ECLI:NL:RBMNE:2026:874

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
C/16/603562 / KG ZA 25-598
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 556 RvArt. 557 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executeur veroordeelt erfgenaam tot medewerking verkoop woning en betaling gebruiksvergoeding

Op 10 februari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een kort geding over de verkoop van een woning behorende tot een nalatenschap. De executeur, tevens erfgenaam, vorderde dat een andere erfgenaam werd veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning en tot betaling van een gebruiksvergoeding.

De erfgenaam die in de woning verbleef, wilde pas in juni 2026 vertrekken, terwijl de executeur spoedige verkoop noodzakelijk achtte vanwege de financiële situatie van de nalatenschap en de erfgenamen. De voorzieningenrechter oordeelde dat er voldoende spoedeisend belang was en dat de vorderingen aannemelijk waren.

De rechter wees het verweer van de erfgenaam af dat sprake zou zijn van een bruikleenovereenkomst die niet rechtsgeldig was opgezegd. De erfgenaam werd veroordeeld om mee te werken aan de verkoop, de woning tijdig te ontruimen en een gebruiksvergoeding van €1.000 per maand te betalen vanaf 1 januari 2026. Tevens werd hij veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente.

Uitkomst: De erfgenaam wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop en ontruiming van de woning en tot betaling van een gebruiksvergoeding vanaf 1 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/603562 / KG ZA 25-598
Vonnis in kort geding van 10 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [erflater] ,
wonende in [plaats 1] , gemeente Dalfsen,
eiser in conventie,
verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna: [eiser] ,
advocaat: mr. M.G. Hees, werkzaam in Laren,
tegen
[gedaagde],
wonende in [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.A. de Boer, werkzaam in Zeist.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 20,
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 16.
1.2.
Op 27 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de standpunten van partijen nader toegelicht. Mr. Hees heeft daarbij spreekaantekeningen gebruikt, die zij heeft overhandigd. Partijen hebben vragen beantwoord van de voorzieningenrechter. Daarna is bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2.De zaak in het kort

2.1.
Op [datum overlijden] 2024 is [erflater] (hierna: erflater) overleden. In zijn testament heeft erflater zijn zoon [gedaagde] , zijn andere zoon, zijn stiefzoon [eiser] en de drie kinderen van zijn vooroverleden andere stiefzoon tot zijn erfgenamen benoemd. Zij hebben de nalatenschap aanvaard. Verder heeft erflater [eiser] tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder benoemd. [eiser] heeft die benoeming aanvaard.
2.2.
Tot de nalatenschap behoort een woning aan het adres [adres] in [plaats 2] (hierna: de woning), waarin erflater woonde. [gedaagde] is in december 2021 bij erflater komen wonen. Na het overlijden van erflater is [gedaagde] in de woning blijven wonen.
2.3.
In september 2025 heeft [eiser] [gedaagde] schriftelijk bericht dat hij de verkoop van de woning in gang wilde zetten en [gedaagde] gevraagd daaraan zijn medewerking te verlenen. In reactie daarop heeft [gedaagde] bericht dat hij de woning niet eerder dan in juni 2026 wilde verlaten, omdat hij nog geen andere woonruimte had gevonden. Partijen hebben geprobeerd tot een regeling te komen, maar dat is niet gelukt.
2.4.
[eiser] vordert in deze procedure - samengevat - [gedaagde] te veroordelen:
1. mee te werken aan het in de verkoop plaatsen en verkopen van de woning op de wijze zoals in de dagvaarding is beschreven, op straffe van een dwangsom,
2. mee te werken aan de uitvoering van de koopovereenkomst en de woning uiterlijk 1 maand voor de levering te ontruimen, met bepaling dat als [gedaagde] in de medewerking aan de verkoop tekortschiet hij de woning binnen 1 week moet ontruimen en [eiser] te machtigen om als [gedaagde] daar niet aan voldoet de ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm en op kosten van [gedaagde] ,
3. per 1 januari 2026 aan de andere erfgenamen een gebruiksvergoeding van € 1.000,- per maand te betalen zolang [gedaagde] de woning uitsluitend gebruikt, en
4. de proceskosten te betalen met de wettelijke rente daarover.
2.5.
[gedaagde] voert daartegen verweer. [gedaagde] heeft voorwaardelijk, voor het geval een of meer vorderingen van [eiser] worden toegewezen, tegenvorderingen ingesteld. [gedaagde] vordert, naar de voorzieningenrechter begrijpt, om het door [eiser] gevorderde dan zo toe te wijzen dat:
a. hij gerechtigd is om in de woning te blijven wonen voor tenminste 6 tot 12 maanden na betekening van het vonnis,
b. hij op basis van een redelijke voorafgaande aankondiging toegang tot de woning moet verlenen, bezichtigingen op vaste dagdelen per week zullen plaatsvinden met een aankondiging daarvan minimaal 48 uur ervoor behoudens spoedgevallen, de leveringsdatum zal worden bepaald op tenminste 6 tot 12 maanden na de betekening van het vonnis en hij de woning uiterlijk 1 dag voor de oplevering moet ontruimen,
c. hij per 1 februari 2026 bij wijze van gebruiksvergoeding de feitelijke gebruikerslasten van de woning zal voldoen en dat deze zullen gelden als voorschot/verrekening op zijn aandeel in de nalatenschap en daarmee zullen worden verrekend,
en [eiser] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

