ECLI:NL:RBMNE:2026:860

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11611058 \ UC EXPL 25-2619 WMB/61313
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:87 BWArt. 6:83 sub c BWArt. 6:97 BWArt. 843a (oud) Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing schadevergoeding na ontbinding huurovereenkomst bedrijfspand

Eiseres huurde een bedrijfspand van gedaagde waarin zij een restaurant en kanoverhuurbedrijf exploiteerde. Na ontbinding van de huurovereenkomst vorderde eiseres schadevergoeding wegens onder meer gederfde winst door annuleringen, het niet ter beschikking stellen van kano’s en achtergebleven inventaris.

De rechtbank oordeelde in een tussenvonnis dat gedaagde aansprakelijk is voor de schade en gaf eiseres bewijsopdrachten. Na beoordeling van het bewijs wees de rechtbank de vorderingen deels toe. De schade door annuleringen werd vastgesteld op €10.454,27, de schade door het niet ter beschikking stellen van drie kano’s op €4.320,00 en de schade voor achtergebleven inventaris op €23.033,06.

Gedaagde kon niet opkomen tegen beslissingen uit het tussenvonnis en zijn nieuwe verweren werden niet behandeld. De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van in totaal €37.807,33 aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat eiseres direct tot executie kan overgaan.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €37.807,33 schadevergoeding, vermeerderd met rente en proceskosten, met gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11611058 \ UC EXPL 25-2619 WMB/61313
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. E.M. Uijttewaal,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D.J.R.M. Braakenburg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 augustus 2024 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het verwijzingsvonnis van 12 maart 2025;
- de akte vermeerdering van eis met producties van [eiseres] ;
- de akte inbreng producties tevens houdende verzoek ex artikel 843a (oud) Rv van [gedaagde] ;
- de mondelinge behandeling van 3 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- het tussenvonnis van 3 september 2025 (hierna: het tussenvonnis);
- de akte uitlaten bewijs met producties van [eiseres] ;
- de antwoordakte met producties van [gedaagde] ;
- de akte uitlaten producties van [eiseres] .
1.2.
Nadat [eiseres] op 1 oktober 2025 haar akte uitlaten bewijs met producties had ingediend, heeft [gedaagde] tot 28 oktober 2025 de gelegenheid gekregen om daarop te reageren. Daarvan heeft hij geen gebruik gemaakt. Op 13 november 2025 heeft [gedaagde] de kantonrechter verzocht om alsnog te mogen reageren. De kantonrechter heeft dat verzoek op 17 november 2025 toegewezen en daarvoor een termijn bepaald. Daartegen heeft [eiseres] bezwaar gemaakt en de kantonrechter verzocht om de beslissing te herzien en vonnis te wijzen. De kantonrechter heeft de verzoeken van [eiseres] afgewezen, omdat niet (meer) kon worden vastgesteld of de rechtbank mr. Braakenbrug per brief had geïnformeerd over de (eerste) termijn waarbinnen [gedaagde] mocht reageren.
1.3.
Op 26 november 2025 heeft [eiseres] de kantonrechter vervolgens verzocht om tussentijds hoger beroep open te stellen. [1] Dat verzoek heeft de kantonrechter op 5 december 2025 afgewezen, waarna [gedaagde] een antwoordakte met producties heeft ingediend en [eiseres] zich bij akte heeft uitgelaten over die producties. Daarop volgt nu dit vonnis.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] verhuurde een bedrijfspand aan [eiseres] , die daarin een restaurant en kanoverhuurbedrijf runde. [eiseres] heeft de huurovereenkomst met ingang van 5 oktober 2020 ontbonden en vordert in deze procedure schadevergoeding van [gedaagde] . In het tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat [gedaagde] schadevergoeding aan [eiseres] moet betalen en [eiseres] opgedragen om bewijs te leveren op verschillende punten. De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] voor een deel is geslaagd in haar bewijsopdrachten en wijst haar vorderingen gedeeltelijk toe.

