ECLI:NL:RBMNE:2026:82

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
11970980 \ UV EXPL 25-292
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot vaststelling van de omvang van een betalingsverplichting in het kader van een deurwaardersrenvooi na echtscheiding

In deze zaak heeft de deurwaarder Machlon Gideon Orie, verbonden aan het kantoor Orie Gerechtsdeurwaarders en Adviseurs, een deurwaardersrenvooi ingediend om de omvang van een vordering vast te stellen die voortvloeit uit een eerder verkort proces-verbaal van 23 februari 2024. Dit proces-verbaal betreft afspraken tussen eiseres en gedaagde over de verdeling van de voormalige echtelijke woning na hun echtscheiding. Eiseres heeft de deurwaarder ingeschakeld om de afspraken uit het proces-verbaal ten uitvoer te leggen, maar de deurwaarder stuitte op een bezwaar van gedaagde, die stelde dat hij al een deel van de vordering had voldaan.

De rechtbank heeft op 7 januari 2026 uitspraak gedaan in deze kort geding procedure. Eiseres en gedaagde zijn gescheiden en hebben in een convenant afspraken gemaakt over de financiële gevolgen van hun echtscheiding. De deurwaarder heeft aangegeven dat het onduidelijk is welk bedrag gedaagde nog aan eiseres moet betalen. De rechtbank heeft vastgesteld dat gedaagde op basis van het verkort proces-verbaal € 20.000,00 aan eiseres verschuldigd is, waarvan hij slechts € 6,66 heeft betaald. De deurwaarder is gemachtigd om tot executie van de betalingsvordering over te gaan.

De rechtbank heeft ook de proceskosten aan gedaagde opgelegd, omdat hij als de in het ongelijk gestelde partij werd beschouwd. De totale proceskosten zijn vastgesteld op € 1.681,00, inclusief griffierecht en salaris van de gemachtigde. De rechtbank heeft bepaald dat gedaagde deze kosten binnen veertien dagen na aanschrijving moet betalen, en dat hij ook de kosten van betekening moet vergoeden indien hij niet tijdig aan de veroordeling voldoet.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11970980 \ UV EXPL 25-292 RvdH/1037
Vonnis in kort geding van 7 januari 2026
in de zaak die door
Machlon Gideon ORIE, als gerechtsdeurwaarder verbonden aan het kantoor ORIE GERECHTSDEURWAARDERS EN ADVISEURS,
gevestigd in Amersfoort,
optredend als executerend deurwaarder,
op grond van artikel 438 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aanhangig is gemaakt tussen
[eiseres] ,
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. N.R. Coffi,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Bij proces-verbaal van 11 november 2025 heeft de deurwaarder een deurwaardersrenvooi aanhangig gemaakt. De deurwaarder geeft aan dat hij bij de executie van het verkort proces-verbaal van mondelinge behandeling van 23 februari 2024 van deze rechtbank (met zaaknummer C/16/546161 HA ZA 22-519) op een bezwaar is gestuit.
1.2.
De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de zitting verzocht om nadere stukken. Mr. Coffi heeft op 15 december 2025 de akte van verdeling en levering en de bijbehorende nota van afrekening van de notaris van 8 maart 2024 overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het dossier dat hoort bij de procedure die heeft geleid tot het eerdergenoemde verkort proces-verbaal.
1.4.
Op 16 december 2025 vond de mondelinge behandeling plaats. Verschenen zijn: de deurwaarder, [gedaagde] en [eiseres] met haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.5.
De rechter heeft geprobeerd partijen te bewegen tot een oplossing, maar dat is niet gelukt. De kantonrechter heeft hierna besloten dat de uitspraak vandaag is.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] en [gedaagde] zijn gescheiden. Over de (financiële) gevolgen van de echtscheiding hebben zij afspraken gemaakt in een convenant. Daarna is [eiseres] een procedure tegen [gedaagde] gestart over de verdeling van de voormalige echtelijke woning. Om een einde aan die procedure te maken, hebben partijen afspraken gemaakt. Die zijn vastgelegd in een verkort proces-verbaal van 23 februari 2024. [eiseres] heeft de deurwaarder ingeschakeld om dat proces-verbaal ten uitvoer te leggen. [gedaagde] zou op basis daarvan nog een bedrag aan [eiseres] moeten betalen. Volgens de deurwaarder is het niet duidelijk welk bedrag [gedaagde] moet betalen. De rechtbank stelt dat in deze procedure vast.

