ECLI:NL:RBMNE:2026:8

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
11851716
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurkoopovereenkomst en vorderingen inzake bedrijfsauto

In deze zaak heeft eiseres, een besloten vennootschap, een huurkoopovereenkomst gesloten met gedaagde voor het gebruik van een bedrijfsauto. Gedaagde heeft meerdere termijnen niet betaald, wat heeft geleid tot de ontbinding van de overeenkomst door eiseres. Eiseres vordert een verklaring van recht dat de overeenkomst is ontbonden, betaling van achterstallige en toekomstige huurtermijnen, afgifte van de bedrijfsauto, en vergoeding van kosten voor het innemen van de auto en aangifte van verduistering. Gedaagde betwist de hoogte van de betalingsachterstand en stelt dat eiseres moet meewerken aan een redelijk voorstel om de achterstand in te lopen. De kantonrechter heeft de vorderingen van eiseres grotendeels toegewezen. De kantonrechter oordeelt dat eiseres de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden op 16 juli 2025, omdat gedaagde zijn verplichtingen niet is nagekomen. Gedaagde moet de auto teruggeven en een dwangsom betalen als hij hier niet aan voldoet. Daarnaast moet gedaagde een totaalbedrag van € 36.715,72 aan eiseres betalen, inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter heeft de proceskosten voor gedaagde vastgesteld op € 2.805,16. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11851716 UC EXPL 25-6878 RJ/58605
Vonnis van 7 januari 2026
inzake
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: F.S. Blaauw LL.B.,
tegen:
[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding van 20 augustus 2025 met producties 1 tot en met 4;
- het verslag (proces-verbaal) van de civiele rolzitting van 3 september 2025, waarin de mondelinge reactie van [gedaagde] op de dagvaarding is vastgelegd;
- de bij brief van 24 oktober 2025 gevoegde aanvullende productie 5 van [eiseres] .
1.2.
Op 4 december 2025 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Daarbij was namens [eiseres] de heer F.S. Blaauw aanwezig. [gedaagde] is, hoewel hij correct is opgeroepen, niet verschenen.
1.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] heeft met [gedaagde] een huurkoopovereenkomst gesloten voor het gebruik van een bedrijfsauto. [gedaagde] heeft een aantal termijnen niet betaald, waarna [eiseres] de overeenkomst heeft ontbonden. [eiseres] vordert een verklaring van recht dat de overeenkomst is ontbonden, betaling van de achterstallige en toekomstige huurtermijnen, afgifte van de bedrijfsauto en betaling van kosten voor het geval [eiseres] de bedrijfsauto moet innemen en aangifte moet doen van verduistering. Volgens [gedaagde] is de betalingsachterstand niet groot en zou [eiseres] mee moeten werken aan een redelijk voorstel om de achterstand in te lopen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiseres] grotendeels toe.