3.De beoordeling

De kantonrechter is gebonden aan de beslissingen in het tussenvonnis
3.1.
De kantonrechter merkt op dat [gedaagde] in zijn laatste akte een groot aantal nieuwe stellingen en verweren naar voren heeft gebracht, waarmee hij kennelijk op wil komen tegen een deel van de (eind)beslissingen in het tussenvonnis. Daarvoor is in deze procedure geen plaats. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de kantonrechter alleen bevoegd is om terug te komen op dergelijke beslissingen als die berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. [2] De kantonrechter ziet geen reden om aan te nemen dat dat hier het geval is, zodat [gedaagde] alleen in hoger beroep daartegen op kan komen. De kantonrechter bespreekt die stellingen en verweren van [gedaagde] , zoals bijvoorbeeld zijn nieuw aangevoerde beroep op een retentierecht, daarom verder niet.
De bewijsopdrachten voor [eiseres] uit het tussenvonnis
3.2.
De kantonrechter heeft [eiseres] in het tussenvonnis opgedragen om bewijs te leveren op de volgende punten:
de hoogte van de gederfde winst voor de annuleringen zoals opgenomen in productie 35 bij de dagvaarding, voor zover die het gevolg zijn van problemen met de watertoevoer en het testen van de pompput;
haar stelling dat [eiseres] degene is die schade heeft geleden doordat [gedaagde] drie kano’s niet ter beschikking heeft gesteld en de hoogte van die schade;
haar stelling dat de facturen die zij als productie 16 bij de dagvaarding heeft overgelegd, facturen zijn voor de inventaris die is achtergebleven in het bedrijfspand en dat zij die facturen heeft betaald.
Hierna wordt per punt apart besproken of en in hoeverre [eiseres] is geslaagd in het leveren van bewijs.
i.
[gedaagde] moet € 10.454,27 vergoeden voor de annuleringen
3.3.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] lijdt doordat verschillende klanten hun reserveringen hebben geannuleerd. De kantonrechter heeft [eiseres] opgedragen bewijs te leveren voor haar stelling dat zij daardoor € 16.300,00 schade heeft geleden, door inzichtelijk te maken hoeveel winst zij door de annuleringen is misgelopen. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] in totaal € 10.454,27 aan schade heeft geleden door de annuleringen en overweegt daarbij als volgt.
3.4.
[eiseres] heeft een berekening overgelegd, waarin zij per relevante annulering een omzetbedrag voor consumpties heeft opgenomen. Bijna al die bedragen komen overeen met of zijn lager dan de omzetbedragen in de bijbehorende offertes. De annulering van [A] is daarbij de uitzondering, aangezien in de offerte een omzetbedrag van € 2.779,00 staat, terwijl [eiseres] met € 3.278,56 rekent. De kantonrechter kan dat hogere bedrag niet plaatsen en zal daarom voor de annulering van [A] uitgaan van het in de offerte genoemde bedrag. Voor de overige annuleringen sluit de kantonrechter aan bij de door [eiseres] gebruikte lagere bedragen.
3.5.
Van de omzetbedragen heeft [eiseres] 35% afgetrokken voor inkoopkosten, die zij niet tot haar schade rekent. Mede gelet op het feit dat [gedaagde] daar niets tegenin heeft gebracht, oordeelt de kantonrechter dat dat percentage redelijk is.
3.6.
De resterende 65% heeft [eiseres] verdeeld in gederfde winst op consumpties en personeelskosten. Ook de personeelskosten rekent zij tot haar schade, omdat zij haar personeel ondanks de annuleringen nog wel heeft moeten uitbetalen zonder dat daar inkomsten tegenover stonden. De berekening voor [A] is daarbij opnieuw de uitzondering, omdat de personeelskosten voor die annulering niet zijn meegerekend als schade. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, oordeelt de kantonrechter dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij ondanks de annuleringen personeelskosten heeft gemaakt, aangezien zij e-mails van vijf medewerkers heeft overgelegd die allemaal verklaren dat zij loon uitbetaald kregen toen er reserveringen werden geannuleerd. Zowel de gemiste winst voor de consumpties, als de personeelskosten gelden dus als schade.
