door de GI gezocht naar een andere gesloten plek, maar deze is niet gevonden. Wel heeft de GI een plek kunnen vinden bij een open instelling. Gelet daarop, heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 22 januari 2026 tot 19 februari 2026. De beslissing op het resterende deel van het verzoek van de GI, om een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen, heeft de kinderrechter aangehouden.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt heeft allereerst verzocht een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
3.2.
Vervolgens heeft de GI de kinderrechter verzocht om – aansluitend op de machtiging tot uithuisplaatsing – een machtiging te verlenen om [minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling in een accommodatie jeugdhulpverlener te plaatsen. De GI verzoekt de kinderrechter om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te bepalen.
3.3.
Voor de onderbouwing van de verzoeken van de GI verwijst de kinderrechter naar de verzoekschriften.

4.De standpunten

4.1.
De advocaat van [minderjarige] heeft tijdens de zitting verklaard dat [minderjarige] het niet eens is met het verzoek van de GI om haar in een gesloten accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te plaatsen. [minderjarige] wil graag bij een open instelling worden geplaatst, zodat zij uiteindelijk kan toewerken naar een plek voor haarzelf. Om die reden kan [minderjarige] wel instemmen met het verzoek van de GI om een machtiging te verlenen om haar voor de duur van de ondertoezichtstelling in een accommodatie jeugdhulpverlener te plaatsen.
4.2.
De moeder vindt dat [minderjarige] op een gesloten plek moet worden geplaatst. De moeder is van mening dat het op dit moment in het geheel wordt overgelaten aan de wil van [minderjarige] . Volgens de moeder kan zij doen en laten wat zij wil. De moeder heeft een zware periode achter de rug en zij vindt het belangrijk dat [minderjarige] in een gesloten accommodatie wordt geplaatst, zodat haar veiligheid kan worden gewaarborgd.

5.De beoordeling

De machtiging gesloten jeugdhulp
5.1.
De kinderrechter zal het verzoek van de GI om een machtiging te verlenen om [minderjarige] te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, afwijzen. De kinderrechter zal dit hierna toelichten.
Het juridisch kader
5.2.
Volgens artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging voor een gesloten
accommodatie voor jeugdhulp worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter
deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Daarnaast
dient de opneming en het verblijf noodzakelijk en geschikt te zijn om te voorkomen dat de
jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken en
dienen er geen minder ingrijpende mogelijkheden te zijn om de opgroei- en
opvoedingsproblemen te behandelen. Op grond van lid 5 van het artikel behoeft het verzoek de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
Zoals vermeld, heeft de kinderrechter in de beschikking van 28 oktober 2025 een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 1 november 2025 tot 1 februari 2026. [minderjarige] is vervolgens op de gesloten groep bij [instelling] geplaatst. In de afgelopen periode is [minderjarige] hier twee keer weggelopen:
- [minderjarige] is in de periode van 4 tot 22 december 2025 weggeweest. Daarna is zij weer opgenomen bij de [instelling] .
- Vervolgens is [minderjarige] in de nacht van 24 december 2025 weer weggelopen. Zij is pas op 23 januari 2026 teruggevonden. Beide keren dat zij werd teruggevonden was zij vervuild en in een verwaarloosde toestand.
Het was voor [minderjarige] op 23 januari 2026 niet meer mogelijk om terug te keren naar de [instelling] , omdat een jeugdige na twee weken uitgeschreven moet worden. Een plek binnen een gesloten setting kon toen niet worden gevonden. Zij is toen (met de genoemde spoedmachtiging) bij een open griep geplaatst. [minderjarige] is spoedig na haar plaatsing bij de open groep ook daar vertrokken. Het is niet duidelijk waar zij is.
5.4.
Evenals de GI maakt ook de kinderrechter zich ernstige zorgen over het gedrag en de ontwikkeling van [minderjarige] . Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is gebleken dat [minderjarige] compleet zelfbepalend gedrag laat zien. Zij vermijdt opvoedkundige situaties en is niet gevoelig voor hiërarchie. Daarnaast brengt zij zichzelf in zeer onveilige situaties, doordat zij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en in gezelschap verkeert van oudere mannen. Tot slot veroorzaakt [minderjarige] vaak zelf onveiligheid, door deel te nemen aan vechtpartijen, delinquent gedrag te vertonen en zich in woorden zeer agressief te uiten naar anderen. In de geslotenheid kan [minderjarige] haar weerstand even loslaten en wordt een kwetsbaar meisje gezien. Het is schrijnend dat ook de GI constateert dat [minderjarige] tijdens haar gesloten plaatsing niet de benodigde zorg heeft gekregen. De kinderrechter heeft daar in haar laatste beschikking al het nodige over opgemerkt.
