Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:839

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11975934 \ ME VERZ 25-162
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671a lid 1 BWArt. 7:682 lid 1 sub c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek niet-ontvankelijk wegens verkeerde partij in arbeidsrechtelijke procedure

Verzoekster trad in mei 2019 in dienst bij bedrijf 2 B.V. en meldde zich in februari 2024 ziek. Na 104 weken arbeidsongeschiktheid vroeg bedrijf 2 B.V. toestemming aan het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, welke op 6 augustus werd verleend. De arbeidsovereenkomst werd vervolgens per 1 oktober 2025 opgezegd.

Verzoekster vorderde een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van verweerder B.V., een verklaring voor recht omtrent re-integratieverplichtingen, inzicht in berekening van transitievergoeding en verlofsaldo, betaling van een vermeend tekort, proceskosten en een positief getuigschrift. Verweerder B.V. voerde verweer dat zij niet de werkgever is, maar bedrijf 2 B.V. de werkgever is, en dat verzoekster dus de verkeerde partij heeft betrokken.

De kantonrechter oordeelde dat verzoekster niet-ontvankelijk is omdat zij ondanks de geboden mogelijkheid tot herstel uitdrukkelijk aan de verkeerde partij vasthield. De arbeidsovereenkomst was immers gesloten en opgezegd door bedrijf 2 B.V., niet door verweerder B.V. De aansprakelijkheid voor een billijke vergoeding rust op de werkgever, niet op de bestuurder. De proceskosten van €1.009,00 worden aan verzoekster opgelegd en zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard omdat zij de verkeerde partij in rechte heeft betrokken en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11975934 \ ME VERZ 25-162
Beschikking van 25 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: J.H.M. Schepers
tegen
[verweerder] B.V.
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: [verweerder] B.V.,
gemachtigde: mr. C. Schimmel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 15 november 2025, gericht tegen [verweerder] B.V.
- het verweerschrift van 16 januari 2026, namens [bedrijf 1] B.V.
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 28 januari 2026, waar namens partijen pleitaantekeningen zijn overgelegd en voorgedragen, van het overige ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
1.2.
Aan het einde van de mondelinge behandeling is aan partijen meegedeeld dat vandaag de beschikking zal worden gegeven.

2.De beoordeling

De kern van de zaak
2.1.
Op 8 mei 2019 is [verzoekster] in dienst getreden bij [bedrijf 2] B.V., handelend onder de naam [handelsnaam] , in de functie van [functie] . [verzoekster] heeft zich op 15 februari 2024 ziekgemeld. Na 104 weken arbeidsongeschiktheid heeft [bedrijf 2] B.V bij het UWV toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst op te mogen zeggen (artikel 7:671a lid 1 Burgerlijk Wetboek). Deze toestemming is op 6 augustus door het UWV verleend, waarna [bedrijf 2] B.V bij brief van 22 augustus 2025 de arbeidsovereenkomst tegen 1 oktober 2025 heeft opgezegd.
2.2.
[verzoekster] verzoekt om een billijke vergoeding van € 11.030,73 op grond van artikel 7:682 lid 1 sub c BW Pro. Zij vindt dat [verweerder] B.V. bewust heeft aangestuurd op beëindiging van de arbeidsrelatie en ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Verder verzoekt [verzoekster] :
  • een, zoals de kantonrechter begrijpt, verklaring voor recht dat [verweerder] haar re-integratieverplichtingen bij ziekte heeft veronachtzaamd en als gevolg daarvan de verstoorde arbeidsrelatie heeft verslechterd en dat verweerster heeft nagelaten om te voorkomen dat verzoekster lang thuis zou zitten,
  • verstrekking van inzicht hoe de transitievergoeding en het openstaande verlofsaldo zijn berekend en welke factoren daarbij zijn gehanteerd;
  • uitbetaling van het verschil aan transitievergoeding en verlofsaldo dat te weinig aan verzoekster zouden zijn betaald;
  • betaling van de proceskosten;
  • afgifte van een positief getuigschrift.
[verzoekster] is niet-ontvankelijk in haar verzoek
2.3.
[bedrijf 1] B.V. voert het verweer dat [verzoekster] niet-ontvankelijk is in haar verzoek. [verweerder] B.V. is niet de werkgever van [verzoekster] , dat is [bedrijf 2] B.V. [verzoekster] heeft dus de verkeerde partij in rechte betrokken.
2.1.
Uit de door partijen overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel volgt het volgende. [bedrijf 2] B.V is ingeschreven onder KVK nummer 92147305. Enig aandeel houder en bestuurder van [bedrijf 2] B.V. is [verweerder] B.V. [bedrijf 1] B.V. is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder KVK nummer 73081973. Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] B.V. is [verweerder] B.V. Verweerder heeft (kennelijk) bedoeld verweer te voeren op naam van of namens [verweerder] B.V.
2.4.
Het niet-ontvankelijkheidverweer slaagt. Hoewel de deformalisering van het civiele procesrecht meebrengt dat onder omstandigheden een verkeerde partijaanduiding kan worden hersteld, bestaat daar in dit geval geen aanleiding voor. Er is hier namelijk geen sprake van een kennelijke verschrijving of vergissing. Ter zitting heeft de kantonrechter [verzoekster] voorgehouden dat uit de arbeidsovereenkomst en de loonstroken volgt dat [bedrijf 2] B.V als werkgever wordt genoemd en dus niet [verweerder] B.V. Besproken is dat mogelijk sprake is van een vergissing die voor herstel in aanmerking komt indien verweerder niet in haar belangen is geschaad. [verzoekster] meent desondanks dat zij de juiste partij in rechte heeft betrokken. In de ter zitting verstrekte toelichting stelt [verzoekster] :

