Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:749

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
10646524 \ MC EXPL 23-4524
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:105 BWArt. 3:107 lid 1 BWArt. 3:108 BWArt. 3:109 BWArt. 3:113 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontstaan recht van overpad door extinctieve verjaring en misbruik van bevoegdheid bij afsluiting perceel

In deze civiele zaak staat centraal of door extinctieve verjaring een recht van overpad is ontstaan op een perceel van eisers ten behoeve van gedaagden. Gedaagden stelden dat zij en hun rechtsvoorgangers sinds 1989 onafgebroken feitelijke macht uitoefenden over het recht van overpad via een zandweg op het perceel van eisers. De rechtbank bevestigt dat de verjaringstermijn van twintig jaar is verstreken en dat het bezit ondubbelzinnig en kenbaar was voor de eigenaren.

Eisers voerden aan dat het bezit niet als zodanig kon worden aangemerkt omdat gedaagden het perceel zouden hebben gehuurd of gepacht, maar de rechtbank oordeelt dat dit verweer onvoldoende is onderbouwd en dat het vermoeden van bezit voor zichzelf niet is weerlegd. Daarnaast is vastgesteld dat de feitelijke machtsuitoefening door het gebruik van de zandweg en de grote garage duidelijk was en voor iedereen kenbaar.

In conventie vorderden eisers het recht om het perceel af te scheiden met een schutting of heg, maar de rechtbank wijst deze vordering af wegens misbruik van bevoegdheid. De afsluiting zou de belangen van gedaagden ernstig schaden, met name hun bereikbaarheid en veiligheid, en is daarom onredelijk. De proceskosten worden hoofdelijk aan eisers opgelegd.

De rechtbank verklaart voor recht dat door extinctieve verjaring een erfdienstbaarheid (recht van overpad) is ontstaan ten behoeve van gedaagden en veroordeelt eisers tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is gewezen door rechter R.M. Berendsen en op 21 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart dat door extinctieve verjaring een recht van overpad is ontstaan en wijst de vordering tot afsluiting van het perceel af wegens misbruik van bevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
Zaaknummer: 10646524 \ MC EXPL 23-4524 D/51246
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

2.
[eiseres sub 2],
beiden wonende te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
gedaagde partij in reconventie,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ,
gemachtigde: mr. J.D. Poot (Vast. Advocaten),
tegen

1.[gedaagd sub 1] ,2. [gedaagde sub 2] ,

beiden wonende te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
gemachtigde: mr. B. Altena (DAS).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 september 2025;
- de akte uitlating van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] met aanvullende producties 10 tot en met 13;
- de akte uitlating van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] met productie 11;
- het bezwaar van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] tegen de akte uitlating en de aanvullende producties van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] ;
- de rolbeslissing van 22 oktober 2025;
- de akte uitlating producties van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] .
1.2.
De kantonrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak zal doen.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter zal in deze zaak eerst beoordelen of er een recht van overpad is ontstaan (de vordering van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] in reconventie). Daarna zal de kantonrechter beoordelen of en zo ja, in hoeverre [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hun perceel mogen afsluiten (de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in conventie).
in reconventie
De bewijsopdracht en de percelen waar het om gaat
2.2.
In deze procedure moeten [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] bewijzen dat – kort gezegd – door extinctieve verjaring een recht van overpad is ontstaan, namelijk het recht om te komen van en te gaan naar hun perceel [nummeraanduiding 1] via perceel [nummeraanduiding 2] van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . De relevante percelen zijn met dikgedrukte perceelnummers te zien op de tekening hieronder. De kantonrechter heeft in de tekening met blauwe pijlen aangegeven voor welke richtingen het recht van overpad zou gelden:
De percelen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn in de tekening hierboven geel gekleurd. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] zijn eigenaar van de woning met huisnummer [nummeraanduiding 3] en wonen in die woning. De percelen van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn in de tekening hierboven groen gekleurd. Zij zijn eigenaar van de woning met huisnummers [nummeraanduiding 4] en [nummeraanduiding 5] en wonen op nummer [nummeraanduiding 4] . De ouders van [gedaagde sub 2] wonen op nummer [nummeraanduiding 5] . Op de percelen van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] staan garages. Het gaat om een grote garage (het linkerdeel), waar op enig moment een kleine garage tegenaan is gebouwd (het rechterdeel). Verder staat op perceel [nummeraanduiding 1] een houthok. Inmiddels is perceel [nummeraanduiding 1] in het Kadaster samengevoegd met de percelen [nummeraanduiding 6] en [nummeraanduiding 7] . Het nieuwe perceel heeft het perceelnummer [nummeraanduiding 8] gekregen. De kantonrechter houdt bij de beoordeling de oude perceelnummers uit de tekening aan. Zo blijft dit vonnis begrijpelijk.
