Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:854

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11662591 \ LC EXPL 25-922 BW 31650
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkgever moet onverschuldigde betalingen aan werknemer terugbetalen na vernietiging vonnis kantonrechter

Tussen eiser en gedaagde heeft een arbeidsovereenkomst bestaan tot 25 juli 2021. In een eerdere procedure bij de kantonrechter is eiser veroordeeld tot betalingen aan gedaagde, welke eiser heeft voldaan. Eiser ging in hoger beroep tegen dit vonnis, waarna het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigde.

Eiser vordert daarop terugbetaling van de onverschuldigde betalingen die hij aan gedaagde heeft gedaan. Gedaagde betwist dit, maar de kantonrechter oordeelt dat door de vernietiging van het vonnis de rechtsgrond voor de betalingen is komen te vervallen, waardoor sprake is van onverschuldigde betaling.

De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot terugbetaling van het volledige bedrag van € 4.314,11, vermeerderd met wettelijke rente, en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De werkgever is veroordeeld tot terugbetaling van onverschuldigde betalingen aan de werknemer, vermeerderd met wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11662591 \ LC EXPL 25-922 BW 31650
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.G. Blokziel,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. Y.M. van der Meulen

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 april 2025 met 12 producties,
- de conclusie van antwoord van 24 juni 2025,
- de conclusie van repliek van 20 augustus 2025,
- de conclusie van dupliek van 15 oktober 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1.
Tussen [eiser] en [gedaagde] heeft een arbeidsovereenkomst bestaan tot 25 juli 2021. Over de afwikkeling van het dienstverband is een procedure gevoerd bij de kantonrechter van deze rechtbank. In dat vonnis van 4 januari 2023 is [eiser] veroordeeld tot diverse betalingen aan [gedaagde] . [eiser] heeft aan de veroordelingen uit dit vonnis voldaan. [eiser] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan, waarna het Hof in zijn arrest van 13 februari 2024 het vonnis van de kantonrechter heeft vernietigd.
[eiser] vordert betaling van [gedaagde] voor de door haar onverschuldigd gedane betalingen (€ 4.314,11) uit het vonnis van de kantonrechter, omdat dit vonnis vernietigd is. [gedaagde] betwist dat zij iets aan [eiser] terug moet betalen.
De kantonrechter is het met [eiser] eens dat zij onverschuldigd heeft betaald aan [gedaagde] en wijst de vorderingen van [eiser] toe.

3.De beoordeling

3.1.
De vraag die voorligt is of [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 4.314,11 moet terugbetalen. [eiser] heeft dat bedrag betaald aan [gedaagde] naar aanleiding van de veroordeling daartoe in het vonnis van de kantonrechter van 4 januari 2023. Partijen twisten over de gevolgen van de beslissing die het Gerechtshof (hierna: Hof) vervolgens op 13 februari 2024, na het door [eiser] ingesteld hoger beroep, in zijn arrest heeft genomen.
3.2.
Bij de beoordeling stelt de kantonrechter voorop dat [gedaagde] erkent dat [eiser] aan het vonnis heeft voldaan door aan haar een bedrag te hebben betaald van € 4.314,11.
Uit het arrest van het Hof (dat in gezag van gewijsde is gegaan) volgt dat het vonnis van de kantonrechter van 4 januari 2023 wordt vernietigd.
Als een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis wordt vernietigd, dan komt de rechtsgrond te ontvallen aan hetgeen ter uitvoering van dat vonnis is verricht. Indien is voldaan aan een veroordeling om iets te doen, bestaat in dat geval een vordering uit onverschuldigde betaling. [1]
Dit betekent dus in beginsel dat de betaling die [eiser] aan [gedaagde] heeft gedaan uit hoofde van het vonnis van de kantonrechter ongedaan gemaakt moet worden.
[gedaagde] moet [eiser] de onverschuldigd betaalde bedragen terugbetalen
3.3.
[gedaagde] heeft naar voren gebracht dat [eiser] ten onrechte tijdens de procedure bij het Hof niet heeft laten weten dat zij al uitvoering had gegeven aan het vonnis van de kantonrechter. Naar het oordeel van de kantonrechter maakt dat de uitkomst niet anders. Dat uitvoering is gegeven aan het vonnis is immers ook het uitgangspunt, gelet op de uitvoerbaar bij voorraad verklaring.
Meer specifiek heeft [gedaagde] erop gewezen dat het Hof zich opnieuw heeft uitgesproken over de rechtsverhouding tussen partijen en heeft geoordeeld dat [gedaagde] een bedrag van € 2.100,00 netto (dat als voorschot is verstrekt) in mindering mag brengen op de toegewezen loonvordering. Dat heeft [gedaagde] ook zo uitgevoerd.
Dit bedrag van € 2.100,00 was door [eiser] naar aanleiding van het vonnis van de kantonrechter echter al aan [gedaagde] (terug)betaald.
De kantonrechter stelt ook vast dat het Hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd heeft zonder daarbij voor een (of meer) van de door de kantonrechter genomen beslissing(en) een uitzondering te maken. Dit betekent dat het Hof het vonnis
geheelheeft vernietigd. Het Hof heeft dus niet bedoeld de veroordeling uit het vonnis van de kantonrechter ten aanzien van het bedrag van € 2.100,00 daar buiten te laten. Dat het Hof opnieuw over de rechtsverhouding heeft geoordeeld, maakt de uitkomst dus ook niet anders.
3.4.
Over de proceskosten heeft het Hof geoordeeld dat de proceskosten die partijen in eerste aanleg hebben gemaakt worden gecompenseerd. Vast staat dat [eiser] in het vonnis van de kantonrechter is veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] en terzake een bedrag van € 1.473,30 aan [gedaagde] heeft betaald.
3.5.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt dan ook tot de slotsom dat de grondslag voor de betalingen door [eiser] is weggevallen. Een vernietiging van een vonnis in hoger beroep heeft terugwerkende kracht. Dat brengt mee dat alles wat ter uitvoering van het vonnis is betaald, moet worden teruggedraaid. [gedaagde] is dus verplicht om de onverschuldigd betaalde bedragen, ter hoogte van € 4.314,11 (de hoofdsom, wettelijke rente en de proceskosten) terug te betalen aan [eiser] . Ook moet [gedaagde] de wettelijke rente daarover betalen. Het gevorderde bedrag aan wettelijke rente van € 547,07 (berekend tot en met 19 maart 2025) zal daarom ook worden toegewezen. De wettelijke rente vanaf 20 maart 2025 is eveneens toewijsbaar, op de in de beslissing vermelde wijze.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.6.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Het bedrag dat [eiser] in het petitum van de dagvaarding vordert van € 673,26 inclusief btw overstijgt het in het besluit bepaalde tarief niet en zal daarom worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen op de in de beslissing vermelde termijn.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
Totaal
954,00
De wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de in de beslissing vermelde termijn.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.861,18, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 4.314,11, met ingang van 20 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 673,26 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 20 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Voetnoten

1.Zie onder meer: Hoge Raad, 9 februari1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2854