3.4.2Bewijsoverwegingen
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.
Uit camerabeelden blijkt dat op 19 oktober 2024, om 02.13.21 uur een persoon liep langs de woning aan de [adres] (hierna: de woning). Om 02.14.03 uur stak deze persoon de [straat 1] over, het [straat 2] in. Midden op de weg draaide hij zich om keek in de richting van de woning. Om 02.16.16 uur liep de persoon van het [straat 2] over de [straat 3] , langs de woning. Toen de persoon voorbij de woning liep, waaraan camera’s zijn bevestigd, bracht hij zijn arm richting zijn hoofd en hield de rand van zijn capuchon vast. Om 02.16.36 uur liep weer een persoon langs de woning. Toen hij de woning voorbij was gelopen keek hij om, naar de woning.
Rond 02.20 uur vond in Nieuwegein een aanhouding plaats voor het daadwerkelijk plaatsen van een explosief. De politie, die de woning (in [woonplaats 1] ) in de gaten hield, kreeg vervolgens opdracht verdachte personen bij de [straat 3] aan te houden. De persoon die de politie eerder, rond 02.15 uur, bij de woning zag werd gevolgd en om 02.25 uur lopend aangetroffen op de Edisonweg in [woonplaats 1] . Na aanhouding bleek deze persoon de verdachte te zijn. De verdachte liep op de Edisonweg ongeveer 10 meter voor een andere persoon. Ook die persoon werd aangehouden en bleek medeverdachte, [medeverdachte] , te zijn. [medeverdachte] droeg een plastic zak met daarin een geïmproviseerde (zelfgemaakte) explosieve constructie (hierna: het explosief) dat zo’n 600-650 gram flitspoeder bevatte.
De verdachte liep meerdere keren langs de woning
De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte de persoon is die, zoals op camerabeelden is te zien, op 19 oktober 2024 tussen 02.13.21 uur en 02.16.36 uur drie keer langs de woning liep. Het tijdsbestek en het signalement van de persoon op de beelden komt overeen met de waarnemingen van de politieagenten, die op hun eigen live camerabeelden om 02.15 uur een ‘donkere’ man, geheel in het zwart gekleed, zagen lopen en staan in de buurt van/bij de woning, terwijl hij naar de woning keek. Deze man is gevolgd door de politieagenten en werd kort daarna door andere politieagenten aangehouden die vaststelden dat het om de verdachte ging. De verdachte werd na zijn aanhouding herkend door de politieagenten die hem bij de woning zagen en daarna volgden. Hoewel zij in hun proces-verbaal niet beschrijven waaraan zij de verdachte herkenden, twijfelt de rechtbank niet aan de juistheid van de herkenning. Zij heeft deze namelijk kunnen verifiëren aan de hand van screenshots van de camerabeelden en een foto die van de verdachte is gemaakt toen hij was aangehouden, waarop kenmerkende overeenkomsten zijn te zien zoals een blauw kledingstuk dat deels onder de jas uitstak.
Medeplegen voorbereidingshandelingen explosie
De rechtbank vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 19 oktober 2024 in IJsselstein, samen met anderen, voorbereidingshandelingen heeft getroffen voor het teweeg brengen van een explosie.
Voor dit oordeel oordeelt de rechtbank, allereerst, dat de verdachte, samen met een ander, het bij [medeverdachte] aangetroffen explosief en de bij beide verdachten aangetroffen bivakmutsen voorhanden heeft gehad. De rechtbank gaat er op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen van uit dat de verdachte samen met [medeverdachte] , met de auto naar IJsselstein is gebracht. Bij zijn aanhouding verklaarde [medeverdachte] namelijk dat “zij hier gebracht waren”. Uit de verklaring van [medeverdachte] bij de rechter-commissaris valt op te maken dat dit met de auto gebeurde. Zonder een aannemelijke verklaring van de verdachte voor zijn aanwezigheid bij en in de omgeving van de woning - de verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht -, gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte] met “zij” bedoelde: hij en de verdachte. De verdachte werd immers op slechts enkele meters van [medeverdachte] aangehouden en uit onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte] blijkt dat de verdachte en [medeverdachte] elkaar kennen en zeer kort voor hun aanhouding veelvuldig telefonisch contact met elkaar hadden.
Bij de rechter-commissaris verklaarde [medeverdachte] ook nog dat hij de tas, die hij bij zijn aanhouding bij zich droeg en waarin het explosief zat, “dezelfde avond” kreeg. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte samen met [medeverdachte] én het explosief naar [woonplaats 1] is gebracht. De verdachte en [medeverdachte] hadden, toen zij in de auto zaten, beide de beschikkingsmacht over het explosief. Dat zij van de aanwezigheid van het explosief ook wetenschap hadden volgt uit de gedragingen van beide verdachten. [medeverdachte] begaf zich met de tas met daarin het explosief in de buurt van de woning. Zonder een aannemelijke verklaring van de verdachte over waarom hij in een tijdsbestek van enkele minuten drie keer langs de woning liep en daarbij zichtbaar interesse toonde in de woning (door steeds te kijken) en daarbij zijn gezicht af te schermen (door de rand van zijn capuchon vast te pakken toen hij langs de camera liep), gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte een voorverkenning verrichtte met het doel het explosief vervolgens ongezien/ongehinderd te (laten) plaatsen.