3.De beoordeling

Toetsingskader
3.1.
De voorzieningenrechter moet beoordelen of er voldoende spoedeisend belang bestaat bij de gevorderde voorzieningen. Daarnaast moet worden beoordeeld of het voldoende aannemelijk is dat de vorderingen van [eiser] in een eventuele bodemprocedure zullen worden toegewezen, zodat daarop in dit kort geding kan worden vooruitgelopen. Daarbij moet een belangenafweging plaatsvinden.
Spoedeisend belang
3.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er sprake van voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen. Uitgangspunt is dat erfgenamen niet gehouden zijn om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Tussen partijen staat vast dat de woning verkocht moet worden, omdat geen van de erfgenamen (het aandeel van de anderen in de eigendom van) de woning wil of kan overnemen en verkoop noodzakelijk is om de schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen. Tot die schulden behoren ook vorderingen van de erfgenamen zelf in verband met de nalatenschap van de echtgenote van erflater (de moeder van [eiser] en de stiefmoeder van [gedaagde] ). De afwikkeling van de nalatenschap van erflater ligt al geruime tijd stil. [eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] na het overlijden van erflater in [maand van overlijden] 2024 nog in de woning mocht blijven wonen zodat hij tijd had om andere woonruimte te vinden. Omdat [gedaagde] geen inkomen uit werk of uitkering heeft, worden de eigenaarslasten en de gebruikerslasten sindsdien van de boedelrekening betaald. [eiser] heeft daarnaast bedragen aan [gedaagde] betaald als voorschot op zijn erfdeel, zodat hij in zijn levensonderhoud kon voorzien. Er wordt maandelijks verder ingeteerd op het vermogen, zodat het saldo van de boedelrekening naar verwachting in juni 2026 nul zal zijn. Dan kunnen de hypotheeklasten en andere lasten niet meer worden betaald. Dit heeft [gedaagde] niet betwist. Hieruit volgt al dat van [eiser] niet kan worden verlangd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure over deze kwestie afwacht. [eiser] heeft bovendien aangevoerd dat de drie kinderen van zijn broer vanwege hun financiële situatie belang hebben bij spoedige uitbetaling van hun vordering op de nalatenschap en hun erfdeel. Ook daaruit blijkt het spoedeisend belang bij de vordering om [gedaagde] te veroordelen om mee te werken aan verkoop en levering van de woning. Uit dat wat [eiser] over de stand van het vermogen heeft gesteld, volgt dat hij ook een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding.
Meewerken aan verkooptraject en ontruiming
3.3.
[gedaagde] heeft als verweer gevoerd dat hij mondeling met erflater een bruikleenovereenkomst heeft gesloten en dat deze door [eiser] niet rechtsgeldig is opgezegd met inachtneming van een redelijke termijn voor ontruiming. [eiser] heeft betwist dat erflater en [gedaagde] een bruikleenovereenkomst hebben gesloten. Volgens hem was het niet meer dan een zogenoemde ‘vriendendienst’ van erflater dat hij [gedaagde] kosteloos bij hem in de woning liet wonen. Of er wel of niet sprake was van een bruikleenovereenkomst kan echter in het midden blijven. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde] namelijk niet in zijn stelling dat die overeenkomst niet op de juiste wijze is opgezegd en hem geen redelijke termijn is gegund voor ontruiming van de woning. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij voor en na het overlijden van erflater meerdere keren met [gedaagde] heeft besproken dat de woning verkocht zal moeten worden en dat [gedaagde] bepaalde stappen zal moeten zetten om andere woonruimte te vinden. [gedaagde] heeft verklaard dat hij zich dat maar deels kan herinneren. Uit de e-mail van [eiser] van 1 september 2025 aan alle erfgenamen blijkt in ieder geval dat [eiser] toen heeft gemeld dat hij de verkoop van de woning in gang wilde zetten met als doel om de overdracht voor het einde van het jaar te laten plaatsvinden. [gedaagde] heeft in reactie daarop in zijn e-mail