3.7.
Daarnaast heeft [eiseres] per relevante annulering een omzetbedrag voor zaalhuur opgenomen in haar berekening. Ook die bedragen komen overeen met of zijn lager dan de zaalhuurbedragen in de offertes en worden door [eiseres] als gederfde winst bij haar schade gerekend. De kantonrechter merkt daarbij op dat [eiseres] kennelijk een schrijffout heeft gemaakt, omdat de ‘totaal gederfde winst’ (€ 1.951,73) voor [A] in haar tabel hoger is dan de ‘totale schade’ (€ 1.501,73) doordat de misgelopen zaalhuur (€ 450,00) niet is meegerekend. Dat bedrag aan zaalhuur zal de kantonrechter daarom wel bij de berekening van de schade betrekken.
3.8.
[gedaagde] heeft niets tegen de door [gedaagde] gebruikte bedragen voor zaalhuur ingebracht, maar uit de door hem gebruikte tabel blijkt dat hij voor [B] met een bedrag van € 550,00 in plaats van met € 790,00 rekent zoals [eiseres] doet. Uit de opmerking ‘zaal 11 x 50’ daarbij begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] vindt dat dat de zaalhuur is die [eiseres] door de annulering van [B] is misgelopen. Dat vindt de kantonrechter redelijk, omdat uit de offertes blijkt dat [eiseres] € 50,00 zaalhuur per uur rekende en [B] de zaal voor elf uur had gereserveerd. Dat er meer omzet zou zijn geweest vanuit zaalverhuur voor [B] , heeft [eiseres] niet voldoende aannemelijk gemaakt. Voor de overige annuleringen sluit de kantonrechter aan bij de door [eiseres] gebruikte bedragen.
3.9.
De bovenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de schade die [eiseres] door de annuleringen heeft geleden € 10.454,27 (= € 6.352,52 + € 2.501,75 + € 1.600,00) bedraagt. Dat bedrag laat zich als volgt uitsplitsen:
Naam
Gemiste omzet
Winst consumpties
Personeelskosten
Zaalverhuur
[C]
1.264,80
596,43
225,69
200,00
[D]
2.373,08
1.067,62
474,88
200,00
[onderneming 1]
1.000,00
97,90
552,10
0,00
[E]
1.465,77
727,06
225,69
200,00
[B]
5.707,50
2.686,49
1.023,39
550,00
[A]
2.779,00
1.177,02
0,00
450,00
Totale schade per post:
6.352,52
2.501,75
1.600,00
3.10.
Het bedrag van € 1.177,02 bij [A] wijkt af van het bedrag in de tabel van [eiseres] , omdat met een ander omzetbedrag is gerekend, zoals uitgelegd bij randnummer 3.4. De kantonrechter is tot dit bedrag gekomen door het omzetbedrag uit de offerte (€ 2.779,00) te verminderen met 35% (€ 972,65) en de door [eiseres] genoemde personeelskosten voor [A] (€ 629,33) daarvan af te trekken.
ii.
[gedaagde] moet € 4.320,00 vergoeden voor de missende kano’s
3.11.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat [gedaagde] onterecht drie Canadese kano’s niet aan de heer [F] (bestuurder van [eiseres] , hierna: [F] ) en zijn (toenmalige) echtgenote ter beschikking heeft gesteld, terwijl hij dat wel had moeten doen op grond van een bruikleenovereenkomst die hij met hen had. [eiseres] is opgedragen om te bewijzen dat zij daardoor schade heeft geleden, door inzicht te geven in de manier waarop opbrengsten van de kanoverhuur bij haar terecht kwamen en niet bij [F] en zijn echtgenote. Daarnaast is [eiseres] opgedragen om haar stelling te bewijzen dat zij daardoor € 16.200,00 aan inkomsten is misgelopen in de maanden juni en juli 2020. De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij € 4.320,00 aan inkomsten is misgelopen. Zij legt dat hierna uit.