2.3.
Om van en naar de woningen te gaan, gebruiken partijen de percelen [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 9] . Op deze percelen ligt een zandweg, die uitkomt op de openbare weg aan het einde van perceel [nummeraanduiding 9] . Er is in het verleden een recht van overpad gevestigd om via de percelen [nummeraanduiding 10] , [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 9] te komen van en te gaan naar perceel [nummeraanduiding 6] en naar een gedeelte van perceel [nummeraanduiding 7] . Over dat recht van overpad hebben partijen geen discussie. De discussie gaat over perceel [nummeraanduiding 1] : is voor dat perceel door extinctieve verjaring een recht van overpad ontstaan op perceel [nummeraanduiding 2] ? De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn namelijk geslaagd in de bewijsopdracht. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.
Het juridisch kader: wanneer is sprake van verkrijging door extinctieve verjaring?
2.4.
Het recht van overpad is een erfdienstbaarheid. Een erfdienstbaarheid kan alleen ontstaan door vestiging of verjaring. In deze zaak gaat het om verkrijging door extinctieve verjaring (ook wel de ‘bevrijdende verjaring’ genoemd). Deze vorm van verjaring is geregeld in artikel 3:105 BW Pro. Vereist is dat een nietrechthebbende ( [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] en/of hun rechtsvoorgangers) minstens twintig jaar lang aan één stuk door het bezit heeft gehad van een recht van overpad op het perceel van de rechthebbende ( [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] en/of hun rechtsvoorgangers). Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 lid 1 BW Pro). Het ‘goed’ is in dit geval een recht van overpad. Men neemt een goed in bezit door zichzelf daarover de feitelijke macht te geven (artikel 3:113 lid 1 BW Pro). Daar is meer voor nodig dan alleen een paar machtsuitoefeningen die op zichzelf staan. Of iemand de feitelijke macht over een goed uitoefent, moet worden beoordeeld op basis van verkeersopvattingen en verder op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW Pro). Als de feitelijke machtsuitoefening niet voor iedereen kenbaar is, is geen sprake van bezit. Het bezit moet ook ondubbelzinnig zijn. Dat betekent dat de bezitter zich op zo’n manier gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaringstermijn loopt, uit de gedragingen van de bezitter niets anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert de rechthebbende op een recht van overpad te zijn. Alleen dan weet de eigenaar dat er inbreuk op zijn eigendomsrecht wordt gemaakt en dat hij op tijd maatregelen moet nemen om die inbreuk te beëindigen (en zo verkrijging door verjaring te voorkomen). Of het bezit ondubbelzinnig is, moet naar objectieve maatstaven worden beoordeeld. De ondubbelzinnigheid van het bezit van een recht van overpad kan bijvoorbeeld volgen uit een bepaalde inrichting van het erf die langdurig hetzelfde blijft.
2.5.
De verjaringstermijn van twintig jaar begint te lopen op de eerste dag na de dag waarop de niet-rechthebbende bezitter van de erfdienstbaarheid is geworden (artikel 3:314 lid 2 BW Pro). In dit geval is de verjaringstermijn op zijn vroegst aangevangen op 1 januari 1992. Vóór die datum was het niet mogelijk om door verjaring een erfdienstbaarheid met een nietvoortdurend en niet-zichtbaar karakter (zoals een recht van overpad) te verkrijgen. De verjaringstermijn is dus op zijn vroegst verstreken op 1 januari 2012.
2.6.
Zolang het bezit twintig jaar lang aan één stuk heeft voortgeduurd, maakt het niet uit of er een wisseling is geweest in de persoon die het goed in bezit heeft genomen. Het maakt ook niet uit of de niet-rechthebbende (dus [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] en/of hun rechtsvoorgangers) te goeder trouw waren. Te goeder trouw betekent in dit geval dat de niet-rechthebbende dacht en mocht denken dat er een erfdienstbaarheid bestond.
2.7.
Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] kunnen alleen mensen met een opstalrecht, recht van erfpacht of recht van vruchtgebruik een erfdienstbaarheid verkrijgen door verjaring. Zij verwijzen naar artikel 5:84 BW Pro. Dit standpunt klopt niet. In artikel 5:84 lid 1 BW Pro is geregeld dat de opstaller, de erfpachter en de vruchtgebruiker naast de eigenaar bevoegd zijn om een erfdienstbaarheid te vestigen. Het artikel gaat dus over vestiging van een erfdienstbaarheid en niet over verkrijging van een erfdienstbaarheid door verjaring.
[gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] en/of hun rechtsvoorgangers hebben sinds 1989 de feitelijke macht over het recht van overpad
2.8.
De kantonrechter is van oordeel dat er vóór het uitbrengen van de dagvaarding in 2023 (veel) langer dan twintig jaar sprake is geweest van het bezit van een recht van overpad. Allereerst is komen vast te staan dat [gedaagde sub 2] en haar familieleden zichzelf de feitelijke macht over het recht van overpad hebben gegeven. [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben namelijk bewezen dat er in ieder geval sinds 1989 door [gedaagde sub 2] en haar familie werd gekomen van en gegaan naar perceel [nummeraanduiding 1] via de zandweg op perceel [nummeraanduiding 2] . De kantonrechter zal dit hierna verder uitleggen.
2.9.
[gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn sinds 2007 eigenaar van de woning met huisnummers [nummeraanduiding 4] en [nummeraanduiding 5] en van de percelen [nummeraanduiding 6] en [nummeraanduiding 7] . Zij hebben de woning en de percelen toen gekocht van de familie [naam 1] . [gedaagde sub 2] en haar (overgroot)ouders woonden vóór de eigendomsoverdracht in 2007 ook al in de woning. De familie woonde er in ieder geval al vóór 1970. Dat blijkt uit de verklaringen die [gedaagde sub 2] , haar vader de heer [naam 2] en haar tante mevrouw [naam 3] tijdens het getuigenverhoor op 11 maart 2025 hebben afgelegd. In 1993 is [gedaagde sub 2] zelf de woning met nummer [nummeraanduiding 4] van de familie [naam 1] gaan huren. Haar ouders woonden toen al op nummer [nummeraanduiding 5] . De familie [naam 1] was geen eigenaar van perceel [nummeraanduiding 1] . Dat was het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht. In 2016 zijn [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] eigenaar geworden van perceel [nummeraanduiding 1] .
2.10.
Uit de verklaringen tijdens het getuigenverhoor op 11 maart 2025 volgt dat de familie [gedaagde sub 2] en bezoekers van de familie regelmatig (of zelfs dagelijks) met auto’s over perceel [nummeraanduiding 1] naar de grote garage op de achterliggende percelen reden. Die grote garage stond er in ieder geval al in 1989. Dat blijkt uit foto’s uit 1989 die [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben ingediend. De foto’s worden ondersteund door de getuigenverklaring van mevrouw [naam 3] (“
Ik weet wel dat rond 1983 ik de caravan plaatste in de kleine garage. Die kleine en die grote garages, die waren er volgens mij tegelijkertijd.”). Ook de door [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] ingediende verklaring van mevrouw [naam 4] en de heer [naam 5] ondersteunt de foto’s. Mevrouw [naam 4] is mede-eigenaar van een stuk grond langs het water aan de [straat] . Dat is de weg waaraan de woningen met huisnummers [nummeraanduiding 4] , [nummeraanduiding 5] en [nummeraanduiding 3] staan. Uit de verklaring van mevrouw [naam 4] en de heer [naam 5] blijkt dat de grote garage vóór 1990 is gebouwd (“
Over de leeftijd van de schuur en garage in de huidige vorm kunnen wij met zekerheid zeggen dat deze er al zeker staan sinds 1990. De grote schuur staat er nog veel langer en de rechter garage is er daarna tegen aan gebouwd.”). Daar komt nog bij dat [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] een bouwvergunning voor een garage van de gemeente [gemeente] van 2 december 1981 hebben ingediend. [gedaagde sub 2] heeft verklaard dat er in het verleden op het erf een garage stond en dat in 1981 een vergunning voor vervanging van die garage is aangevraagd. Volgens [gedaagde sub 2] is de huidige grote garage in 1982 door haar opa en zijn zoons gebouwd. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben deze onderbouwende stukken en verklaringen onvoldoende weersproken. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat de grote garage er in ieder geval al staat sinds 1989.
2.11.