3.De beoordeling

3.1.
De deurwaarder verklaart dat hij bij de tenuitvoerlegging op het bezwaar stuit dat door [eiseres] een beroep wordt gedaan op zijn ministerieplicht met als doel de executie op te pakken, terwijl [gedaagde] stelt dat hij al een aanzienlijk deel van de vordering heeft voldaan.
De afspraken over de verdeling van de woning en beleggingen
3.2.
Voor deze procedure zijn de volgende uit afspraken uit het verkort proces-verbaal van 23 februari 2024 relevant:
  • [gedaagde] zou [eiseres] uitkopen uit de voormalige echtelijke woning. Daarvoor zou [gedaagde] € 140.000,00 aan [eiseres] betalen: € 120.000,00 bij de levering van de woning aan [gedaagde] en € 20.000,00 giraal, in zes maandelijkse termijnen te starten vanaf de datum van de levering van de woning.
  • Er is een beleggingsrekening bij SNS (SNS * [rekeningnummer] ) verbonden aan de hypotheek. De waarde daarvan komt voor 2/3e deel toe aan [gedaagde] en voor 1/3e deel aan [eiseres] . [gedaagde] heeft zich verplicht ervoor te zorgen dat 1/3e deel van het bij de levering aanwezige saldo aan [eiseres] wordt voldaan.
  • Er is een polis bij Reaal ( [nummer] ). De rechten van deze polis worden bij de levering van de woning toebedeeld aan [gedaagde] , onder de verplichting om aan [eiseres] te voldoen de helft van de waarde
3.3.
De woning is op 8 maart 2024 aan [gedaagde] geleverd. [gedaagde] heeft na de afrekening bij de notaris van € 6,66 aan [eiseres] betaald. [gedaagde] stelt dat [eiseres] anderszins al is betaald, zodat hij niet meer het volledige bedrag van € 20.000,00 hoeft te voldoen. De rechtbank gaat hierna in op de stellingen van [gedaagde] .
De verdeling van de SNS beleggingsrekening (1/3e – 2/3e)
3.4.
[gedaagde] stelt dat [eiseres] 50% heeft gekregen van de SNS beleggingsrekening, in plaats van 1/3e deel. [gedaagde] heeft deze stelling niet onderbouwd.
3.5.
Daar komt bij dat uit de afrekening van de notaris blijkt dat 1/3e deel van de waarde per datum levering (€ 9.724,26/3= € 3.241,42) aan [eiseres] is toegekomen. Deze afspraak uit het proces-verbaal is dus op de juiste manier verwerkt in de afrekening.
De verdeling van de Reaal polis (50-50 minus betalingen polis)
3.6.
[gedaagde] stelt dat [eiseres] € 8.343,05 te veel heeft gekregen van de Reaal polis, omdat is uitgegaan van een waarde van € 62.953,60 (de waarde per datum levering), in plaats van de waarde in 2019 (€ 46.265,90).
3.7.
De rechtbank stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat de verdeling plaatsvindt op basis van de waarde op het moment van de levering. De notaris heeft die waarde verwerkt in de afrekening. De notaris heeft ook rekening gehouden met de door [gedaagde] betaalde premies: bij het opstellen van de eindafrekening is aan [eiseres] niet de helft van de waarde (€ 31.476,80) toegekend, maar minder, namelijk € 26.344,76.
3.8.
[gedaagde] heeft uit brieven van Reaal begrepen dat [eiseres] wel de helft van de waarde heeft ontvangen. Dat staat namelijk op de opgave van de Belastingdienst die hij heeft ontvangen van Reaal. Die opgave is echter geen weergave van wat Reaal aan [eiseres] heeft betaald. Reaal heeft namelijk aan [gedaagde] laten weten dat zij het totaalbedrag heeft gestort bij de SNS bank. De rechtbank begrijpt dat dit is gebeurd in het kader van de financiering van het bedrag waarvoor [gedaagde] , conform de gemaakte afspraken, [eiseres] heeft uitgekocht. Het door Reaal betaalde bedrag is dus op deze manier in zijn geheel aan [gedaagde] betaald onder de verplichting daarvan de helft, minus de helft van de door hem betaalde premies na de echtscheiding, aan [eiseres] te betalen. De notaris heeft ervoor gezorgd dat dit ook zo is afgehandeld [gedaagde] kan dit als hij daar nog aan twijfelt door zijn boekhouder laten nakijken.
De afspraken tussen partijen zijn door de notaris verwerkt bij de afrekening
3.9.
De afspraken uit het verkort proces-verbaal zijn dus correct verwerkt in de akte van verdeling en levering. Op basis van die akte moest [gedaagde] aan [eiseres] betalen:
  • € 140.000,00 voor de uitkoop;
  • € 3.341,42 voor de SNS beleggingsrekening;
  • € 26.344,76 voor de Reaal polis;
Totaal € 169.586,18.
3.10.
Volgens de nota van afrekening heeft [eiseres] als vergoeding wegens overbedeling € 149.586,18 ontvangen na de levering van de woning. Dat betekent dat [gedaagde] nog € 20.000,00 (€ 169.586,18 -/- € 149.586,18) moet betalen aan [eiseres] . [gedaagde] heeft daarvan € 6,66 betaald.
[gedaagde] kan geen beroep doen op verrekening
3.11.
