ECLI:NL:RBMNE:2026:689

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
UTR 26/1078
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 28 Huisvestingsverordening gemeente Utrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening woningurgentie wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor woningurgentie wegens dreigende dakloosheid, welke door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht is afgewezen omdat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van de Huisvestingsverordening en geen bijzondere persoonlijke noodsituatie heeft.

Verzoeker stelde dat hij feitelijk dakloos is sinds maart 2024 en een ernstige medische situatie heeft die een stabiele woonplek vereist voor herstel na een operatie en behandeling van PTSS. Hij vroeg daarom om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro alleen een voorlopige voorziening kan worden getroffen bij onverwijlde spoed. Verzoeker kon niet voldoende onderbouwen dat er sprake is van een spoedeisend belang of een dreigende onomkeerbare situatie.

Ook was het niet aannemelijk dat het besluit van het college evident onrechtmatig is. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1078

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Jozefzoon-Flipse),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: E. Kuipers).

Procesverloop

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend op 3 februari 2026 tegen het besluit van het college van 29 januari 2026. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar ingediend en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoekschrift voldoet namelijk niet aan de wettelijke eisen, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
Waar gaat dit verzoek over?
3. Verzoeker heeft op 7 januari 2026 een aanvraag ingediend om woningurgentie wegens dreigende dakloosheid. Het college heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 29 januari 2026. Verzoeker voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 28, eerste lid, onder b, c en g van de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht. Verzoeker woont bij zijn zus in [1] , waardoor verzoeker niet over zelfstandige woonruimte beschikt. Daarnaast is geen sprake van een bijzondere persoonlijke noodsituatie. [2] Ook blijkt dat verzoeker een wachttijd heeft bij DAK regio Utrecht vanaf 26 augustus 2013. Met deze wachttijd moet verzoeker binnen zes maanden passende woonruimte kunnen vinden. [3]
Oordeel van de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
5. Verzoeker heeft als spoedeisend belang aangegeven dat hij feitelijk dakloos is sinds maart 2024, dat sprake is van een actuele, objectief vastgestelde progressieve medische situatie en dat hij geen zelfstandige stabiele woonplek heeft die noodzakelijk is voor behandeling en herstel. Verzoeker voert daartoe aan dat bij hem op 26 januari 2026 door een MRI-onderzoek een ernstige lumbale wortelcompressie is vastgesteld, waarvoor door de behandelend specialist een directe operatie-indicatie is afgegeven. De geplande neurochirurgische ingreep kan niet verantwoord plaatsvinden zonder een stabiele postoperatieve verblijfplaats. De huidige situatie van tijdelijke opvang en frequente wisselingen maakt adequaat herstel onmogelijk en vergroot het risico op blijvende invaliditeit. Daarnaast is hij verwezen naar Traumacentrum Nederland voor behandeling van PTSS-klachten. Deze behandeling kan aantoonbaar niet starten zolang verzoeker verblijft in of wordt teruggeleid naar het traumagebied Lunetten, wat door het college niet is uitgesloten in de urgentiebeoordeling. Het niet treffen van een voorziening leidt volgens verzoeker tot onomkeerbare medische schade. Bij het ontbreken van reguliere woonruimte is tijdelijke passende huisvesting in de vorm van een noodwoning noodzakelijk.
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt of acute financiële nood is, wordt in beginsel geen spoedeisend belang aangenomen.
7. De voorzieningenrechter heeft verzoeker bij brief van 4 februari 2026 gevaagd om stukken te overleggen waaruit blijkt dat adequaat herstel in de huidige situatie van tijdelijke opvang onmogelijk is en dat het risico op blijvende neurologische schade wordt vergroot. Ook wil de voorzieningenrechter weten waar verzoeker verblijft.
8. Op 10 februari 2026 heeft verzoeker onder meer de volgende stukken overgelegd:
- betalingen en facturen noodverblijf bungalowpark/hotel;
- financieel overzicht SNS-bank en ABNR-AMRO-bank;
- een verwijzing naar het Traumacentrum Nederland van 24 december 2025;
- een verwijzing naar de neuroloog van het St. Antoniusziekenhuis Nieuwegein van 24 december 2025;
- verslag MRI-onderzoek van 26 januari 2026.
9. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker twee verwijzingen en de uitslag van een MRI-onderzoek heeft overgelegd. Hier leidt de voorzieningenrechter niet af dat operatie niet verantwoord kan plaatsvinden zonder een stabiele postoperatieve verblijfplaats, nog daargelaten dat de voorzieningenrechter uit de stukken niet kan afleiden dat verzoeker een operatie-indicatie heeft. Daarmee is niet onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter is dan ook niet gebleken van een dreigende onomkeerbare situatie.
10. Omdat verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van het college “evident onrechtmatig” is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. Hiervan is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

11. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening.
2.Artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening.
3.Artikel 28, eerste lid, aanhef en onder g, van de Verordening.