8.3Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals ter zitting is gebleken.
De ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het doden van zijn hond door het dier meerdere keren in zijn kop en nek te schieten. De rechtbank wil aannemen dat de verdachte dit niet heeft gedaan uit wreedheid of vanuit de behoefte om het dier te mishandelen of pijn te doen. De verdachte heeft namelijk verklaard dat de hond onhandelbaar en onbetrouwbaar gedrag vertoonde en die dag zijn kinderen had gebeten en spullen thuis kapot had gemaakt. Bij de verdachte ontstond er een paniekgevoel omdat hij zich geen raad meer wist met de hond. Omdat hij onder invloed was van verdovende middelen en sterke pijnstillers heeft hij toen een volstrekt onjuiste keuze gemaakt door het dier eigenhandig dood te schieten. Dit is zeer kwalijk, temeer omdat de verdachte andere keuzes had kunnen en moeten maken, zoals het vragen van professionele hulp of het vinden van een ander onderkomen voor de hond.
De rechtbank vindt het ook heel kwalijk dat de verdachte een wapen, munitie en een patroonhouder voorhanden heeft gehad. Het behoeft geen verdere uitleg dat het voorhanden hebben van een dergelijk wapen en munitie een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengt, waarvan de gevolgen desastreus kunnen zijn.
Ten slotte heeft de verdachte een hoeveelheid professioneel vuurwerk voorhanden gehad en her en der opgeslagen in zijn woning. Het voorhanden hebben en de opslag van professioneel vuurwerk is gevaarlijk. Voor het vervoer en de opslag van dergelijk vuurwerk gelden strenge regels en is gespecialiseerde kennis vereist. Niet alleen het gevaar voor brand bij de opslag, maar ook het tot ontbranding van professioneel vuurwerk brengt risico’s met zich, zowel voor degene die het vuurwerk tot ontbranding brengt, alsook voor eventuele omstanders. De verdachte heeft hierin onverantwoord gehandeld.
De persoon van de verdachte
In het strafblad van 1 december 2025 heeft de rechtbank gezien dat de verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten als de feiten die nu bewezen zijn verklaard.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 1 april 2025. Daarin staat dat er geen sprake is van een delictpatroon. De reclassering beschouwt het middelengebruik en de houding van de verdachte als direct delictgerelateerd. Het sociale netwerk en het psychosociaal functioneren zijn indirect delictgerelateerd. De verdachte heeft vrienden en kennissen die ervoor zorgen dat hij toegang heeft tot drugs en een vuurwapen. Hij houdt zich bewust niet aan de geldende wetten en regels met betrekking tot vuurwerk, en zijn probleemoplossend vermogen hapert onder invloed van middelen. Praktisch gezien zijn er geen problemen te benoemen in het leven van de verdachte. Hij is gemotiveerd om een behandeling te ondergaan met als doel zijn middelenverslaving te overwinnen. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden:
een meldplicht bij de reclassering;
ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname;
meewerken aan middelencontrole;
een verbod om dieren te houden;
openheid geven over zijn sociale netwerk.
In een aanvullend bericht van Tactus Reclassering Flevoland van 30 december 2025 staat dat het middelengebruik van de verdachte nog niet helemaal is teruggedrongen. Hij staat op de wachtlijst voor een detox, maar daarna is ook huisvestiging nodig. Hij staat op de wachtlijst voor Kwintes en is ook aangemeld bij [instelling] . Tot slot verzoekt Tactus om de voorwaarde van middelencontrole ruimer te formuleren dan nu in de schorsingsvoorwaarden is opgenomen.
De straf en maatregel
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten (LOVS). Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Voor het voorhanden hebben van een pistool in een woning gaan de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden. Voor het doden van een hond en voor het in huis voorhanden hebben van illegaal voorwerk zijn er geen landelijke oriëntatiepunten opgesteld. Voor deze feiten worden in andere zaken uiteenlopende taak- en/of gevangenisstraffen opgelegd, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
Gelet op de ernst van de feiten vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 180 dagen passend en geboden. De verdachte heeft namelijk niet alleen een vuurwapen met bijpassende munitie voorhanden gehad, maar heeft dit vuurwapen ook daadwerkelijk gebruikt om zijn hond dood te schieten en hij heeft illegaal vuurwerk in zijn woning voorhanden gehad, zodat er reden is om aan de verdachte een hogere gevangenisstraf op te leggen.
Een gedeelte daarvan, namelijk 92 dagen, zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren. Dit betekent dat de verdachte nu niet opnieuw vast komt te zitten. De bedoeling van de voorwaardelijke straf en de hierna te noemen bijzondere voorwaarden is de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan dit voorwaardelijk gedeelte zal de rechtbank de volgende voorwaarden verbinden:
een meldplicht bij de reclassering;
ambulante behandeling door JusTact of een soortgelijke zorgverlener, met de mogelijkheid van een kortdurende opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie
of diagnostiek;
3. meewerken aan controles op het gebruik van middelen (alcohol, verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet);
4. verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.
Om de verdachte daadwerkelijk te laten voelen wat de consequenties zijn van zijn handelen, zal de rechtbank aan hem ook een taakstraf van 120 uren opleggen, bij niet voldoen te vervangen door 60 dagen vervangende hechtenis.
Ten slotte legt de rechtbank, op grond van artikel 8.11a van de Wet dieren, aan de verdachte het verbod op om dieren te houden, voor de duur van tien jaren. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen grondslag voor het dadelijk uitvoerbaar verklaren van deze vrijheidsbeperkende maatregel, nu verdachte zich al langere tijd, namelijk sinds maart 2025, heeft gehouden aan de schorsingsvoorwaarden, waarin dit verbod ook was opgenomen.
De voorlopige hechtenis
Vorenstaande brengt mee dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.