Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:700

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
11947752 \ MC EXPL 25-5987
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1020 RvArt. 1021 RvArt. 1022 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kantonrechter onbevoegd wegens arbitragebeding in aannemingsovereenkomst

In deze civiele zaak vordert eiseres betaling van onbetaalde facturen uit een aannemingsovereenkomst. Gedaagde stelt een incident in en beroept zich op een arbitragebeding in artikel 12 van Pro de overeenkomst, waardoor de kantonrechter onbevoegd zou zijn.

De kantonrechter oordeelt dat partijen inderdaad een arbitragebeding zijn overeengekomen conform artikel 1020 en Pro 1021 Rv. Eiseres heeft niet voldaan aan de voorwaarde om gedaagde bij aangetekende brief een termijn van minstens één maand te geven om te kiezen tussen arbitrage of rechterlijke procedure. De brief van 17 februari 2025 voldoet niet aan deze eisen.

Omdat gedaagde heeft aangegeven de zaak door de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen te willen laten behandelen, verklaart de kantonrechter zich onbevoegd. Eiseres wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €288 aan de zijde van gedaagde.

Uitkomst: Kantonrechter verklaart zich onbevoegd wegens arbitragebeding en veroordeelt eiseres tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11947752 \ MC EXPL 25-5987
Vonnis in incident van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: S. Zejli, werkzaam bij Juristu Incasso Juristen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: J.B.C.P. de Graauw en mr. J.C. Vreugdenhil.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 oktober 2025 met producties 1 tot en met 11;
- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid van [gedaagde] ;
- het antwoord in het incident van [eiseres] .
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] en [gedaagde] hebben een aannemingsovereenkomst gesloten. In de hoofdzaak vordert [eiseres] betaling van onbetaald gebleven facturen. [gedaagde] heeft een incident opgeworpen. Zij vindt dat de kantonrechter niet bevoegd is, omdat partijen hebben afgesproken geschillen voor te leggen aan de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen (hierna: RvA). [eiseres] is het hier niet mee eens. Het gelijk ligt bij [gedaagde] . De kantonrechter zal zich onbevoegd verklaren.

3.De beoordeling in het incident

De standpunten van partijen
3.1.
[gedaagde] heeft in het incident gevorderd dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaard van het geschil kennis te nemen. Hieraan legt zij ten grondslag dat partijen in artikel 12 van Pro de tussen hen gesloten aannemingsovereenkomst hebben afgesproken dat als de aannemer ( [eiseres] ) een procedure aanhangig wil maken, hij eerst de opdrachtgever ( [gedaagde] ) bij aangetekende brief een termijn van ten minste één maand moet stellen om zich uit te laten over de vraag of hij het geschil door de RvA dan wel de gewone rechter beslecht wil zien. [gedaagde] stelt dat haar die gelegenheid niet is geboden, en dat als dat wel was gebeurd, zij had gekozen voor de RvA.
3.2.
[eiseres] stelt dat zij [gedaagde] bij brief van 17 februari 2025 ondubbelzinnig kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn de zaak aan de bevoegde rechter voor te leggen. [gedaagde] heeft daarop niet het standpunt heeft ingenomen dat de rechter niet bevoegd zou zijn, en dit ook voor de eerste roldatum niet heeft gedaan. Buiten rechte heeft zij enkel inhoudelijk verweer gevoerd. [eiseres] vindt dat zij er daarom vanuit mocht gaan dat [gedaagde] instemde met de keuze om naar de rechter te gaan.
Het wettelijk kader
3.3.
In artikel 1020 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat partijen bij overeenkomst geschillen die tussen hen zijn ontstaan of zouden kunnen ontstaan uit een bepaalde, al dan niet uit een overeenkomst voortvloeiende, rechtsbetrekking, aan arbitrage kunnen onderwerpen.
3.4.
Artikel 1021 Rv Pro schrijft voor dat de overeenkomst tot arbitrage wordt bewezen door een geschrift, en dat daarvoor voldoende is een geschrift dat in arbitrage voorziet.
3.5.
Artikel 1022 Rv Pro bepaalt vervolgens dat de rechter, bij wie een geschil waarover een overeenkomst tot arbitrage is gesloten aanhangig is gemaakt, zich onbevoegd verklaart, als een partij zich voor alle weren op het bestaan van deze overeenkomst beroept, tenzij de overeenkomst ongeldig is.
Partijen zijn een arbitragebeding overeengekomen
3.6.
De kantonrechter is van oordeel dat partijen in artikel 12 van Pro de aannemingsovereenkomst een beding zijn overeengekomen dat voorziet in arbitrage als bedoeld in artikel 1020 in Pro verbinding met artikel 1021 Rv Pro. Duidelijk is dat partijen hiermee een (toekomstig) geschil (onder voorwaarden) aan de gewone rechter hebben willen onttrekken en daarbij aan arbitrage hebben willen onderwerpen. [eiseres] heeft dit ook niet betwist.
3.7.
De vraag die partijen verdeeld houdt, is of [eiseres] heeft voldaan aan de voorwaarden van artikel 12 om Pro het geschil aan de rechter te mogen voorleggen. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat dit niet het geval is. In artikel 12 is Pro ondubbelzinnig bepaald dat de aannemer ( [eiseres] ) de opdrachtgever ( [gedaagde] ) bij aangetekende brief een termijn van minstens één maand moet stellen om zich uit te laten of zij het geschil wil voorleggen aan de RvA of aan de rechter. Vast staat dat [eiseres] dit niet heeft gedaan. De brief van 17 februari 2025 geldt niet als zodanig. Daarin staat namelijk slechts dat als [gedaagde] niet binnen vijf dagen tot betaling overgaat, [eiseres] haar zal dagvaarden. Deze brief is niet aangetekend, er wordt geen termijn van een maand in gesteld en [gedaagde] wordt ook niet expliciet een keuze gesteld tussen arbitrage en de gang naar de rechter. Dat [gedaagde] zich niet voor de eerste rolzitting op het standpunt heeft gesteld dat de kantonrechter niet bevoegd is, maakt ook niet dat voldaan is aan de voorwaarden van het arbitragebeding.
3.8.
Omdat [gedaagde] heeft aangegeven de zaak door de RvA behandeld te willen zien, is de RvA bevoegd. Dit betekent dit dat de kantonrechter zich onbevoegd zal verklaren van het geschil kennis te nemen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
3.9.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk heeft gekregen. De kosten van [gedaagde] worden begroot op € 288,00 aan salaris gemachtigde.

4.De beslissing

De kantonrechter
in het incident en de hoofdzaak
4.1.
verklaart zich onbevoegd van het geschil in de hoofdzaak kennis te nemen;
4.2.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 288,00 aan salaris gemachtigde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
45353