5.5.
Duidelijk is dat dit een meisje is dat spreekwoordelijk schreeuwt om hulp. En hoewel er veel over [minderjarige] wordt gesproken komt er weinig van de grond. De verhouding tussen de GI en [instelling] , waar [minderjarige] verbleef, is niet goed. De GI gaf tijdens de zitting aan niet tevreden te zijn met de kwaliteit van de hulp en dat van [instelling] meer werd verwacht dan [instelling] leverde. Op 29 oktober 2025 heeft een moreel beraad plaatsgevonden over de behandeling van [minderjarige] , de 1-op-1-begeleiding en het opbouwen van vrijheden. Daarnaast heeft op 4 november 2025 een perspectiefbespreking plaatsgevonden. Hoewel de verschillende hulpverleners op één lijn lagen, is er binnen de gesloten jeugdzorg tot op heden geen passend perspectiefplan opgesteld. Ook zijn er diverse wisselingen van het personeel geweest in de begeleiding van de groep, wat uiteraard niet helpend is geweest.
5.6.
De kinderrechter heeft op de zitting twee zeer betrokken jeugdbeschermers gezien. De kinderrechter kan verder niet vaststellen wat er bij wie of waar niet goed is gegaan, en aan wie dat ligt. Wat zij wél kan vaststellen is dat dit meisje, dat zo hard hulp nodig heeft omdat ze zich (letterlijk) niet staande kan houden, tussen wal en schip valt en dat het niet lukt om haar te bieden wat zij nodig heeft en waar zij recht op heeft. Daarmee is [minderjarige] , alle goede bedoelingen ten spijt (en die zijn er), vogelvrij. Dat is ook voor de kinderrechter moeilijk te verteren.
5.7.
Zoals vermeld, is het – om een machtiging gesloten jeugdhulp te kunnen verlenen – noodzakelijk dat de instemmingsverklaring van een gekwalificeerde gedragswetenschapper wordt overgelegd. De GI heeft deze instemmingsverklaring aan de kinderrechter overgelegd. De gedragswetenschapper concludeert dat de opgroei- en opvoedproblemen van [minderjarige] opneming en verblijf in een gesloten setting noodzakelijk maken om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan de jeugdhulp die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Volgens de gedragswetenschapper zijn er geen minder ingrijpende methoden beschikbaar om de opgroei- en opvoedproblemen te doen afnemen, waardoor een gesloten plaatsing proportioneel en passend is. Ondanks deze conclusie, stemt de gedragswetenschapper
nietin met de verklaring van de GI dat gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] noodzakelijk is. De gedragswetenschapper komt tot deze conclusie omdat [minderjarige] vastbesloten is zich aan gesloten jeugdhulp te onttrekken – en hierin ook slaagt – waardoor zij niet tot behandeling komt. De gedragswetenschapper zegt hier het volgende over:
‘Een gedachte hierbij is het omkeren: niet de autonomie verdienen, maar hem krijgen met de verantwoordelijkheid deze te behouden vanuit een laagdrempelige setting […].
Waar een plaatsing in geslotenheid [minderjarige] veel stress geeft, zal een omkeertraject spanning bij hulpverlening brengen, die dat met elkaar moet verdragen en reguleren, zodat niet – gelijk [minderjarige] - plots en onvoorspelbaar ingegrepen wordt.’[…]
Duidelijk is wel wat [minderjarige] hier zelf van vindt en wil: vanuit haar verwaarloosde en vroeg geparentificeerde rol streeft ze autonomie na die ze toen ongewild had en nu verkiest boven zorg van anderen die ze – gelijk haar ouders vroeger - niet vertrouwt in het bieden van de onvoorwaardelijke acceptatie die ze zoekt. Ze is vastbesloten zich aan gesloten jeugdhulp te onttrekken, slaagt hier ook bij herhaling in waardoor ze niet tot
behandeling komt. Een nieuw traject in gesloten jeugdhulp lijkt vanwege deze dynamiek weinig kans van slagen te hebben. Zo duidelijk en stevig als haar wens tot eigen regie is, zo weinig stevig is haar plan voor succes in zelfstandigheid en oplossen van haar problemen, wat ze zonder hulp vindt kunnen. Een volledig onvoorwaardelijk traject biedt echter gezien de ernst van de problemen en haar zorgmijdende gedrag ook geen gunstige prognose. Ook hier lijkt de inzet van een voorwaardelijke machtiging mogelijk perspectief te bieden. […] Ik stem op bovengenoemde gronden niet in met de verklaring van de verzoeker (SAVE) dat gesloten jeugdhulp voor bovengenoemde jeugdige noodzakelijk is.