Om te spreken van feitelijke macht over een recht van overpad, is ook nodig dat de zandweg op perceel [nummeraanduiding 2] werd gebruikt om de grote garage te bereiken. [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn erin geslaagd om dat te bewijzen. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat familieleden en bezoekers met de auto over het grind voor de woning richting de grote garage reden. [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben deze rijroute tijdens de descente op 19 juni 2024 aangewezen. De kantonrechter heeft de rijroute met blauwe pijlen aangegeven op de luchtfoto en tekening hieronder:
2.12.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben het bewijs dat [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] van de feitelijke machtsuitoefening sinds 1989 hebben geleverd onvoldoende weerlegd. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] voeren alleen aan dat de uitrit van de kleine garage pas sinds 2009 – en dus nog geen twintig jaar – bestaat. Volgens [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] is de uitrit veel eerder dan in 2009 (namelijk tegelijkertijd met de bouw van de kleine garage) gerealiseerd. De kantonrechter laat deze discussie tussen partijen het midden. Of de uitrit langer of korter dan twintig jaar bestaat, verandert niets aan beoordeling. De uitrit van de kleine garage loopt over perceel [nummeraanduiding 1] langs het houthok naar perceel [nummeraanduiding 2] , zoals op de luchtfoto hieronder met rode pijlen is aangegeven:
De uitrit ligt dus op perceel [nummeraanduiding 1] , niet op (de zandweg op) perceel [nummeraanduiding 2] . Zelfs als de uitrit pas sinds 2009 aanwezig is en de opening links van het houthok vóór 2009 afgesloten was, is nog steeds bewezen dat er sinds 1989 regelmatig (of zelfs dagelijks) met auto’s over de zandweg op perceel [nummeraanduiding 2] werd gereden van en naar perceel [nummeraanduiding 1] . De bewijsopdracht gaat onder de omstandigheden van deze zaak niet zo ver dat [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] moeten bewijzen dat er over elke centimeter van de zandweg op perceel [nummeraanduiding 2] feitelijke macht is uitgeoefend. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat de rijroute niet elke keer op precies dezelfde manier zal zijn gereden. De zandweg op perceel [nummeraanduiding 2] was daar ook niet op ingericht, want de weg was in ieder geval tot 26 juni 2012 (toen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] eigenaar werden) volledig open. De zandweg gaf dus onbelemmerd toegang tot perceel [nummeraanduiding 1] .
2.13.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben bewezen dat er door de familie van [gedaagde sub 2] sinds 1989 werd gekomen van en gegaan naar perceel [nummeraanduiding 1] via de zandweg op perceel [nummeraanduiding 2] . Daarmee heeft de familie van [gedaagde sub 2] zichzelf de feitelijke macht over het recht van overpad gegeven. De feitelijke machtsuitoefening is voor iedereen kenbaar, dus ook voor [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] en hun rechtsvoorgangers.
Er was geen sprake van houderschap voor een ander
2.14.
Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] leidt de feitelijke machtsuitoefening in dit geval nog niet tot bezit. Zij voeren aan dat [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] perceel [nummeraanduiding 1] vóór de eigendomsoverdracht in 2007 huurden of pachtten van het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (de toenmalige eigenaar). Daarmee is volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] geen sprake van bezit, maar van houderschap voor een ander. [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen daartegenover dat perceel [nummeraanduiding 1] vóór 2007 altijd zonder recht of titel (dus zonder huur- of pachtovereenkomst) is gebruikt.
2.15.
Het verweer van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gaat niet op. Op grond van artikel 3:109 BW Pro wordt degene die een goed (hier: het recht van overpad) houdt, vermoed dit goed voor zichzelf te houden. Het is in dit geval aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] om dit wettelijk vermoeden te weerleggen. Dat hebben zij onvoldoende gedaan. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben geen verdere onderbouwing gegeven van hun standpunt dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] het recht van overpad hielden voor het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht. De kantonrechter stelt dan ook vast dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] het recht van overpad altijd voor zichzelf hebben gehouden.
Het bezit is ondubbelzinnig
2.16.
