ECLI:NL:RBMNE:2026:804

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
605735 JE RK 26-93
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:250 BWArt. 1:265g lid 1 BWArt. 1:265g lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling voorlopige zorgregeling en plaatsing kinderen bij vader in ondertoezichtstelling

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedtaken van twee minderjarige kinderen die onder toezicht zijn gesteld. De kinderen wonen bij de moeder, maar de GI verzoekt om de voorlopige plaatsing bij de vader voor te bereiden en uit te voeren met passende hulpverlening.

Tijdens de zitting op 5 februari 2026 waren de ouders, hun advocaten, vertegenwoordigers van de GI, Spoor030 en de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig. De kinderen hebben schriftelijk hun mening gegeven. De vader en moeder hebben zelfstandige verzoeken ingediend, die door de kinderrechter niet-ontvankelijk of afgewezen zijn.

De voorzieningenrechter heeft in een kortgedingprocedure de kinderen per 9 maart 2026 voorlopig aan de vader toevertrouwd, met de opdracht aan de GI een plan op te stellen en uit te voeren voor een goede voorbereiding en intensieve hulpverlening. De kinderrechter legt de uitvoering van de zorgregeling tussen de kinderen en de moeder in handen van de GI, die zelfstandig contactmomenten mag bepalen.

De kinderrechter wijst de zelfstandige verzoeken van vader en moeder af of verklaart deze niet-ontvankelijk. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen de eindbeslissing is hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter draagt de GI op de voorlopige plaatsing van de kinderen bij de vader voor te bereiden en uit te voeren met passende hulpverlening en legt de zorgregeling tussen kinderen en moeder in handen van de GI.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/605735 / JE RK 26-93
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND, de GI,
gevestigd in Utrecht,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] , en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder], de moeder,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. P.J. van de Pol,
[vader], de vader,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. J. van Vonderen-Jagersma.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoek van de GI tot wijzigen van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken op grond van artikel 1:265g lid 1 BW, met vier bijlagen;
  • het visie-stuk van de GI met zestien (ongenummerde) bijlagen;
  • het verweerschrift met bijlagen 15 tot en met 21 van de vader met zelfstandige verzoeken;
  • het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 3 van de moeder met zelfstandige verzoeken.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vader met zijn advocaat;
  • namens de GI: [A] , [B] en [C] ;
  • namens Spoor030: [D] en [E] , bijgestaan door de advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • W. Wichelo namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.3.
Tijdens de zitting is gelijktijdig de kortgedingprocedure behandeld (zaaknummer 605681 KG ZA 26-20).
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben een brief gestuurd.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar getrouwd geweest en hebben samen het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wonen bij de moeder.
2.2.
De kinderen zijn onder toezicht gesteld. De gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland voert de ondertoezichtstelling uit.
2.3.
Bij beschikking van 15 augustus 2025 heeft de rechtbank de volgende zorgregeling vastgesteld:
[minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven elke vrijdag uit school tot het avondeten bij de vader thuis. Dit wordt binnen een halfjaar onder regie van de GI opgebouwd naar een week-op-week-afregeling, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op vrijdag uit school.
2.4.
