Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:679

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
C/16/607381 / KL ZA 26-50
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke opheffing beslag en beperking bankbeslag in handelsvoorraadgeschil tussen vennootschappen

In deze zaak ligt een geschil tussen vennootschappen binnen een samenwerkingsconstructie waarbij Hagranop Production beslag heeft gelegd op Hagranop. De financiële problemen binnen de constructie leidden tot een kredietopzegging door de bank en onderhandelingen over verkoop van activa. Eisers wilden het beslag geheel opgeheven zien, maar de voorzieningenrechter beperkte de procedure tot de opheffing van het beslag.

De rechter oordeelde dat het beslag op de handelsvoorraad wortelen onredelijk bezwarend is vanwege het bederfelijke karakter en het belang van voortbestaan van Hagranop en Hagranop Production. Daarom werd dit beslag opgeheven. Het bankbeslag werd beperkt tot het bedrag dat op het moment van beslaglegging was getroffen, omdat het beslag onnodig werd uitgebreid naar toekomstige vorderingen.

De overige beslagen op het vermogen van Hagranop blijven in stand, omdat niet summierlijk is gebleken van ondeugdelijkheid van de vordering. Eisers 1, 2 en 3 werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, en de proceskosten werden gecompenseerd zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Het beslag op de handelsvoorraad wortelen wordt opgeheven, het bankbeslag wordt beperkt, en het overige beslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/607381 / KL ZA 26-50
Vonnis in kort geding van 27 februari 2026
in de zaak van

1.[eisende partij sub 1] B.V.,

te [vestigingsplaats] ,
2.
HAGRANOP COLDSTORE B.V.,
te Nagele,
3.
HAGRANOP PRODUCTION B.V.,
te Nagele,
4.
HAGRANOP B.V.,
te Tollebeek,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: Hagranop,
advocaat: mr. M.P.M. Fruytier,
tegen

1.AVOS B.V.,

te Swifterbant,
2.
[gedaagde partij sub 2],
3.
HAGRANOP PRODUCTION B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: Hagranop Production,
advocaat mr. W.H.M. Cnossen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de op 24 februari 2026 betekende dagvaarding
- de 40 producties van Hagranop
- de 6 producties van Hagranop Production
- de mondelinge behandeling van 26 februari 2026
- de pleitnota van Hagranop
- de pleitnota van Hagranop Production.
In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 27 februari 2026 vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking

2.Kern van de zaak

2.1.
Hagranop Production heeft beslag gelegd ten laste van Hagranop. Hagranop wil dat dit beslag wordt opgeheven. De voorzieningenrechter zal het beslag deels opheffen en beperken, maar ook deels in stand laten.