[gedaagde] stelt dat hij [eiseres] in september 2019 € 5.000,00 contant geld heeft geleend. [eiseres] had dat geld volgens [gedaagde] nodig om haar huis in te richten en om een andere auto te kopen. [gedaagde] stelt dat [eiseres] het bedrag nooit heeft terugbetaald. [gedaagde] heeft zijn stelling niet onderbouwd. Hij wil echter wel dat er € 5.000,00 in mindering strekt op zijn betalingsverplichting richting [eiseres] . [eiseres] betwist dat zij geld heeft geleend van [gedaagde] . Zij erkent dat zij in die periode € 5.000,00 van [gedaagde] heeft ontvangen, maar dat was volgens haar een vergoeding die volgde uit de financiële afwikkeling van hun gemeenschappelijke onderneming (een vof).
3.12.
[gedaagde] wil het bedrag van € 5.000,00 verrekenen met het bedrag dat hij volgens de afspraken uit het verkort proces-verbaal moet betalen. Dit bedrag komt niet voor in het echtscheidingsconvenant dat partijen hebben getekend en ook niet in het verkort proces-verbaal. Uit de inhoud van de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt van de mondelinge behandeling van 23 februari 2024 blijkt niet dat dit bedrag in de betreffende procedure aan de orde is geweest. Het komt er dus kennelijk op neer dat dit een betaling is geweest waarover partijen nog geen bindende afspraken hebben gemaakt.
3.13.
De rechter heeft geprobeerd om tijdens de mondelinge behandeling te bekijken of [eiseres] bereid was afspraken over dit door haar ontvangen bedrag van € 5.000,00 met [gedaagde] te maken. De raadsman van [eiseres] zag daarvoor echter geen noodzaak en ruimte. Kennelijk mede omdat hij ervan uitgaat dat partijen finale afspraken met elkaar hebben gemaakt in het verkort proces-verbaal dat hij ten uitvoer gelegd wil zien. Of partijen alles wat tussen heb heeft gespeeld inderdaad hebben afgewikkeld kan de rechtbank niet overzien. En of [eiseres] wel of niet dit door haar ontvangen bedrag moet terugbetalen, kan de rechtbank niet eenvoudig vaststellen.
3.14.
Volgens [eiseres] is de betaling gedaan in het kader van de afwikkeling van het aandeel van [eiseres] in de vennootschap onder firma (vof) die [gedaagde] met haar dreef. Om helder te krijgen wat partijen over en weer van elkaar te vorderen hebben vanuit de vof die ze hebben gehad, zou de afwikkeling van de vof moeten worden bekeken en daarvoor is in een procedure als deze geen ruimte. Het gaat hier namelijk om een tenuitvoerlegging van een titel die in een eerdere rechterlijke procedure is verkregen. Partijen hebben in het verkort proces-verbaal bindend met elkaar afgesproken wat [gedaagde] nog moet betalen. De enige vraag die de rechtbank kan beantwoorden is dus of [gedaagde] al betaald heeft. Dat kan het geval zijn als [gedaagde] nog een onbetwistbare opeisbare vordering heeft op [eiseres] en [eiseres] ondanks een ingebrekestelling die heeft geweigerd te betalen. In dat geval zou [gedaagde] namelijk kunnen verrekenen. Op dit moment is echter duidelijk dat [eiseres] het niet eens is met de vordering van € 5.000,00 die [gedaagde] nog meent op haar te hebben. Dat betekent dat de rechtbank er niet van uit kan gaan dat [gedaagde] nog € 5.000,00 te vorderen heeft van [eiseres] en dat [gedaagde] dit bedrag dus niet zomaar kan verrekenen met het bedrag dat hij nog moet betalen aan [eiseres] .
Conclusie
3.15.
[gedaagde] is op basis van het verkort proces-verbaal van 23 februari 2024 € 20.000,00 aan [eiseres] verschuldigd. Hij heeft daarvan € 6,66 betaald, waardoor een vordering van € 19.993,34 resteert. De titel van het verkort proces-verbaal van 23 februari 2024 geeft de deurwaarder het recht om tot executie van de betalingsvordering ter grootte van € 19.993,34 (plus kosten voor betekening van de titel) over te gaan.
De proceskosten
3.16.
De rechtbank is van oordeel dat de deurwaarder zijn bevoegdheid om een deurwaardersrenvooi in te stellen niet nodeloos heeft uitgeoefend, zodat geen aanleiding bestaat om hem in de kosten te veroordelen. Hierbij weegt de kantonrechter mee dat er sprake is van een ernstig verstoorde verhouding tussen partijen en dat [gedaagde] met een zekere mate van stelligheid tegenover de deurwaarder bleef beweren dat hij niet dan wel minder hoefde te betalen.
3.17.
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten [eiseres] , waaronder de kosten die de deurwaarder voor haar heeft gemaakt om deze procedure aanhangig te maken. Deze kosten worden begroot op:
  • griffierecht € 732,00
  • salaris gemachtigde € 814,00 (tarief voor gemiddeld kanton kort geding)
  • nakosten € 135,00 (plus de kosten als gemeld in de beslissing)
totaal € 1.681,00

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
bepaalt dat de titel van het verkort proces-verbaal van 23 februari 2024 de deurwaarder legitimeert om tot executie van de betalingsvordering ter grootte van € 19.993,34 (plus kosten voor betekening van de titel) over te gaan,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.681,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en dit vonnis daarna wordt betekend, moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.