In deze zaak ligt een geschil tussen vennootschappen binnen een samenwerkingsconstructie waarbij Hagranop Production beslag heeft gelegd op Hagranop. De financiële problemen binnen de constructie leidden tot een kredietopzegging door de bank en onderhandelingen over verkoop van activa. Eisers wilden het beslag geheel opgeheven zien, maar de voorzieningenrechter beperkte de procedure tot de opheffing van het beslag.
De rechter oordeelde dat het beslag op de handelsvoorraad wortelen onredelijk bezwarend is vanwege het bederfelijke karakter en het belang van voortbestaan van Hagranop en Hagranop Production. Daarom werd dit beslag opgeheven. Het bankbeslag werd beperkt tot het bedrag dat op het moment van beslaglegging was getroffen, omdat het beslag onnodig werd uitgebreid naar toekomstige vorderingen.
De overige beslagen op het vermogen van Hagranop blijven in stand, omdat niet summierlijk is gebleken van ondeugdelijkheid van de vordering. Eisers 1, 2 en 3 werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, en de proceskosten werden gecompenseerd zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen.