ECLI:NL:RBMNE:2026:824

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/16/605913 / KL ZA 26-18
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:171 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning na beëindiging gebruiksovereenkomst met redelijke opzegtermijn

In deze kortgedingprocedure vordert eiseres de ontruiming van haar woning door gedaagde, die daar samen met haar minderjarige kind verblijft op basis van een gebruiksovereenkomst met de echtgenoot van eiseres. Gedaagde voert een niet-ontvankelijkheidsverweer en betwist de bevoegdheid van de voorzieningenrechter, maar dit wordt verworpen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen huurovereenkomst bestaat en dat de gebruiksovereenkomst door eiseres is beëindigd. Bij de beëindiging moet een redelijke opzegtermijn in acht worden genomen, waarbij de belangen van beide partijen worden afgewogen. Eiseres heeft meerdere verzoeken tot vertrek gedaan en stelt dat de situatie in huis problematisch is, mede vanwege haar minderjarige kinderen.

Gedaagde wijst op haar beperkte verblijfsduur in Nederland en het belang van haar vierjarige kind, en toont zich actief in het zoeken naar vervangende woonruimte. De rechter acht een termijn van twee maanden voor ontruiming redelijk en legt een dwangsom op van €500 per dag bij niet-nakoming. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familierechtelijke relatie tussen partijen.

Uitkomst: Gedaagde moet de woning uiterlijk binnen twee maanden ontruimen met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/605913 / KL ZA 26-18
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 24 februari 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. M.J. Koning,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A. Hussaini.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Lelystad.
De zaak wordt behandeld door mr. H.M.M. Steenberghe, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K.A.M. Derksen als griffier.
Aanwezig zijn:
- mevrouw [eiseres] met mr. Koning,
- mevr. [gedaagde] met mr. H.J.J. Hendrikse (namens mr. Hussaini),
- dhr. [persoon] , echtgenoot van [eiseres] ,
- de schrijvende pers.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de voorzieningenrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De beoordeling

1.1.
Voor de beoordeling van de zaak is van belang het door [gedaagde] gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer. Dat verweer gaat niet op vanwege artikel 3:171 BW Pro. Daarin staat dat een deelgenoot op eigen naam een rechtsvordering kan instellen ter verkrijging van een uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Daarvan is in dit geval sprake.
1.2.
Voorts dient beoordeeld te worden of [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Daarvoor dienen de aard en inhoud van de vordering in acht te worden genomen. Die aard betreft het beëindigen van een volgens [eiseres] onhoudbare situatie in huis. De inhoud van de vordering strekt ertoe om daaraan een eind te maken. Dit brengt reeds een voldoende spoedeisend belang van [eiseres] met zich.
1.3.
[gedaagde] heeft de vraag opgeworpen of de kantonrechter bevoegd is in plaats van de voorzieningenrechter. Het antwoord op die vraag is dat de voorzieningenrechter bevoegd is om van de onderhavige vorderingen kennis te nemen, mede omdat niet gebleken is van een vordering betrekkelijk tot huur. Er zijn geen feiten gebleken die wijzen op het bestaan van een huurovereenkomst op basis waarvan [gedaagde] als huurder tot het gebruik van de woning gerechtigd is.
1.4.
[gedaagde] heeft ook betoogd dat het onderhavige geschil verband houdt met een echtscheiding waarin [eiseres] en haar echtgenoot [persoon] thans verwikkeld zijn. Tevens heeft zij betoogd dat de mogelijkheid bestaat dat de woning aan [persoon] kan worden toegewezen. Deze omstandigheden brengen niet een zodanig gecompliceerd zijn van het geschil met zich dat de beoordeling zich niet voor een kort geding zou lenen.
1.5.
Voor de inhoudelijke beoordeling van de vordering acht de voorzieningenrechter van belang dat er sprake is van een gebruiksovereenkomst tussen [persoon] en [gedaagde] op grond waarvan [gedaagde] samen met haar minderjarige kind reeds sedert 8 augustus 2024 in de woning verblijft. De wens van [eiseres] om aan dat gebruik, wat zij aanvankelijk heeft gedoogd, een einde te maken vat de voorzieningenrechter op als een beëindiging van die overeenkomst door haar. Daartoe is zij gerechtigd.
1.6.
Het beëindigen van een gebruiksovereenkomst als de onderhavige dient te geschieden met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid. Dit betekent dat bij de beëindiging een redelijke opzegtermijn in acht moet worden genomen. De kern van het debat betreft de vraag welke termijn redelijk is.
1.7.
Voor de vaststelling van de redelijke termijn dienen de belangen van [eiseres] en van [gedaagde] tegen elkaar te worden afgewogen. Wat betreft de belangen van [eiseres] zijn dat de volgende. De gebruiksovereenkomst draagt van aanvang af een tijdelijk karakter. Hoewel die overeenkomst zonder instemming van [eiseres] gesloten is, heeft zij het verblijf gedoogd. [eiseres] heeft meer dan eens [gedaagde] verzocht de woning te verlaten, te weten bij brief van 18 augustus 2025 en bij brief van haar advocaat van 19 december 2025.
Ten slotte is van belang dat [eiseres] ter zitting in voldoende mate heeft aangetoond dat de situatie in huis problematisch is en ontwrichtend werkt. Mede in het belang van haar twee minderjarige kinderen acht zij herstel van de rust in huis van belang. Wat betreft de belangen van [gedaagde] is het volgende relevant. Zij heeft erop gewezen dat zij nog niet in aanmerking komt voor een urgentie omdat zij nog geen twee jaar in Nederland verblijft. Zij heeft ook gewezen op het belang van haar vierjarig kind. Volgens haar hoeft de situatie in huis niet problematisch te zijn. Van haar zijde doet zij haar best in het huishouden. Tevens heeft zij erop gewezen bezichtigingen te hebben met het oog op vervangende woonruimte. De voorzieningenrechter begrijpt dat aldus dat [gedaagde] zich inspant om passende woonruimte te verkrijgen en in dat kader voor bezichtigingen in aanmerking komt.
1.8.
De afweging van deze belangen brengt met zich dat een termijn voor ontruiming van twee maanden redelijk wordt geacht. Dit betekent dat [gedaagde] veroordeeld zal worden om uiterlijk op 25 april 2026 de woning te verlaten, te ontruimen en de sleutels daarvan te overhandigen aan [eiseres] . De verplichting tot ontruiming zal worden verzwaard met een dwangsom van €500,- voor iedere dag ná 25 april 2026 dat [gedaagde] haar verplichting tot ontruiming niet nakomt. Hoewel de vordering wordt toegewezen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, mede omdat aan [gedaagde] een ontruimingstermijn wordt gegeven en er tot op zekere hoogte sprake is van een familierechtelijke betrekking tussen partijen. [gedaagde] is immers het nichtje van [persoon] .
1.9.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter
2.1.
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk op 25 april 2025 de woning aan de [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiseres] ,
2.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,00 is bereikt,
2.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
2.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
2.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.