5.8.
Nu de gedragswetenschapper niet instemt met een gesloten plaatsing van [minderjarige] , zal de kinderrechter dit verzoek op formele gronden afwijzen.
De machtiging tot uithuisplaatsing
5.9.
De kinderrechter zal het verzoek van de GI om – aansluitend op de machtiging tot uithuisplaatsing – een machtiging te verlenen om [minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling in een accommodatie jeugdhulpverlener te plaatsen, toewijzen. De kinderrechter zal ook deze beslissing hierna toelichten.
Inhoudelijke beoordeling
5.10.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] Naar het oordeel van de kinderrechter is gebleken dat de lijn die tot op heden is gevolgd – waarbij [minderjarige] gesloten is geplaatst – tot op heden niet het juiste effect heeft gehad. Integendeel. In de vorige beschikking beschreef de kinderrechter dat [minderjarige] het overgrote deel van de tijd op haar kamer zat, met 1-op-1 begeleiding en zonder perspectief. Die situatie was uitzichtloos. Bij het toekennen van enige vrijheid heeft [minderjarige] iedere kans aangegrepen om weg te lopen, met alle gevolgen van dien.
5.11.
[minderjarige] heeft en houdt recht op passende hulp. De kinderrechter schaart zich achter de voorgestelde lijn van de GI, vergelijkbaar met wat de gedragswetenschapper beschrijft. Nu duidelijk is dat de beperkingen van de geslotenheid bij [minderjarige] averechts werken is de hoop dat het [minderjarige] zal helpen om te weten dat er een (open) plek voor haar is, waar ze steeds naar kan terugkeren en waar behandeling beschikbaar is. Haar hang naar autonomie is bijzonder groot, en tegelijkertijd is haar onvermogen om binnen die autonomie goede en veilige keuzes te maken even groot. Het is dus een evenwichtsoefening, om te beoordelen onder welke omstandigheden de kans dat hulp slaagt het grootst is.
5.12.
Hoewel de kinderrechter dus net als de gedragswetenschapper vindt dat plaatsing van [minderjarige] in een open setting nu in het belang van [minderjarige] is, overweegt zij dat dat pad niet zonder risico’s is. Óf [minderjarige] zal blijven bij en/of terugkeren naar een open groep is immers allerminst zeker. De kinderrechter begrijpt het standpunt van de moeder dan ook heel goed. De moeder wil dat [minderjarige] weer in een gesloten setting wordt geplaatst, desnoods met een lang verblijf in isolatie, om haar veiligheid te waarborgen. De gedragswetenschapper heeft beschreven dat de spanning bij weglopen van [minderjarige] moet worden verdragen door de hulpverlening. Van een moeder kan dat uiteraard niet worden gevergd.
Benoeming bijzondere curator
5.13.
De kinderrechter zal tot slot ambtshalve een bijzondere curator benoemen voor [minderjarige] en die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De kinderrechter zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Het juridisch kader
5.14.
Op grond van artikel 1:250 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank – kort gezegd en voor zover hier van belang – een bijzondere curator benoemen wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen in strijd zijn met die van de minderjarige, en zij die benoeming in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht. De bijzondere curator kan de minderjarige zowel in als buiten rechte vertegenwoordigen.
De inhoudelijke beoordeling
5.15.
