De zaak betreft een geschil tussen twee verhuurders en een huurder over een huurachterstand en de gevolgen daarvan. De huurder had sinds eind 2023 de huur niet betaald, waardoor een aanzienlijke achterstand was ontstaan. Tijdens een mondelinge behandeling op 10 december 2025 maakten partijen afspraken over het inlopen van de huurachterstand, welke de huurder is nagekomen.
Na betaling van de achterstand erkenden de verhuurders dat de woning niet meer ernstig vervuild was en dat er geen gevaarzetting meer bestond. Hierdoor was ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd. De kantonrechter oordeelde dat de vorderingen tot ontbinding en ontruiming daarom afgewezen moesten worden.
Hoewel de huurder niet het voorgestelde depot van € 2.000,- heeft betaald, werd dit niet als tekortkoming gezien. De huurder werd wel gewaarschuwd dat bij een nieuwe huurachterstand een volgende procedure tot ontbinding en ontruiming mogelijk wel toegewezen kan worden.
De proceskosten tot en met de mondelinge behandeling zijn voldaan door de huurder, en verder draagt iedere partij haar eigen kosten. Het vonnis werd op 18 februari 2026 uitgesproken.