Dat het plaatsen en vervolgens laten ontploffen van het explosief het gezamenlijke doel was van de verdachte en [medeverdachte] blijkt wel uit de volgende omstandigheden. In de periode van 4 juni tot en met 2024 vinden meerdere explosies plaats bij de woningen en het bedrijf van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De verdachten zijn met het explosief in de buurt van de woning op het moment dat daadwerkelijk een explosief bij de woning van [slachtoffer 2] in [woonplaats 2] wordt geplaatst. Tot slot gebeurde iets vergelijkbaars in de nacht ervoor. Op 18 oktober 2024 werden bij de woning en de woning in [woonplaats 2] explosieven neergelegd. Op de camerabeelden van beide woningen was te zien dat op beide locaties een voorwerp voor de deur werd gelegd waarna een persoon een draad vanaf dat voorwerp uitrolde, weg van de locaties. De beschrijving van het voorwerp vertoont sterke gelijkenissen met het explosief dat ook, onder meer, een draad en een spoel (in de vorm van een flesje) bevatte. In beide gevallen zijn de personen die de explosieven neerlegden op 18 oktober 2024 gestoord waardoor er geen explosie plaatsvond. De rechtbank begrijpt de aanwezigheid van de verdachten en het explosief dan ook niet anders dan een directe aanloop naar een nieuwe poging een ontploffing teweeg te brengen.
Tegen de achtergrond van het voorgaande is het voorhanden hebben van de in de tenlastelegging genoemde onderdelen van het explosief en de bivakmutsen aan te merken als een gedraging die werd uitgevoerd met voorbereidingsmiddelen die (naar hun uiterlijke verschijningsvorm kennelijk) bestemd waren tot het teweegbrengen van een ontploffing, als bedoeld in de artikelen 46 en 157 van het Wetboek van Strafrecht. Aan de door de Hoge Raad gegeven criteriadie maatgevend zijn om te bepalen of een voorwerp ‘kennelijk is bestemd’ tot het begaan van het beoogde misdrijf is immers voldaan. De uiterlijke verschijningsvorm van het explosief, dat ongeveer 650 gram flitspoeder bevatte, duidt op het doel van het teweegbrengen van een ontploffing. Voor de hand ligt dat de bivakmutsen daarbij gebruikt zouden worden om niet herkend te worden. Het gebruik van het explosief bestond eruit dat het door de verdachten gezamenlijk werd gebracht naar de directe omgeving van de woning, waar eerder explosieven waren geplaatst (en afgegaan). Het meebrengen van de bivakmutsen volgt die redenering. Het misdadige doel dat de verdachten met de goederen voor ogen hadden, heeft de rechtbank hierboven reeds uitgebreid beschreven.
Ondeugdelijk middel
Anders dan de verdediging aanvoert, blijkt uit het dossier niet dat het explosief absoluut ondeugdelijk was. Uit het NFI-rapport volgt dat het explosief “conceptueel deugdelijk” was, wat inhoudt dat wanneer elk onderdeel naar behoren functioneerde, de constructie tot ontploffing kon worden gebracht als deze werd aangesloten op een geschikte stroombron. Er was echter sprake van kortsluiting in het elektrisch circuit. Onduidelijk is of hiervan al sprake was toen de verdachten en het explosief naar de directe omgeving van de woning werden gebracht. Hoe dan ook, uit het NFI-rapport blijkt dat deze kortsluiting eenvoudig was op te heffen door de draden in één enkele beweging te spreiden. Het explosief kon dus nog tot ontploffing worden gebracht. Het verweer slaagt niet.
Gevaarzetting bij ontploffing
De rechtbank is van oordeel dat gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, tijdens het voorbereiden van het teweegbrengen van een ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was. In het NFI-rapport staat immers dat bij ontploffing van een dergelijk explosief eventuele omstanders binnen een afstand van circa één à twee meter zeer ernstig lichamelijk letsel tot dodelijk letsel zouden hebben opgelopen door rondvliegende scherven, hitte, vuurverschijnselen en de drukgolf. Mocht iemand binnen één à twee meter niet geraakt worden door scherven, dan nog is dodelijk letsel door de overdruk van de ontploffing een gegeven. Voor omstanders tot op enkele tientallen meters ontstaat bij ontploffing het gevaar voor ernstig lichamelijk letsel tot dodelijk letsel door rondvliegende scherven door rondvliegende scherven.. Zelfs wanneer iemand niet geraakt wordt door een scherf, geldt dat er in ieder geval gevaar voor gehoorschade ontstaat, aldus het NFI.
De rechtbank is van oordeel dat het nachtelijke tijdstip niet maakt dat er geen levensgevaar of gevaar voor ernstig lichamelijk letsel te duchten was. Ook in de nacht kan niet worden uitgesloten dat er zich personen in de omgeving bevinden. Bovendien beperken de effecten van een ontploffing zich niet enkel tot de directe omgeving, maar is het juist de scherfwerking van de ontploffing die het gevaar vormt, waarbij de gevolgen zich ook kunnen uitstrekken tot in de woningen in de directe omgeving. Het verweer van de verdediging slaagt niet.
Conclusie
De rechtbank vindt, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en gelet op wat hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing waarbij gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.