Tot slot is het bezit ook ondubbelzinnig. Door de grote garage te bouwen en die regelmatig (of zelfs dagelijks) via de rijroute te gebruiken voor het parkeren van auto’s, hebben [gedaagde sub 2] en haar familie (en daarna [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] ) zich gedragen alsof zij een recht van overpad op perceel [nummeraanduiding 2] hadden. Die pretentie moet ook voor (de rechtsvoorgangers van) [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] duidelijk zijn geweest. De grote garage is namelijk alleen met de auto te bereiken door gebruik te maken van de rijroute over de zandweg op perceel [nummeraanduiding 2] . Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] is het bezit desondanks dubbelzinnig, omdat het gebruik van de rijroute net zo goed kan duiden op een gebruik in de hoedanigheid van huurder. Dit verweer gaat niet op. [gedaagde sub 2] en haar familie waren weliswaar huurders van de woning met huisnummers [nummeraanduiding 4] en [nummeraanduiding 5] , maar niet van perceel [nummeraanduiding 2] of perceel [nummeraanduiding 1] . De enkele theoretische mogelijkheid dat de feitelijke macht over het recht van overpad ook zou kunnen worden uitgeoefend door een huurder, is niet voldoende. Het was aan [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] om duidelijk te maken dat er (voor hen of voor hun rechtsvoorgangers) objectieve aanwijzingen waren om de machtsuitoefening door (de familie van) [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] ook daadwerkelijk als die van een huurder aan te merken. Van die objectieve aanwijzingen is de kantonrechter niets gebleken. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben hierover niets naar voren gebracht. Het moest voor de rechtsvoorgangers van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] juist duidelijk zijn geweest dat het gebruik van de rijroute over de zandweg op perceel [nummeraanduiding 2] van en naar perceel [nummeraanduiding 1] onrechtmatig was, want zij waren de verhuurder van (de familie van) [gedaagde sub 2] . [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben perceel [nummeraanduiding 2] (en de andere percelen en de woning met huisnummer [nummeraanduiding 3] ) namelijk van de familie [naam 1] overgenomen. Volgens [gedaagde sub 2] woonde de familie [naam 1] eerst zelf in de woning met huisnummer [nummeraanduiding 3] . De familie [naam 1] kon en moest dus op de hoogte zijn geweest van de juridische en de feitelijke situatie. Zij had sinds de bouw van de garage iets tegen het gebruik van de rijroute over de zandweg op perceel [nummeraanduiding 2] kunnen doen, maar heeft dat niet gedaan.
Er is door extinctieve verjaring een recht van overpad ontstaan
2.17.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat het recht van overpad sinds (in ieder geval) 1989 in bezit is genomen door de familie [gedaagde sub 2] . Dat betekent dat de verjaringstermijn van twintig jaar is gaan lopen op 1 januari 1992. Volgens [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben zij het bezit sinds 2007 altijd op dezelfde manier voortgezet. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben die stelling niet weersproken. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat er vóór de dagvaarding in 2023 al (veel) langer dan twintig jaar sprake is geweest van het bezit van een recht van overpad. Daarmee is door extinctieve verjaring een recht van overpad ontstaan. De kantonrechter zal de door [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] gevorderde verklaring voor recht toewijzen zoals vermeld onder de beslissing.
Het rapport van het erfdienstbaarhedenonderzoek blijft buiten beschouwing
2.18.
[gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben als aanvullende productie bij de akte uitlating na het tussenvonnis een rapport van een erfdienstbaarhedenonderzoek door het Kadaster ingediend. Volgens [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] blijkt uit dit rapport er een erfdienstbaarheid is gevestigd ten behoeve van perceel [nummeraanduiding 8] (waaronder het voormalige perceel [nummeraanduiding 1] ) en ten laste van perceel [nummeraanduiding 2] . [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] betwisten dit. De kantonrechter laat het rapport en de stellingen van partijen hierover buiten beschouwing. Het rapport en de stellingen zien namelijk op de vraag of voor perceel [nummeraanduiding 1] een recht van overpad op perceel [nummeraanduiding 2] is gevestigd. Die vraag doet zich in deze zaak niet voor.
in conventie
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] mogen perceel [nummeraanduiding 2] niet verder afscheiden
2.19.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen – samengevat – een verklaring voor recht dat zij gerechtigd zijn om perceel [nummeraanduiding 2] af te scheiden door een schutting of heg van twee of één meter hoog te plaatsen, met een poort op de erfgrens tussen de percelen [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 7] . De kantonrechter zal deze vordering afwijzen. Het verweer van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] misbruik maken van hun bevoegdheid als zij perceel [nummeraanduiding 2] op de door hen gewenste manier afscheiden, slaagt. Dit wordt hierna uitgelegd.
2.20.