Uit beide uittreksels blijkt onmiskenbaar dat [verweerder] B.V. enig aandeelhouder, enig bestuurder en alleen zelfstandig bevoegd was en is. Daarom is het verzoekschrift ook gericht tegen [verweerder] B.V. die de enige bestuurder is en statutair gevestigd is in [vestigingsplaats] . Bovenal omdat in een procedure de bestuurder moet worden aangeschreven omdat de bestuurder verantwoordelijk is voor alle acties en beslissingen die in de onderneming worden genomen”.
De gemachtigde heeft daarom op de mondelinge behandeling uitdrukkelijk vastgehouden aan [verweerder] B.V. als procespartij en toegelicht dat [verzoekster] wel ontvankelijk is in haar verzoek. In deze procedure moet volgens [verzoekster] enkel de bestuurder worden aangeschreven omdat de bestuurder verantwoordelijk is voor alle acties en beslissingen die in [bedrijf 2] B.V worden genomen. De stelling dat [verweerder] B.V. niet de werkgever is doet hier volgens [verzoekster] niets aan af. [verzoekster] voegt daar aan toe dat een werkgever als juridische entiteit niet aansprakelijk is voor het handelen van de bestuurder, deze aansprakelijkheid ligt geheel bij de bestuurder.
2.5.
De kantonrechter volgt [verzoekster] niet. [verweerder] B.V. is niet de werkgever van [verzoekster] . [bedrijf 2] B.V heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] gesloten en heeft de arbeidsovereenkomst, na verkregen toestemming van het UWV, ook opgezegd. [verzoekster] lijkt ook te miskennen dat een billijke vergoeding ten laste dient te komen van de werkgever, dit volgt uit artikel 7:682 lid 1 sub c BW Pro. Het toetsingskader is het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Het verzoek van [verzoekster] had dan ook gericht moeten zijn tegen haar werkgever, [bedrijf 2] B.V en niet tegen de bestuurder van [bedrijf 2] B.V , [verweerder] B.V.. Het aanspreken van een bestuurder in het kader van een arbeidsrechtelijke verzoekschriftprocedure is niet de aangewezen weg.
2.6.
De kantonrechter verklaart [verzoekster] dan ook niet-ontvankelijk in haar verzoek. Dit betekent dat de kantonrechter niet toekomt aan een verdere inhoudelijke behandeling van het verzoek.
Proceskosten
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekster] , omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verzoekster] aan [verweerder] B.V. moet betalen op € 865,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,00.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.De beslissing

De kantonrechter
2.2.
verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek,
2.3.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] B.V. begroot op € 1.009,00,
2.4.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.