3.12.
[eiseres] is erin geslaagd om te bewijzen dat de opbrengst van de kanoverhuur bij haar terecht kwam. Zij heeft verschillende e-mails overgelegd van de horecamakelaar die de onderhandelingen tussen partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst heeft begeleid. Daaruit blijkt dat [eiseres] de bruikleenovereenkomst zelf met [gedaagde] wilde sluiten, maar dat [gedaagde] dat alleen met [F] en zijn echtgenote in privé wilde doen. Daarnaast heeft [eiseres] een e-mail overgelegd van haar boekhouder, die bevestigt dat de opbrengst voor de kanoverhuur ook daadwerkelijk op de rekening van [eiseres] bij werd geboekt. Alle opbrengst die [eiseres] is misgelopen doordat [gedaagde] de drie kano’s niet ter beschikking heeft gesteld, is daarom schade die [gedaagde] moet vergoeden. [3]
3.13.
[eiseres] zegt dat die schade in totaal € 16.470,00 bedraagt. [4] Volgens haar waren alle beschikbare kano’s gedurende de maanden juni en juli 2020 elke dag verhuurd en moest zij nee verkopen. Zij zegt dat de drie missende kano’s daarom € 270 (= 3 X € 90,00) per dag hadden kunnen opleveren in die maanden, waarbij zij verwijst naar een screenshot van de prijzenlijst op haar website. Voor die 61 dagen zou de opbrengst daarom € 16.470,00 zijn geweest. Als bewijs voor haar stellingen heeft zij lijsten met namen, tijden en aantallen overgelegd, die volgens haar de administratie zijn van de kanoreserveringen in die maanden. Daarnaast heeft ze een screenshot overgelegd van een bericht dat op 29 juni 2020 op haar website stond, met daarin de mededeling:

wij zijn de aankomende 2 weken volledig uitverhuurd u kunt vanaf 14 juli 2020 weer bij ons reserveren. Wij zien uw e-mail of Whatsapp met uw reservering graag tegemoet’.
3.14.
[gedaagde] heeft zich tegen de berekening van [eiseres] verzet, omdat volgens hem uit de lijsten op zichzelf niet blijkt dat er daadwerkelijk reserveringen zijn geweest en het onwaarschijnlijk is dat [eiseres] elke dag was volgeboekt.
3.15.
De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij elke dag in juni en juli 2020 volgeboekt was. De lijsten met namen zijn daarvoor onvoldoende bewijs, omdat daaruit niet zonder meer blijkt dat die reserveringen zijn gemaakt. Uit het bericht op de website blijkt dat reserveringen kennelijk per e-mail of Whatsapp moesten worden gemaakt, zodat het voor de hand lag om die berichten te overleggen. Dat heeft [eiseres] niet gedaan. Ook heeft zij bijvoorbeeld geen bewijs van betalingen of andere financiële administratie overgelegd, waaruit volgt dat alle kano’s in die maanden de hele dag verhuurd waren.
3.16.
In tegenstelling tot wat [gedaagde] heeft betoogd, is dat op zichzelf geen reden om de gehele vordering af te wijzen op grond van artikel 21 Rv Pro. Het maakt wel dat de kantonrechter een groot gedeelte van de vordering zal afwijzen. Op grond van het bericht op de website stelt de kantonrechter vast dat [eiseres] van 29 juni tot en met 13 juli 2020 was volgeboekt. Gedurende die zestien dagen is [eiseres] elke dag dus € 270,00 is misgelopen. Dit telt op tot een totale schade van € 4.320,00, die [gedaagde] aan [eiseres] moet vergoeden.
iii.