De GI heeft op 30 oktober 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . De kinderrechter heeft deze schriftelijke aanwijzing op 9 december 2025 bekrachtigd. In de schriftelijke aanwijzing is het volgende opgenomen:
“- Je bent aanwezig bij het startmoment (zolang Spoor030 dit in het belang van de kinderen acht) om van daaruit samen met Spoor030 de kinderen te begeleiden naar de omgangslocatie.
- Je hebt met Spoor030 wekelijks een vast moment voor een hulpverleningsgesprek ruim voor de omgang. Het is belangrijk dat de hulpverleningsgesprekken een op een met jou plaatsvinden. Een vertrouwenspersoon kan hierbij niet aanwezig zijn. Je komt deze afspraak na. Mocht je onverhoopt verhinderd zijn, neem je het initiatief om de afspraak op een haalbaar tijdstip in dezelfde week door te laten gaan.
- Je komt de zorgregeling na zoals door de rechtbank is vastgelegd in de beschikking van 15 augustus 2025.”
2.5.
Tussen de vader en de kinderen is sinds 10 april 2022 geen contact meer op drie contactmomenten onder begeleiding van de hulpverlening na.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt op grond van artikel 1:265g lid 1 BW de verdeling van de zorg- en opvoedtaken als volgt te wijzigen in de zin dat de GI de regie voert op het proces van contactherstel tussen vader en de kinderen, waarbij de GI handelt op het advies van de behandelaren van Spoor030. Dit betekent dat er zorgvuldig bekeken wordt hoe toegewerkt kan worden naar een contactmoment in samenspraak met de (trauma)behandelaar. Vervolgens kan geobserveerd worden hoe de kinderen op dit contactmoment reageren en hoe de mogelijke vervolgcontacten vormgegeven kunnen worden.
3.2.
De vader wil dat de rechtbank de GI niet-ontvankelijk verklaart in het verzoek dan wel het verzoek van de GI af te wijzen. De vader vraagt verder bij wege van zelfstandig verzoek:
  • te bepalen dat Youké binnen 48 uur start met deel 2 (B) van het contacthersteltraject, hetgeen door de GI en Spoor030 dient te worden gefaciliteerd zonder enige voorwaarde, dan wel een door uw rechtbank te formuleren instructie voor het inzetten van het traject van Youké en een dwangsom te bepalen van € 1.000,- voor elke dag dat de GI in gebreke blijft opdracht te geven dit traject bij Youké te laten starten en gedurende het traject de voorwaarden (waaronder een machtiging uithuisplaatsing te verzoeken) te faciliteren, met een maximum van € 50.000,-, dan wel een door uw rechtbank te bepalen dwangsom per dag met een door u te bepalen maximum in goede justitie te bepalen.
  • te bepalen dat de kinderen in de dag/week dat ze bij moeder horen te verblijven volgens de beschikking van 15 augustus 2025 bij vader verblijven, met begeleide omgang voor moeder volgens de instructie van Youké conform het traject B, dan wel subsidiair te bepalen dat de omgangsregeling van 15 augustus 2025 dient te worden gevolgd waarbij zowel primair als subsidiair door uw rechtbank wordt bepaald dat er een dwangsom wordt opgelegd van € 1.000,- per dag voor ieder contactmoment dat volgens de beschikking van 15 augustus 2025 niet wordt nagekomen door moeder en de GI met een maximum van € 50.000,-, dan wel een door uw rechtbank te bepalen dwangsom per dag met een door u te bepalen maximum in goede justitie te bepalen.
  • De kosten voor de procedure en de voorlopige voorziening dienen als zijnde kosten rechtens aan moeder te worden toegerekend volgens het liquidatietarief als in het ongelijk gestelde partij.
3.3.
De moeder wil ook dat de rechtbank het verzoek van de GI afwijst. De moeder vraagt verder bij wege van zelfstandig verzoek te bepalen dat:
  • primair een NIFP onderzoek wordt gedaan waarin de volgende vragen met betrekking tot de ontwikkeling van de kinderen, hun opvoedsituatie als ook de onderwerpen gezag en omgang worden beantwoord subsidiair een Verklarende Analyse van Molendrift wordt afgenomen.
  • twee afzonderlijke bijzondere curatoren worden benoemd voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .

4.De beoordeling

4.1.
In de kortgedingprocedure heeft de voorzieningenrechter [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met ingang van 9 maart 2026 voorlopig aan de vader toevertrouwd. De voorzieningenrechter heeft daarbij overwogen dat dit niet makkelijk zal zijn en dat rekening moet worden gehouden met grote weerstand bij de kinderen. De voorzieningenrechter heeft verder overwogen:
Daarom is een goede voorbereiding noodzakelijk. De vader moet ervoor zorgen dat hij (en zijn partner) beschikbaar is en er moet intensieve hulpverlening worden ingezet. Ook moeten [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar school, waarbij bedacht moet worden dat de moeder werkzaam is op de school van [minderjarige 1] . Om dit in goede banen te leiden, zal de voorzieningenrechter de voorlopige toevertrouwing bij de vader laten ingaan per 9 maart 2026 en de GI opdracht geven hier een plan voor op te stellen en uit te voeren. In de OTS-zaak met nummer 605735 JE RK 26-93 is die opdracht verder uitgewerkt.
4.2.
De kinderrechter geeft aan de GI opdracht een plan om te stellen om de voorlopige toevertrouwing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] aan de vader in goede banen te leiden. Daarbij moet de GI de ouders en de kinderen voorbereiden op het gegeven dat de kinderen voorlopig bij de vader gaan wonen. De GI moet daarnaast hulpverlening organiseren voor de kinderen, de vader en de moeder. Voor de kinderen en de vader kan gedacht worden aan intensieve thuisbegeleiding, zoals Youké heeft voorgesteld in het ‘plan van aanpak kinderen [familienaam] ’. Youké beschrijft daar dat zij via een intensieve observatie, gecombineerd met betrokken hulpverlening direct drie tot vier keer per week thuisbegeleiding kan bieden in de eerste weken.
4.3.
De GI moet ook samen met de vader bedenken hoe de kinderen naar school kunnen. De kinderrechter kan zich voorstellen dat de GI ook contact opneemt met de school van [minderjarige 1] om met de schoolleiding af te stemmen hoe het veilig kan zijn voor [minderjarige 1] op school omdat haar moeder hier werkzaam is. Ook zal er een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen moeten komen. De kinderrechter kan nu niet inschatten of het in het belang van de kinderen (en het slagen van dit traject) is als de kinderen direct weer (enige vorm van) contact met de moeder hebben of dat het beter is als de kinderen tijdelijk helemaal geen contact meer hebben met de moeder. De kinderrechter laat dit dan ook over aan de GI.
Zelfstandige verzoeken van de vader
4.4.
De vader vraagt bij wege van zelfstandig verzoek een zorgregeling vast te stellen. De vader baseert dit verzoek op artikel 1:265g lid 2 BW. Lid 2 van dit artikel bepaalt echter dat de kinderrechter de
in het eerste lid genoemde beslissingin bepaalde gevallen kan wijzigen. Er is echter nog geen sprake van door de kinderrechter vastgestelde zorgregeling op verzoek van de GI. De vader is daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoeken.
Zelfstandige verzoeken van de moeder
4.5.
De moeder vraagt bij wege van zelfstandig verzoek een onderzoek door het NIFP te laten instellen en twee bijzondere curatoren voor de kinderen te benoemen. Op de zitting heeft de moeder desgevraagd verklaard dat er geen rechtsgrond is voor haar verzoeken. Ook de kinderrechter ziet die niet, in ieder geval niet voor het eerste zelfstandige verzoek. De moeder is in dat verzoek niet-ontvankelijk. Voor het verzoek van de moeder om voor de kinderen twee bijzondere curatoren te benoemen bestaat weliswaar een rechtsgrond (artikel 1:250 lid 1 BW Pro), maar de kinderrechter ziet nu geen reden bijzondere curatoren voor de kinderen te benoemen. De kinderrechter zal dit verzoek daarom afwijzen.
Proceskosten
4.6.
De vader verzoekt de moeder in de kosten van de procedure te veroordelen. De kinderrechter zal dit verzoek afwijzen en de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. In familiezaken is het gebruikelijk om de proceskosten te compenseren vanwege de relatie tussen partijen. De kinderrechter ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken.
4.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing moet worden nageleefd, ook als er hoger beroep is ingesteld.
5.
De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn zelfstandige verzoeken;
5.2.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar zelfstandige verzoek ten aanzien van het NIFP-onderzoek;
5.3.
draagt de GI op de voorlopige plaatsing van de kinderen bij de vader voor te bereiden en uit te voeren met inzet van passende hulpverlening bij de vader thuis;
5.4.
legt de uitvoering van de (voorlopige) zorgregeling tussen de kinderen en de moeder in handen van de GI, waarbij de GI zelfstandig de aanvang, plaats en duur van het contact mag bepalen;
5.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W.J. van Elsdingen, kinderrechter, in samenwerking met mr. A. Minkjan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.