ECLI:NL:RBMNE:2026:812

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/16/600972 / HL ZA 25-269
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Brussel I bis-verordening (1215/2012)Art. 4 Brussel I bis-verordening (1215/2012)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over verkoop onroerend goed in Spanje

In deze zaak vordert eiser dat de rechtbank verklaart dat gedaagde onbevoegd en onrechtmatig heeft gehandeld door zonder geldig bestuursbesluit een onroerend goed in Spanje te verkopen. Gedaagde stelt in een incidentele vordering dat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren omdat de exclusieve bevoegdheid bij de Spaanse rechter ligt op grond van artikel 24 van Pro de Brussel I bis-verordening.

De rechtbank overweegt dat artikel 24 lid 1 van Pro deze verordening bepaalt dat voor geschillen over zakelijke rechten op onroerende zaken uitsluitend de rechter van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen bevoegd is. De vordering van eiser raakt direct aan de eigendom en geldigheid van rechten op het Spaanse onroerend goed, waardoor de Spaanse rechter exclusief bevoegd is.

De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd om van de hoofdvordering kennis te nemen en wijst de incidentele vordering van gedaagde toe. Gezien de familiebanden tussen partijen worden de proceskosten gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitgesproken op 18 februari 2026 door rechter G.J. Baken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en wijst de incidentele vordering toe dat uitsluitend de Spaanse rechter bevoegd is.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/600972 / HL ZA 25-269
Vonnis in incident van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser (voornaam)] ,
thans procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde (voornaam)] ,
advocaat: mr. W.M. van Agt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord tevens incidentele eis.
- de e-mail van 7 januari 2026 waarin mr. [A] aangeeft zich te onttrekken als advocaat van [eiser (voornaam)] ;
- de akte overlegging productie namens [gedaagde (voornaam)] , ingekomen op 12 februari 2026.
1.2.
[eiser (voornaam)] is in de gelegenheid gesteld om op 21 januari 2026 schriftelijk te reageren op het door [gedaagde (voornaam)] opgeworpen incident. [eiser (voornaam)] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. De door [gedaagde (voornaam)] genomen akte op 12 februari 2026 houdt geen verband met het opgeworpen incident.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De kern van de zaak

In de hoofdzaak
2.1.
[gedaagde (voornaam)] en [eiser (voornaam)] zijn vader en zoon en maken, samen met een tweede zoon van [gedaagde (voornaam)] en broer van [eiser (voornaam)] , deel uit van het bestuur van de Stichting Administratiekantoor [.] (hierna: ‘de STAK’). [eiser (voornaam)] stelt dat [gedaagde (voornaam)] zonder rechtsgeldig bestuursbesluit en in strijd met de gezamenlijke vertegenwoordigingsbevoegdheid en de besluitvormingsregels van de statuten een onroerend goed in Spanje verkoopt. Daarom vordert [eiser (voornaam)] dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde (voornaam)] onbevoegd en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Ook vordert [eiser (voornaam)] dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde (voornaam)] toerekenbaar tekort is geschoten in de op hem uit hoofde van de notariële akte rustende verplichtingen en dientengevolge aansprakelijk is jegens [eiser (voornaam)] voor alle door hem geleden en nog te lijden schade.
In het incident
2.2.
[gedaagde (voornaam)] vordert in incident dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart omdat volgens hem de exclusieve bevoegdheid bij de Spaanse rechter ligt. Hij baseert zich op artikel 24, aanhef en onder 1, van de Brussel I-bis Verordening (1215/2012), dat bepaalt dat voor zakelijke rechten op onroerende zaken alleen de rechter van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen bevoegd is. De vorderingen van [eiser (voornaam)] betreffen volgens [gedaagde (voornaam)] namelijk in feite de levering en eigendom van een in Spanje gelegen onroerende zaak. [gedaagde (voornaam)] wijst erop dat [eiser (voornaam)] de nietigheid van een rechtshandeling betwist, welke rechtsvordering werking heeft tegenover iedereen en directe invloed heeft op de eigendomssituatie. Op grond daarvan meent [gedaagde (voornaam)] dat uitsluitend de Spaanse rechter bevoegd is en dat de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren. [eiser (voornaam)] heeft geen verweer gevoerd tegen de incidentele vordering.

3.De beoordeling in incident

De rechtbank is onbevoegd
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat de vraag welke rechter bevoegd is, moet worden beantwoord aan de hand van de Brussel I bis-verordening (Verordening (EU) nr. 1215/2012). Deze verordening is in de onderhavige zaak materieel, formeel en temporeel van toepassing.
3.2.
Artikel 24, lid 1, van de Brussel I bis-verordening bepaalt dat, ongeacht de woonplaats van partijen, de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen bij uitsluiting bevoegd zijn voor geschillen betreffende zakelijke rechten op onroerende goederen.
3.3.
De rechtbank benadrukt dat artikel 24 een Pro uitzondering vormt op de hoofdregel in artikel 4 van Pro de verordening, die de bevoegdheid toekent aan de gerechten van de lidstaat waar de gedaagde woonplaats heeft. Deze uitzondering is gerechtvaardigd door het nauwe verband tussen het geschil en de lidstaat waarin het onroerende goed gelegen is. Volgens vaste rechtspraak moet artikel 24 restrictief Pro worden uitgelegd en niet ruimer dan het doel vereist. De vordering moet primair gebaseerd zijn op een zakelijk recht. Dit betekent dat de vordering ertoe moet strekken de omvang, hoedanigheid, eigendom, het bezit of het bestaan van een zakelijk recht op een onroerend goed vast te stellen.
3.4.
In deze zaak betreft de vordering van [eiser (voornaam)] niet slechts de vraag of gedaagde heeft gehandeld in strijd met de statutaire bepalingen van de STAK, maar ook de fundamentele vraag of het economisch eigendom van het onroerend goed in Spanje bij de STAK ligt. [eiser (voornaam)] stelt dat het onroerend goed als economisch eigendom binnen de STAK is ingebracht, terwijl [gedaagde (voornaam)] betwist dat de levering van het economisch eigendom op grond van het Spaans recht geldig is.
3.5.
De vordering van eiser is gericht op het toetsen van de geldigheid van de levering en andere rechtshandelingen aan de statuten en notariële akten. Deze toetsing raakt direct het zakelijk recht op het onroerend goed in Spanje, omdat de (economische) eigendomsverhoudingen en het daaraan verbonden recht op het registergoed centraal staan.
3.6.
Gezien het belang van deze zakelijke rechten en het feit dat de rechtsvordering gericht is op het vaststellen van de omvang en geldigheid van deze rechten, valt de vordering onder artikel 24 lid 1 van Pro de Brussel I bis-verordening. Dit betekent dat de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen, namelijk Spanje, exclusief bevoegd zijn om van deze vordering kennis te nemen.
3.7.
Deze rechtbank is onbevoegd om van het geschil kennis te nemen. De incidentele vordering wordt dan ook toegewezen.
3.8.
Gelet op de familierechtelijke banden tussen partijen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident en in de hoofdzaak
4.1.
verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,
4.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door G.J. Baken, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 18 februari 2026.