[gedaagde] moet € 23.033,06 vergoeden voor de achtergebleven inventaris
3.17.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat [gedaagde] [eiseres] een schadevergoeding moet betalen voor de inventaris die is achtergebleven na de oplevering op 9 oktober 2020. [eiseres] heeft uitgelegd dat het gaat om 80 stoelen en 55 terrasstoelen en heeft daarbij gewezen op twee facturen van [onderneming 2] voor € 26.323,50. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangegeven dat hij die stoelen niet meer had. In zijn laatste akte geeft [gedaagde] aan dat hij de stoelen toch nog wel heeft en ze alsnog terug wil geven. Daar heeft [eiseres] zich tegen verzet.
3.18.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de stoelen niet alsnog aan [eiseres] terug kan geven. [eiseres] heeft vervangende schadevergoeding voor de stoelen gevorderd. Daarvoor is vereist dat [gedaagde] tekort is geschoten, dat hij in verzuim is, en dat [eiseres] hem schriftelijk heeft medegedeeld dat zij daarom vervangende schadevergoeding vordert. [5] [eiseres] heeft bij de dagvaarding een geluidsopname overgelegd van de oplevering op 9 oktober 2020. Daaruit blijkt dat toen is afgesproken dat [eiseres] de stoelen op een later moment zou komen ophalen. In de maanden daarna heeft [eiseres] meermaals contact met [gedaagde] gezocht om de stoelen op te kunnen halen, zonder dat [gedaagde] daarop heeft gereageerd. Sterker nog, hij heeft de stoelen aan de volgende huurder in gebruik gegeven. Daarmee is [gedaagde] tekort geschoten in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en in verzuim geraakt. [6] [eiseres] kon haar vordering tot nakoming daarom omzetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding, wat zij met haar akte vermeerdering eis (schriftelijk) heeft gedaan. [gedaagde] kan dus niet nu alsnog nakomen.
3.19.
In het tussenvonnis is [eiseres] opgedragen om te bewijzen dat de facturen van [onderneming 2] zien op de achtergebleven inventaris en dat zij die facturen heeft betaald. Daarin is [eiseres] geslaagd. Het staat vast dat de stoelen zijn achtergebleven, want [gedaagde] zegt dat hij ze nog heeft. Daarnaast heeft [eiseres] rekeningafschriften overgelegd waaruit blijkt dat zij de facturen heeft betaald. Dat die facturen zien op de stoelen volgt verder uit een opname van een telefoongesprek met [onderneming 2] die [eiseres] heeft overgelegd. Daaruit blijkt dat [onderneming 2] op 16 juli 2019 80 stoelen en 30 terrasstoelen heeft geleverd en er nog 25 terrasstoelen zouden worden nagezonden.
3.20.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij hoogstens € 2.000,00 moet betalen als schadevergoeding, omdat dat is wat de stoelen nog waard zijn. Dat betoog gaat niet op. Voor de vaststelling van de omvang van de schade moet een vergelijking worden gemaakt tussen de huidige situatie en de situatie waarin [gedaagde] de stoelen wel had teruggegeven. [7] Als hij dat had gedaan, had [eiseres] de stoelen na 9 oktober 2020 nog kunnen gebruiken of verkopen. Het gaat er dus om wat de stoelen op die datum waard waren. Daarbij speelt een rol dat [eiseres] de stoelen vanaf 16 juli 2019 tot 9 oktober 2020 zelf heeft gebruikt en dat daarom een deel van de nieuwwaarde daarvan moet worden afgeschreven. De kantonrechter heeft geen handvatten om nauwkeurig vast te kunnen stellen hoeveel de stoelen in die periode in waarde zijn verminderd, waardoor de kantonrechter dat moet schatten. [8] De kantonrechter gaat ervan uit dat de stoelen over een periode van tien jaar moeten worden afgeschreven, zodat ze in de genoemde periode van grofweg vijftien maanden 12,5% minder waard zijn geworden. Gelet op de nieuwwaarde van € 26.323,50, betekent dat dat [gedaagde] € 23.033,06 aan vervangende schadevergoeding aan [eiseres] moet betalen.