3.De beoordeling

Achtergrond van het geschil
3.1.
Partijen maken deel uit van een constructie van vennootschappen met verschillende onderlinge verbanden. Uiteindelijk is de hele constructie gebaseerd op een samenwerking tussen de heren [A] en [gedaagde partij sub 2] . Zij zijn, alleen of gezamenlijk, (middellijk) bestuurder van de onderliggende vennootschappen [1] .
3.2.
Eén tak van die vennootschapsconstructie bestaat uit Hagranop Coldstore B.V. (hierna: Coldstore) en haar 100% dochter Hagranop Production. Zij drijven een koel- en vriesveem. Het fysieke koelhuis is ondergebracht in Coldstore. De bedrijfsactiviteiten, te weten het opslaan en stapsgewijs verkopen van met name wortels, worden uitgevoerd door Hagranop Production. [A] en [gedaagde partij sub 2] zitten allebei (uiteindelijk) voor ieder 50% in Coldstore en Hagranop Production en zijn beiden zelfstandig bevoegd (middellijk) bestuurder van deze vennootschappen.
3.3.
In deze tak van de samenwerking tussen [A] en [gedaagde partij sub 2] zijn financiële problemen ontstaan. Deze problemen hebben geleid tot de opzegging door de bank van het aan Coldstore en Hagranop Production verleende krediet. Als oplossing voor de problemen is op aandringen van de bank gezocht naar een koper voor de roerende en onroerende zaken van Coldstore en Hagranop Production. [A] is met een potentiële koper een onderhandelingstraject ingegaan. Dat traject heeft op 27 oktober 2025 geleid tot afspraken tussen de potentiële koper en [A] .
3.4.
Tussen [A] en [gedaagde partij sub 2] is in geschil of die gemaakte afspraken betekenen dat een koopovereenkomst met de potentiële koper tot stand is gekomen waaraan [gedaagde partij sub 2] (als medebestuurder) zijn medewerking moet verlenen. Eisers 1, 2 en 3 hebben deze vraag in kort geding voorgelegd aan de voorzieningenrechter. In die zaak is een mondelinge behandeling bepaald op 27 maart 2026. Een verzoek van eisers om vervroeging van de datum van mondelinge behandeling is geweigerd.
3.5.
Hagranop Production heeft beslag laten leggen ten laste van Hagranop.
Eisers onder 1, 2 en 3 zijn niet-ontvankelijk in hun vorderingen
3.6.
Op maandag 23 februari 2026 hebben eisers verzocht om gedaagden op verkorte termijn te mogen dagvaarden in kort geding. Ter onderbouwing van dat verzoek hebben eisers een conceptdagvaarding met toelichting toegezonden. In de conceptdagvaarding werd uitsluitend de opheffing van beslagen gevorderd. Het verlof tot dagvaarding op verkorte termijn is diezelfde dag nog verleend, omdat door Hagranop Production onder andere beslag was gelegd op bederfelijke waar en omdat door het gecombineerde beslag de volledige bedrijfsvoering van Hagranop (de beslagene) was stilgelegd. De mondelinge behandeling van het kort geding tot opheffing van het beslag was gepland op 26 februari 2026 onder de verplichting aan eisers om de dagvaarding uiterlijk op 24 februari vóór 12.00 uur te betekenen aan gedaagden.
3.7.
Aan deze verplichting hebben eisers voldaan. Maar toen zij op 24 februari 2026 de betekende dagvaarding in het geding brachten, bleek dat eisers niet alleen opheffing van de beslagen vorderde. Eisers wilden ook het hele geschil over de koopovereenkomst voorleggen. Het geschil waarvoor eisers al een datum voor een mondelinge behandeling op 27 maart 2026 hadden gekregen. Gedaagden hebben diezelfde dag nog bezwaar gemaakt tegen deze uitbreiding van het geschil door eisers. De voorzieningenrechter heeft op 24 februari 2026 aan het einde van de middag aan beide partijen laten weten dat de behandeling van het kort geding beperkt zou blijven tot de gevorderde opheffing van de beslagen.
3.8.
De overige door eisers ingestelde vorderingen zijn en worden in dit kort geding niet in behandeling genomen. Eisers hebben voor een behandeling van deze vorderingen geen toestemming gevraagd (en dus ook niet gekregen) om te mogen dagvaarden op verkorte termijn.
3.9.