Zoals in het tussenvonnis van 10 juli 2024 al is genoemd, volgt uit artikel 5:48 BW Pro dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] als eigenaren bevoegd zijn om perceel [nummeraanduiding 2] af te scheiden. Die bevoegdheid kan hen niet volledig worden ontnomen, maar kan wel in zekere mate worden beperkt in geval van misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW Pro. De kantonrechter vindt dat hier sprake is van misbruik van bevoegdheid. De belangen van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] worden met een schutting of heg op de erfgrens van perceel [nummeraanduiding 2] zo erg geschaad, dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] naar redelijkheid niet tot de uitoefening van hun bevoegdheid kunnen komen.
2.21.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] willen een schutting of heg plaatsen op het deel van de erfgrens van perceel [nummeraanduiding 2] dat grenst aan de percelen [nummeraanduiding 7] en [nummeraanduiding 1] . In die schutting of heg willen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] een poort plaatsen op de erfgrens van de percelen [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 7] . De kantonrechter heeft de locatie van de afscheiding in het blauw aangegeven op de tekening en de luchtfoto hieronder:
2.22.
Volgens [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] worden hun belangen met de afscheiding zo erg geschaad dat het plaatsen van de afscheiding onredelijk is. Zij voeren aan dat hun bewegingsvrijheid wordt beperkt, omdat perceel [nummeraanduiding 1] niet meer (met de auto) te bereiken zou zijn. [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] vrezen dat zij bij calamiteiten mogelijk niet snel (genoeg) zouden kunnen vertrekken en dat hulpdiensten hun woning en percelen niet goed zouden kunnen bereiken. Ook de afscheiding tussen de percelen [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 7] is volgens [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] onredelijk, ook als daar een poort in zou komen. Volgens [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] wordt perceel [nummeraanduiding 7] vooral gebruikt door de ouders van [gedaagde sub 2] , omdat zij hier hun auto parkeren en aan deze kant de woning binnengaan. [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren aan dat de ouders van [gedaagde sub 2] op leeftijd en slecht ter been zijn en dat zij de woning ook goed moeten kunnen blijven bereiken.
2.23.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] stellen daartegenover dat zij perceel [nummeraanduiding 2] allereerst willen afsluiten omdat de honden van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] loslopen. Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ligt er regelmatig hondenpoep op de zandweg en brengen de honden schade toe aan de weg en aan een toegangspoort die [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben geplaatst. Die toegangspoort staat op (of in de buurt van) en parallel aan de erfgrens tussen de percelen [nummeraanduiding 10] en [nummeraanduiding 2] . Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ruikt hun eigen hond de honden van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] en krabben de honden daardoor aan de toegangspoort. Ten tweede stellen [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] dat [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] de toegang tot hun percelen zonder toestemming of overleg meer en meer hebben verruimd, door in 2009 de uitrit van de kleine garage te realiseren. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] vinden dat [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] aan ‘landjepik’ doen. Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] geven [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] daarnaast toestemming aan derden (zoals de visvereniging) om over de zandweg te komen en te gaan, alsof [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] eigenaar van de zandweg zijn. Dit stoort [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . Volgens [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] lijden zij hierdoor ook schade, omdat de percelen sneller onderhoud nodig hebben en zij dit onderhoud betalen. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] willen de schutting of heg op de erfgrens plaatsen, omdat dit zuiver is en de perceelgrenzen dan duidelijk zijn.
2.24.
