Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 december 2025;
- het bevoegdheidsincident met bijlage van de moeder, ontvangen op 7 januari 2026;
- de brief namens de vader met een reactie op het bevoegdheidsincident, ontvangen op 8 januari 2026 (
- de brief van de moeder, ontvangen op 8 januari 2026;
- het bericht van de GI, ontvangen op 9 januari 2026;
- het bericht van de moeder met bijlagen 1 tot en met 14, ontvangen op
- het verweerschrift van de moeder, ontvangen op 13 januari 2026.
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- [A] en [B] namens de GI.
JL RK 25-840 (verlenging van de ondertoezichtstelling) behandeld.
2.De beoordeling
(29 december 2025) was niet in het werkgebied (arrondissement) van de rechtbank Midden-Nederland. Bij beschikking van 3 december 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader (met gezag) verleend tot
28 januari 2026. De uithuisplaatsing heeft enkele dagen daarna, op 7 december 2025, feitelijk plaatsgevonden. Op het moment dat de GI het verzoekschrift heeft ingediend om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen (29 december 2025), verbleef [minderjarige] dus feitelijk bij haar vader en stond zij ook ingeschreven op het adres van haar vader. Dit betreft een geheim adres, maar uit de stukken blijkt dat alle betrokkenen in deze procedure ervan op de hoogte zijn dat het gaat om een adres in [plaats] . [plaats] ligt niet in het werkgebied van de rechtbank Midden-Nederland, maar in dat van de rechtbank Gelderland. De rechtbank Midden-Nederland is hierdoor onbevoegd. Dat, zoals de vader en de GI hebben aangevoerd, deze rechtbank wel bevoegd is in de zaak over de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , leidt niet tot een andere conclusie. Ook al hebben de verzoeken inhoudelijk met elkaar te maken, het gaat om twee afzonderlijke zaken. In elk van die zaken moet de rechtbank relatief bevoegd zijn om daarover inhoudelijk te kunnen oordelen.
3.De beslissing
mr. J.M. Atema, kinderrechter, in aanwezigheid van J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op 13 januari 2026.