Het is niet voor niets dat er een wettelijk dagvaardingstermijn geldt. Een gedaagde partij moet in de gelegenheid worden gesteld om zich in voldoende mate te kunnen voorbereiden op en te kunnen verdedigen tegen door een eiser ingestelde vorderingen. Verkorting van een dagvaardingstermijn kan alleen na daarvoor verkregen toestemming als de spoedeisendheid van een zaak in de weg staat aan toepassing van de minimale wettelijke termijn. Het gaat niet aan om ná een verkregen toestemming de dagvaarding en het geschil onaangekondigd uit te breiden ten opzichte van het document op basis waarvan de toestemming is verleend. En zodoende alsnog te proberen de behandeling van een geschil vervroegd plaats te laten vinden, terwijl een eerder verzoek daartoe nota bene was afgewezen. Dat is minst genomen in strijd met de goede procesorde.
3.10.
Nu het geschil beperkt is tot de gevorderde opheffing van beslag, blijven als betrokken partijen over eiser 4, Hagranop, en gedaagde 3, Hagranop Production. Het beslag is immers door Hagranop Production gelegd ten laste van uitsluitend Hagranop. De overige partijen hebben geen rol hierin. Eisers 1, 2 en 3 zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. Aangezien de vordering tot opheffing zich niet richt tegen gedaagden 1 en 2 zal de vordering jegens hen worden afgewezen.
Toetsingskader voor opheffing van het beslag
3.11.
De voorzieningenrechter die beslagverlof heeft gegeven, heft het beslag in kort geding in beginsel onder meer op als summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht. Dit is het spiegelbeeld van de toets die wordt aangelegd bij verlening van het beslagverlof, waarbij wordt onderzocht of de vordering die wordt verzekerd summierlijk deugdelijk is.
Er is niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering
3.12.
Voor het oordeel dat summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de vordering van Hagranop Production op Hagranop is nodig dat tussen partijen – zo nodig in rechte –komt vast te staan of de koop die [A] namens Hagranop met de potentiële koper heeft gesloten in de onderlinge verhouding tussen [A] en [gedaagde partij sub 2] – als indirect medebestuurders van Hagranop Production – rechtmatig tot stand is gekomen, in die zin dat geen sprake is van een tegenstrijdig belang van [A] en hij bevoegd was Hagranop Production zelfstandig te vertegenwoordigen. Partijen zijn hierover in geschil. De uitkomst van dit geschil is op dit moment nog ongewis en dit geschil ligt in dit opheffingsgeding niet aan de voorzieningenrechter voor. Mocht blijken dat er is sprake van een tegenstrijdig belang waardoor [A] onbevoegd was Hagranop Production te vertegenwoordigen bij de verkoop van de activa van Hagranop Production aan de koper – zelfs al zou dit slechts werking hebben in de onderlinge verhouding tussen [A] en [gedaagde partij sub 2] –, dan kan het zijn dat Hagranop Production een vordering op Hagranop heeft die een tegenvordering van de Hagranop overstijgt. Daarom kan nu niet worden geoordeeld dat summierlijk blijkt van een ondeugdelijke vordering van Hagranop Production op Hagranop. De vordering tot het opheffen van het beslag moet worden afgewezen. Dit betekent dat het conservatoire (derden)beslag in beginsel op het vermogen van Hagranop blijft rusten. Dit geldt onverkort voor het gelegde derdenbeslag onder de debiteuren, meer niet voor het bankbeslag en het beslag op de handelsvoorraad wortelen. Daarover hierna meer.
Het bankbeslag wordt beperkt
3.13.
Aan Hagranop Production is verlof gegeven om ten laste van Hagranop conservatoir beslag te leggen onder de Coöperatieve Rabobank U.A. (hierna: de bank) op alles wat de bank aan Hagranop verschuldigd mocht zijn “en/of nog mocht worden” in verband met (een) ten tijde van het leggen van het derdenbeslag reeds bestaande rechtsverhouding. Zoals het nu is geformuleerd is door de beslaglegging ook alles wat de bank in de toekomst aan Hagranop verschuldigd mocht worden beslagen, zonder beperking in tijdsduur. Dit is onwenselijk. In beginsel mag een verkregen beslagverlof slechts éénmaal worden gebruikt. Bij derdenbeslag onder een bank is het gangbaar dat verlof wordt gevraagd voor het herhaald mogen leggen van het beslag. Een repeterend beslag wordt doorgaans in aantal en tijdsduur beperkt. Ook moet het gemotiveerd zijn aangevraagd. Dit is niet gebeurd. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het op 20 februari 2026 gelegde bankbeslag te beperken tot het bedrag dat op het moment waarop het beslag werd gelegd door het beslag is getroffen. Het gelegde bankbeslag ziet dus niet (langer) op alles wat de bank in de toekomst nog verschuldigd mocht worden.