3.De beoordeling

[eiseres] mocht de overeenkomst ontbinden
3.1.
Op grond van artikel 43 van de algemene voorwaarden bij de overeenkomst mocht [eiseres] de overeenkomst tussen partijen ontbinden, wanneer [gedaagde] zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet zou nakomen. [gedaagde] heeft tijdens de rolzitting aangegeven dat hij slechts twee maanden niet heeft betaald en dat hij vindt dat van [eiseres] kan worden verlangd om aan een redelijk voorstel te voldoen om de achterstand in te lopen. Maar [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij geen contact meer met [gedaagde] heeft, er (ook) na de dagvaarding niets meer is betaald en de achterstand nu van vier maanden naar negen maanden is opgelopen. Ook is gebleken dat de auto al geruime tijd onverzekerd rondrijdt, terwijl [gedaagde] daar zorg voor moet dragen en dit niet alleen voor anderen maar ook voor [gedaagde] zelf een enorm risico inhoudt. [eiseres] heeft dit onderbouwd met de als productie 5 overgelegde uitdraai van de RDW.
[gedaagde] was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling en heeft dit alles dus niet weersproken. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stellingen van [eiseres] . Dat betekent dat [gedaagde] zijn verplichtingen uit de overeenkomst, namelijk de leasetermijnen op tijd betalen en het verzekerd houden van de auto, niet is nagekomen en [eiseres] de overeenkomst rechtsgeldig op 16 juli 2025 heeft ontbonden. De verklaring voor recht dat de overeenkomst per die datum is ontbonden wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] moet de auto afgeven aan [eiseres]
3.2.
[gedaagde] moet de auto teruggeven aan [eiseres] , omdat [eiseres] nog steeds eigenaar is van de auto. Als [gedaagde] de auto niet afgeeft, moet hij een dwangsom betalen. Met het oog op de waarde van de auto zal de kantonrechter de gevorderde dwangsom matigen tot € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 35.000,00.
[gedaagde] moet nog € 36.715,72 aan [eiseres] betalen
3.3.
Ten tijde van de ontbinding van de overeenkomst bedroeg de betalingsachterstand van [gedaagde] € 2.322,88 (vier maandelijkse termijnen van € 580,72). Dit bedrag moet [gedaagde] alsnog aan [eiseres] betalen. In artikel 43 van de algemene voorwaarden staat dat [gedaagde] wegens de voortijdige ontbinding van de overeenkomst ook een schadevergoeding gelijk aan de toekomstige huurtermijnen moet betalen aan [eiseres] . Volgens de dagvaarding gaat dat om € 34.392,84. Dat betekent dat [gedaagde] in totaal nog € 36.715,72 (€ 2.322,88 + € 34.392,84) aan [eiseres] verschuldigd is. De verkoopopbrengst van de auto zal, als [gedaagde] deze heeft ingeleverd, op dit bedrag in mindering strekken.
[gedaagde] moet de contractuele/wettelijke rente betalen
3.4.
Daarnaast moet [gedaagde] de contractuele rente van 18% per jaar betalen over de betalingsachterstand tot 16 juli 2025, de dag dat de overeenkomst is ontbonden. Die achterstand bedroeg € 2.322,88. Omdat de overeenkomst op 16 juli 2025 is ontbonden, kan [eiseres] geen aanspraak maken op de contractuele rente over de toekomstige huurtermijnen. Ook kan de gevorderde handelsrente hierover niet worden toegewezen. Het bedrag aan toekomstige leasetermijnen is namelijk een schadevergoeding. Daarom zal de kantonrechter over het bedrag van € 34.392,84 de wettelijke rente toewijzen met ingang van de dag van de ontbinding (artikel 6:83 sub b BW).
3.5.
De gevorderde contractuele rente over de verschenen contractuele rente wordt afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat verschuldigdheid van contractuele rente over verschenen contractuele rente overeengekomen is. De wettelijke (handels)rente over de verschenen rente wordt afgewezen, omdat rente over rente pas na één jaar verschuldigd is (artikel 6:119a lid 3 en artikel 6:119 lid 2 BW).
De kosten voor inname van de auto en aangifte bij de politie worden afgewezen
3.6.
[eiseres] vordert vergoeding van kosten die zij moet maken als zij de auto zelf moet innemen en aangifte bij de politie moet doen van verduistering. Deze kosten worden afgewezen, omdat ze nog niet zijn gemaakt en het ook niet zeker is dat die kosten (tot het geëiste bedrag) zullen worden gemaakt.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.7.
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Het bedrag dat [eiseres] heeft gevorderd is hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. De kantonrechter zal het bedrag daarom matigen tot € 1.142,46.
3.8.
De gevorderde contractuele rente van 18% per jaar over de buitengerechtelijke incassokosten is, zoals gevorderd, toewijsbaar vanaf de datum van dagvaarding (20 augustus 2025).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.9.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 123,16
- griffierecht € 1.461,00
- salaris gemachtigde € 1.086,00 (2 punten x tarief € 543,00)
- nakosten
€ 135,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.805,16
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.10.
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomst met betrekking tot de Citroën Jumpy met kenteken [kenteken] (contractnr. 4533559) is ontbonden;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de auto, de Citroën Jumpy met kenteken [kenteken] (contractnr. 4533559), aan [eiseres] , dan wel een door [eiseres] aan te wijzen derde, binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat [gedaagde] hier niet aan voldoet, tot een maximum van € 35.000,00 is bereikt;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 36.715,72, te vermeerderen met:
- de contractuele rente (18% per jaar) over een bedrag van € 2.322,78 vanaf de vervaldata van de leasetermijnen tot de dag van volledige betaling,
- de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over een bedrag van € 34.392,84 met ingang van 16 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,
met dien verstande dat indien de auto wordt ingeleverd en vervolgens wordt verkocht door [eiseres] , dit bedrag in mindering wordt gebracht op de openstaande vordering;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.142,46 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de contractuele rente (18% per jaar), vanaf 20 augustus 2025, tot de dag van volledige betaling;
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.805,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op
7 januari 2026.