van 20 september 2025 geschreven dat hij daarmee niet akkoord ging en dat hij wilde dat de woning pas in de zomer van 2026 zou worden verkocht. Mr. Hees heeft [gedaagde] vervolgens in een brief van 30 september 2025 onder meer gesommeerd om medewerking te verlenen aan het in de verkoop brengen van de woning en de levering van de woning en om de woning minimaal 1 maand voor de leveringsdatum te ontruimen. [eiser] heeft terecht gesteld dat, als er al sprake was van een bruikleenovereenkomst, de vereiste opzegging van die overeenkomst hierin kan worden gelezen. Voor [gedaagde] moest op basis van deze brief duidelijk zijn dat het traject tot verkoop en levering van de woning in gang zou worden gezet en hij de woning nog tot uiterlijk 1 maand voor de levering zou kunnen gebruiken. Inmiddels zijn er sinds de genoemde brief meer dan vier maanden verstreken. Het verkooptraject is nog niet in gang gezet. Gelet daarop is er geen sprake van een onredelijke termijn voor de ontruiming van de woning.
3.4.
[gedaagde] heeft verder als verweer gevoerd dat hij dakloos zal worden en zijn werkplek zal verliezen als hij de woning eerder dan zes maanden na betekening van dit vonnis moet verlaten. Die omstandigheden komen naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor zijn rekening en risico. [gedaagde] heeft erkend dat voor hem duidelijk was dat de woning op enig moment zou moeten worden verkocht en dat hij voor die tijd over voldoende inkomen moest beschikken om in aanmerking te kunnen komen voor een huurwoning of een antikraakwoning. Het staat vast dat [gedaagde] al meerdere jaren geen inkomen uit arbeid heeft. [gedaagde] heeft daarover verklaard dat hij al heel lang bezig is met het bouwen van een website waarmee hij inkomsten kan gaan genereren. Hij verwacht dat dat binnen enkele maanden zal lukken. [eiser] heeft dat betwist. Concrete aanwijzingen dat [gedaagde] op korte termijn inkomsten zal kunnen verwerven met zijn website zijn er niet. Evenmin is gebleken dat [gedaagde] na het overlijden van erflater moeite heeft gedaan om op andere wijze inkomen uit arbeid te verkrijgen. Dat had wel op zijn weg gelegen.
3.5.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet het belang van [gedaagde] om langer in de woning te blijven wonen in de gegeven omstandigheden wijken voor het belang van de andere erfgenamen bij spoedige verkoop van de woning. [gedaagde] heeft voldoende gelegenheid gehad om andere woonruimte te vinden. Dat hij nog geen vervangende woonruimte heeft gevonden komt, zoals vermeld voor zijn rekening en risico. Het is in het belang van alle erfgenamen dat de woning op korte termijn wordt verkocht, omdat dan de schulden kunnen worden betaald en de nalatenschap kan worden afgewikkeld. De genoemde drie kinderen van de broer van [eiser] hebben, zoals eveneens vermeld, belang bij spoedige uitbetaling van de vorderingen en erfdelen. Ook [gedaagde] heeft daar belang bij, want hij kan dat geld dan gebruiken om nieuwe woonruimte te verkrijgen. Aannemelijk is daarom dat de bodemrechter zal oordelen dat niet van de andere erfgenamen kan worden gevergd dat zij nog langer in de onverdeelde gemeenschap blijven.
3.6.
De voorzieningenrechter zal [gedaagde] daarom veroordelen mee te werken aan het in de verkoop brengen en verkopen van de woning zoals in de dagvaarding onder a t/m e is gevorderd. Het gevorderde onder f., te weten het verlenen van alle medewerking om tot een behoorlijke verkoop te kunnen komen, is te onbepaald en zal om die reden worden afgewezen. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de bezichtigingen minimaal 24 uur van tevoren moeten worden aangekondigd behoudens spoedgevallen. Wat [gedaagde] in dit kader nog meer (voorwaardelijk) heeft gevorderd zal worden afgewezen. Aan de veroordeling zal een dwangsom van € 1.000,- worden verbonden, zoals gevorderd, maar deze zal worden gemaximeerd op € 20.000,-. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] ook veroordelen om in het geval hij de medewerking aan de verkoop weigert en/of daarin tekortschiet de woning binnen 2 weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten. De vordering om [eiser] te machtigen om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van politie en justitie zal worden afgewezen, omdat dat gezien het bepaalde in artikel 556 lid 1 en Pro artikel 557 Rv Pro overbodig is.