Het beslag op de wortelen is onredelijk bezwarend
3.14.
Ten slotte is aan Hagranop Production verlof gegeven om conservatoir beslag te leggen op – kort gezegd – de handelsvoorraad wortelen van Hagranop, aanwezig in het koel- en vriesveem dat Hagranop Production namens Coldstore uitbaat(te). Dit beslag is onredelijk bezwarend. Het beslag op de handelsvoorraad wortelen zal dan ook worden opgeheven – ondanks dat niet summierlijk is gebleken van een ondeugdelijke vordering van Hagranop Production op Hagranop. Aan dit oordeel ligt een belangenafweging ten grondslag. Hagranop Production heeft beslag gelegd ter verzekering van de door haar gestelde vordering op Hagranop. De vraag is echter of dit belang door het beslag op de handelsvoorraad wortelen wordt gediend. Het gaat om bederfelijke waar. Met name wanneer de wortelen zijn gewassen, bederven deze snel. Hagranop Production zal niet tijdig – voordat de gewassen wortelen zijn bedorven – een executoriale titel kunnen verkrijgen die nodig is om de wortelen te gelde te kunnen maken. Als het beslag op de handelsvoorraad blijft rusten, zullen de wortelen verpieteren en (voor beide partijen) waardeloos worden. Dit dient het belang van Hagranop Production bij de verzekering van de door haar gestelde vordering op Hagranop niet. Hagranop heeft daarentegen een wezenlijk belang bij opheffing van het beslag. Sinds het beslag op haar handelsvoorraad rust, ligt de bedrijfsvoering van Hagranop (nagenoeg) stil. Dit vormt een directe bedreiging voor haar voortbestaan. Ook de continuïteit van Hagranop Production lijkt er niet bij gebaat als het beslag op de handelsvoorraad van Hagranop blijft rusten. Hagranop kan de handelsvoorraad niet verkopen, partijen kunnen dan geen van beiden de exploitatiekosten van het koel- en vriesveem opbrengen. Hagranop Production heeft tijdens de zitting openlijk gespeculeerd over de mogelijkheid dat zij surseance van betaling zal moeten aanvragen waarna zeer waarschijnlijk zelfs een faillissement zal volgen. Het belang van voortbestaan van Hagranop (en Hagranop Production) weegt zwaarder dan het belang van Hagranop Production tot verzekering van de door haar gestelde vordering op Hagranop dat niet eens lijkt te wordern gediend door het beslag op de handelsvoorraad wortelen van Hagranop te laten rusten. Het beslag op de handelsvoorraad wortelen wordt daarom opgeheven.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.15.
De wijze van procederen van eisers heeft voor gedaagden niet tot hogere kosten geleid. Gedaagden wisten ook voor de mondelinge behandeling al dat zij hun verweer konden beperken tot de opheffing van het beslag. Bij de beoordeling van dat geschil hebben beide partijen voor een deel gelijk gekregen. Daarom zal geen van beide partijen in de proceskosten worden veroordeeld. Partijen moeten ieder hun eigen proceskosten dragen.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
verklaart [eisende partij sub 1] B.V., Hagranop Coldstore B.V. en Hagranop Production B.V. niet ontvankelijk in hun vorderingen,
4.2.
heft op het op 20 februari 2026 ten laste van Hagranop gelegde beslag op de haar in eigendom toebehorende, individueel identificeerbare kisten met wortelen, die zich bevinden bij Production in haar opslagruimte aan de [adres] te [vestigingsplaats] ,
4.3.
beperkt het op 20 februari 2026 ten laste van Hagranop gelegde beslag onder de Coöperatieve Rabobank U.A., gevestigd en kantoorhoudende te (3521 CB) Utrecht, aan de Croeselaan 18 tot het bedrag dat op het moment waarop het beslag werd gelegd door het beslag is getroffen,
4.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.
4403

Voetnoten

1.Voor een overzicht van de complete constructie zie productie 1 bij dagvaarding