Aangezien de kinderrechter het verzoek van de GI om [minderjarige] gesloten te plaatsen, heeft afgewezen, betekent dit dat mr. Lamphen – als advocaat van [minderjarige] in de procedure in het kader van de machtiging gesloten jeugdhulp – geen formele positie meer heeft in de gerechtelijke procedure. De kinderrechter acht dit niet in het belang van [minderjarige] . De moeder heeft een diametraal andere wens over wat er nu met [minderjarige] moet gebeuren dan wat [minderjarige] zelf wil. Daarmee wordt het belang van [minderjarige] niet zonder meer vertegenwoordigd door de moeder, als haar wettelijk vertegenwoordiger in deze procedure. De kinderrechter vindt het van belang dat mr. Lamphen [minderjarige] kan vertegenwoordigen bij bijvoorbeeld overleggen en besprekingen over de hulpverlening. Daarbij komt dat [minderjarige] een goede band heeft met mr. Lamphen, met wie zij als één van de weinigen nog wel contact houdt. De kinderrechter zal dan ook mr. Lamphen als bijzondere curator benoemen voor de duur van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, oftewel tot 30 augustus 2026. Als verlenging van die maatregelen aan de orde is zal ook de verlenging van de benoeming aan de orde komen.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
5.16.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Brief aan [minderjarige]
5.17.
Tegelijk met deze beschikking stuurt de kinderrechter een brief aan [minderjarige] , om de uitspraak aan haar uit te leggen. Mr. Lamphen heeft toegezegd die met [minderjarige] te zullen delen. In die brief is het volgende opgenomen:
Beste [minderjarige] ,
Het is alweer een paar maanden geleden dat wij elkaar spraken bij de rechtbank. Een paar weken geleden was er weer een zitting. Jij had een berichtje ingesproken bij mr. Lamphen dat je niet naar de zitting kwam. Dat is natuurlijk oké.
Ik schrijf je daarom deze brief om je uit te leggen welke beslissing ik over jou heb genomen en om die beslissing uit te leggen.
Ik heb geen machtiging verleend om jou in een gesloten instelling te plaatsen. Ik heb wel een machtiging afgegeven voor een open groep. Ik heb gelezen dat je een aantal weken ‘kwijt’ bent geweest. Ook tijdens de zitting was niet bekend waar je was. Er zijn veel zorgen over waar je dan bent, met wie je bent, en vooral hoe veilig het voor jou is. Vanwege die veiligheid snap ik de gedachte wel om jou weer gesloten te plaatsen. Maar we hebben gezien dat je daar ook wegloopt, dus die veiligheid is daar ook geen garantie. En mijn beeld is dat jij júist de behoefte hebt om de benen te nemen als je opgesloten bent. Je hebt mij de laatste keer dat we spraken verteld dat je graag een ‘gewoon’ leven wil; op jezelf wonen, een opleiding volgen en jezelf kunnen zijn. Op een groep werkt het voor jou niet, vertelde je. Begeleid wonen spreekt je wel aan.Ik begrijp dat heel erg goed. Maar ik vind ook dat je nú de stap naar begeleid wonen nog niet kan zetten. Ook al vind je een groep niet fijn, ik vind het wel nodig dat je op een groep woont. Maar dan wel een open groep. Ik denk dat dat misschien beter werkt dan een gesloten groep. En natuurlijk kan je dan nog veel makkelijker weglopen dan bij een gesloten groep. Ik zie heus wel dat die kans groot is. Maar ik draai het nu om: je krijgt vertrouwen, in plaats van een slot op de deur. Het mooiste is natuurlijk als het lukt om niet weg te lopen. Ook als je dat wel doet, weet dan: je kan terugkomen bij de groep. Je bed staat daar voor je klaar. Onthoud dat: je kan altijd terug, zonder je schuldig te voelen of boos op jezelf te zijn.
Ik heb ook besloten dat mevrouw Lamphen nog voor jou beschikbaar blijft. Zij kan namens jou bijvoorbeeld deelnemen aan overleggen over jou, om goed uit te leggen wat jij wil. Volgens mij heb je met haar een goede band, dus ik vind het belangrijk dat zij er voor jou kan blijven zijn.
Beste [minderjarige] , je hebt mij vorige keer heel goed kunnen vertellen hoe jij hoop dat je leven er over een tijdje uitziet. Ik gun jou heel erg dat het ook zo wordt. Ik wens je alle succes.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 30 augustus 2026;
6.2.
benoemt vanaf heden mr. C. Lamphen, kantoorhoudende te Utrecht, tot bijzondere curator over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , om haar belangen te vertegenwoordigen in en buiten rechte betreffende de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, voor de duur van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026 door
mr. T. Dopheide, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.N. Cheuk A Lam als griffier, en op schrift gesteld op 17 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek (BW)