3.7.
De vordering om [gedaagde] te veroordelen om mee te werken aan de uitvoering van een tot stand gebrachte koopovereenkomst, waaronder de levering van de woning, zal worden afgewezen. Daarbij heeft [eiser] geen belang, omdat hij als executeur en afwikkelingsbewindvoerder alle bevoegdheden heeft gekregen om zelfstandig tot verkoop en levering van de woning over te kunnen gaan. De voorzieningenrechter zal [gedaagde] veroordelen om de woning voor de levering te ontruimen en te verlaten en de termijn daarvoor bepalen op 2 weken voor de leveringsdatum.
Gebruiksvergoeding betalen
3.8.
De voorzieningenrechter zal de vordering om [gedaagde] te veroordelen om vanaf 1 januari 2026 een gebruiksvergoeding van € 1.000,- per maand te voldoen, toewijzen. De erfgenamen zijn als deelgenoten in beginsel ieder voor hun deel gerechtigd tot het genot en gebruik van de woning. Nu [gedaagde] de woning al sinds het overlijden van erflater in [maand van overlijden] 2024 uitsluitend gebruikt zonder daarvoor iets te betalen is de gevorderde vergoeding op haar plaats. De voorzieningenrechter zal niet bepalen dat [gedaagde] dit mag voldoen door middel van verrekening met zijn erfdeel, zoals hij heeft gevorderd. Zoals eerder vermeld, heeft [eiser] onweersproken gesteld dat het saldo op de boedelrekening in juni 2026 nul zal zijn en heeft hij daarom een spoedeisend belang bij deze vordering. Als [gedaagde] zijn schuld zou mogen verrekenen, zou dit belang niet worden gediend.
Proceskostenveroordeling
3.9.
[gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
1.414,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.933,02
3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] mee te werken aan het in de verkoop brengen van de woning staande en gelegen aan het adres [adres] , [postcode] in [plaats 2] , inhoudende:
a. het verlenen van toegang tot de woning aan [eiser] , de door [eiser] in te schakelen makelaar, de fotograaf en potentiële kopers,
b. het plaatsen van een verkoopbord in de tuin van de woning,
c. het ten behoeve van de verkoop van de woning toonbaar hebben en houden van de woning, daarbij ieder advies en instructie van de makelaar opvolgend,
d. het niet aanwezig zijn in de woning op momenten waarop bezichtigingen van de woning plaatsvinden, welke bezichtigingen minimaal 24 uur van tevoren moeten worden aangekondigd behoudens spoedgevallen,
e. het zich onthouden van iedere vorm van mededeling en commentaar aan de makelaar, de fotograaf en potentiële kopers,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordeling onder 4.1. voldoet, tot een maximum van € 20.000,- is bereikt,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] , indien en voor zover hij de onder 4.1. bedoelde medewerking weigert en/of daarin tekort schiet, de woning binnen 2 weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij die zaken niet van hem zijn, de sleutels en andere toegangsbewijzen af te geven aan [eiser] en de woning vervolgens verlaten en ontruimd te laten,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] om de woning uiterlijk 2 weken voor de met de koper(s) overeengekomen leveringsdatum te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij die zaken niet van hem zijn, de sleutels en andere toegangsbewijzen af te geven aan [eiser] en de woning vervolgens verlaten en ontruimd te laten,
4.5.
veroordeelt [gedaagde] om per 1 januari 2026 ten behoeve van de andere erfgenamen een gebruiksvergoeding van € 1.000,- per maand te betalen aan [eiser] zolang [gedaagde] de woning uitsluitend gebruikt,
4.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.933,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.