Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
- de dagvaarding van 8 juli 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek tevens houdende vermeerdering van eis, met producties,
- de conclusie van dupliek, met producties.
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
- [eiser] zou [gedaagde] in ieder geval op 31 december 2022 hebben aangeschreven, omdat hij een dia slideshow had gemaakt in verband met het (komende) geschil met [gedaagde] . Die slideshow zou hij naar [gedaagde] hebben gestuurd. Hij onderbouwt dat met een verwijzing naar zijn blog op internet, waar hij schrijft
- In het voorjaar van 2023 zou [eiser] [gedaagde] hebben aangeschreven omdat de boot weer te water was gelaten en in een loods gezet moest worden voor ‘vervolgwerkzaamheden aan het dek’. [eiser] vond een derde partij die dit kon doen, maar vroeg eerst aan [gedaagde] of hij om kosten te besparen bereid was die vervolgwerkzaamheden op zich te nemen, met vermelding van de kosten van de derde partij. De enkele vraag of [gedaagde] – die werkzaam is bij een jachthaven en voor aflevering diverse werkzaamheden aan de boot uitvoerde – werkzaamheden aan de boot wilde verrichten, is echter geen mededeling waardoor [eiser] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Het is zelfs niet duidelijk of [eiser] met de gestelde tekst bedoelde dat [gedaagde] die kosten voor zijn rekening moest nemen, of dat het om een kostenbesparing bij [eiser] ging, omdat [gedaagde] minder voor de reparatie zou vragen dan de derde partij.
- [eiser] stelt dat hij ook op 30 september 2023 een e-mail aan [gedaagde] heeft gestuurd, ‘met de stand van zaken met informatie en foto’s, waarbij ook de rekening werd meegestuurd’. Ook deze stelling houdt niet in dat sprake is van een stuiting, omdat er niet uit blijkt dat [eiser] zich ondubbelzinnig zijn rechten heeft voorbehouden.
- [eiser] stelt verder dat uit zijn blog op het internet blijkt dat hij ‘gedurende het reparatieproces de bedoeling had om [gedaagde] op de hoogte te houden en de kosten bij hem te claimen’. Zo schreef hij in oktober 2022 bijvoorbeeld op zijn blog dat zijn ‘volgende uitdaging’ zou zijn om de kosten op de verkoper te verhalen. Dat betekent echter niet dat [eiser] ook rechtstreeks en tijdig aan [gedaagde] heeft laten weten dat hij wil dat [gedaagde] de kosten aan de boot betaalt en dat hij zich ondubbelzinnig het recht op nakoming voorbehoudt (en dat [gedaagde] dat bericht heeft ontvangen). Het gaat niet om de bedoeling die [eiser] had, maar om de ondubbelzinnig duidelijke manier waarop hij die bedoeling rechtstreeks aan [gedaagde] laat weten.
“indien dit niet lukt dan laat ik het mijn advocaat uitvechten”. Dat is een voldoende duidelijke waarschuwing dat [gedaagde] er rekening mee moet houden dat [eiser] nog geld van hem wil ontvangen, maar die mededeling is te laat. Uit deze e-mail blijkt verder niet dat [eiser] al vóór 18 augustus 2024 heeft gewaarschuwd dat hij nog geld van [gedaagde] wil ontvangen. Dat de toon en het onderwerp van deze e-mail volgens [eiser] suggereren dat hij tussentijds rekeningen en ‘updates’ aan [gedaagde] heeft doorgestuurd, betekent niet dat hij de verjaringstermijn heeft gestuit. Dat heeft [eiser] ook niet gesteld. Alleen maar een bericht sturen over problemen of de hoogte van een rekening, is niet voldoende om een verjaringstermijn te stuiten.