De kantonrechter vindt dat de belangen van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] veel zwaarder wegen dan de belangen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] . De belangen van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben allereerst te maken met de toegang tot de woning en de veiligheid van iedereen die er woont. Op de tekening en de luchtfoto is duidelijk te zien dat een fatsoenlijke toegang tot de woning van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] met de afscheiding wordt geblokkeerd en dat [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] worden ingesloten. De poort op de erfgrens van de percelen [nummeraanduiding 7] en [nummeraanduiding 2] zou de enige toegang tot de woning van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn. Daarmee wordt de woning een stuk slechter bereikbaar dan nu het geval is (en decennialang het geval is geweest). Die slechte bereikbaarheid kan in geval van calamiteiten (ook voor de ouders van [gedaagde sub 2] ) tot problemen leiden. Daarnaast hebben [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] er belang bij dat perceel [nummeraanduiding 1] goed bereikbaar blijft. Als de afscheiding wordt geplaatst, kunnen [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] perceel [nummeraanduiding 1] (en de garages) niet meer vanaf perceel [nummeraanduiding 2] bereiken. Zij kunnen dan dus geen gebruik meer maken van de erfdienstbaarheid die door extinctieve verjaring is ontstaan. Die uitkomst is hoe dan niet redelijk en niet toegestaan. De belangen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] bij het plaatsen van een schutting of heg met daarin een poort wegen bovendien niet op tegen de belangen van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] . Daar komt nog bij dat [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] de belangen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben betwist. Volgens [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] is een van hun honden inmiddels overleden en is hun andere hond altijd aangelijnd. Zij betwisten dat hun hond schade (heeft) veroorzaakt. Daarnaast betwisten [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] schade lijden doordat derden over de zandweg rijden. [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten ook dat zij aan landjepik doen. Volgens hen bestaat de huidige situatie met de uitrit van de kleine garage al sinds de bouw van de garages. Omdat [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] de belangen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gemotiveerd hebben weersproken, lag het op de weg van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] om hun belangen bij afsluiting van perceel [nummeraanduiding 2] verder te onderbouwen. Dat hebben zij niet gedaan.
2.25.
De kantonrechter weegt in de belangenafweging ook mee dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hun percelen al voor een deel hebben afgesloten van de percelen van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] . [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben niet alleen een toegangspoort, maar ook een heg geplaatst. Die heg loopt parallel aan de erfgrens tussen de percelen [nummeraanduiding 10] en [nummeraanduiding 7] en staat enkele meters van de erfgrens af. Door de heg is de rijroute over perceel [nummeraanduiding 2] van en naar perceel [nummeraanduiding 1] smaller geworden. [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben met het plaatsen van de heg ingestemd en moeten het bestaan ervan respecteren. Zij maken overigens geen bezwaar tegen de heg. [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] mogen perceel [nummeraanduiding 2] met de heg dus in zekere mate afgescheiden houden.
2.26.
De kantonrechter komt tot de conclusie dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] perceel [nummeraanduiding 2] niet verder mogen afscheiden, omdat dan sprake is van misbruik van recht. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen
2.27.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 17 september 2025 al geoordeeld dat de door [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] gevorderde verklaring voor recht in het eindvonnis wordt afgewezen, omdat zij bij deze vordering geen belang hebben.
in conventie en in reconventie
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] moeten de proceskosten betalen
2.28.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben in conventie ongelijk gekregen en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kosten voor de akte uitlating na het tussenvonnis van 17 september 2025 blijven voor rekening van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] zelf. [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] hadden de informatie uit deze akte (net als [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ) eerder in de procedure naar voren kunnen en moeten brengen. De kantonrechter begroot de kosten van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] op € 1.584,- aan salaris gemachtigde (5,5 punten x tarief € 288,-) en € 144,- aan nakosten (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing). In totaal gaat het om € 1.728,- aan proceskosten in conventie.
2.29.
[eiser sub 1] en [eiseres sub 2] moeten ook de proceskosten in reconventie betalen, omdat zij ongelijk hebben gekregen. Omdat de vordering van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] in reconventie voortvloeit uit het verweer in conventie, wordt de helft van het aantal punten toegekend. De kantonrechter begroot de proceskosten van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] in reconventie op € 792,- (5,5 punten x factor 0,5 x tarief € 288,-).
2.30.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.31.
De proceskostenveroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] af;
3.2.
veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.728,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet op tijd aan de proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, moeten [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ook de kosten van betekening betalen;
3.3.
veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.4.
verklaart de veroordelingen onder 3.2. en 3.3. uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
3.5.
verklaart voor recht dat behoeve van het perceel van [gedaagd sub 1] en [gedaagde sub 2] aan de [straat] in [plaats] , voorheen kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie [letter] , nummer [nummeraanduiding 1] (inmiddels onderdeel van perceel nummer [nummeraanduiding 8] ), en ten laste van het perceel van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] aan de [straat] in [plaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie [letter] , nummer [nummeraanduiding 2] , door extinctieve verjaring in de zin van artikel 3:105 BW Pro een erfdienstbaarheid (recht van overpad) is ontstaan om te komen van perceel [nummeraanduiding 1] en te gaan naar de zandweg op perceel [nummeraanduiding 2] en andersom;
3.6.
veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 792,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] niet op tijd aan de proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, moeten [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] ook de kosten van betekening betalen;
3.7.
veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.8.
verklaart de veroordelingen onder 3.6. en 3.7. uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.