Conclusie: [gedaagde] moet in totaal € 37.807,33 aan schadevergoeding betalen
3.21.
De conclusie is dat [gedaagde] [eiseres] in totaal € 37.807,33 (= € 10.454,27 + € 4.320,00 + € 23.033,06) aan schadevergoeding moet betalen. De kantonrechter zal dat bedrag daarom toewijzen. De gevorderde wettelijke rente zal ook worden toegewezen. De wettelijke rente over het deel aan vervangende schadevergoeding kan echter pas worden toegewezen vanaf het moment van de omzetting. [9] De wettelijke rente daarover zal daarom worden toegewezen vanaf de datum waarop de akte vermeerdering eis is ingediend, namelijk 20 juni 2025. Voor het overige zal de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2020 worden toegewezen, zoals gevorderd.
3.22.
De kantonrechter merkt op dat [eiseres] aanvankelijk ook een vordering tot betaling van een (geschatte) schadevergoeding had ingesteld voor de inkomsten die zij door overlast van [gedaagde] is misgelopen. Die vordering heeft zij tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken en zal daarom verder niet worden besproken.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiseres] in het incident en in de hoofdzaak betalen
3.23.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
112,99
- griffierecht
1.409,00
- salaris gemachtigde
1.080,00
(2,5 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.745,99
3.24.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter de incidentele vordering van [gedaagde] [10] afgewezen en de beslissing over de proceskosten in het incident aangehouden. Omdat [gedaagde] in het incident in het ongelijk is gesteld, moet hij de proceskosten van [eiseres] betalen. De proceskosten van [eiseres] in het incident worden begroot op € 271,00
(1 punt x € 271,00).
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.25.
[eiseres] wil dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. [gedaagde] heeft zich daartegen verzet. Volgens hem is de financiële situatie van [eiseres] zo slecht dat er een groot risico bestaat dat hij zijn geld niet meer terug kan krijgen als hij hoger beroep instelt en alsnog gelijk krijgt (restitutierisico). Daar gaat de kantonrechter niet in mee. Het uitgangspunt is dat vonnissen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Daar kan van worden afgeweken als de belangen van [gedaagde] om het hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan het belang van [eiseres] om haar vorderingen betaald te krijgen. Dat kan het geval zijn als er een hoog restitutierisico is, maar dan moet dat risico wel worden geconcretiseerd. [11] Het enkele feit dat [eiseres] tot 2019 verlieslatend is geweest, zoals [gedaagde] zegt, is daarvoor onvoldoende.
3.26.
Het vonnis zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat [eiseres] het vonnis direct kan (laten) uitvoeren als [gedaagde] niet aan het vonnis voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als er nog in hoger beroep moet worden beslist

4.De beslissing

De kantonrechter:
in de hoofdzaak
4.1.
veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres] een bedrag van € 37.807,33 aan schadevergoeding te betalen, vermeerderd met:
- de wettelijke rente [12] over een bedrag van € 14.774,27 vanaf 5 oktober 2020,
- de wettelijke rente [13] over een bedrag van € 23.033,06 vanaf 20 juni 2025,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.745,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente [14] over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in het incident
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 271,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in de hoofdzaak en het incident
4.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.E.J.A. Boots en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Voetnoten

1.In de zin van artikel 337 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC2800.
3.Op grond van artikel 6:162 BW Pro.
4.Maar zij haar vordering tot € 16.200,00 heeft gemaximeerd.
5.Artikel 6:87 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
6.Artikel 6:83 sub c BW Pro.
7.HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2022:AD9339.
8.Artikel 6:97 BW Pro.
9.Op grond van artikel 83 sub b BW Pro.
10.Op grond van 843a (oud) Rv.
11.Hoge Raad 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1400.
12.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
13.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.
14.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.