ECLI:NL:RBMNE:2026:674

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/3777
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiseres heeft een WIA-uitkering aangevraagd na uitval wegens klachten aan haar linkerschouder en -arm. Het UWV wees de aanvraag af omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, een oordeel dat eiseres betwistte en waartegen zij bezwaar maakte. Na afwijzing van het bezwaar stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank beoordeelde of het UWV de wet correct had toegepast en of de medische en arbeidskundige rapporten aan de vereisten voldeden. De medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep werd als zorgvuldig en goed gemotiveerd beoordeeld, waarbij de klachten en beperkingen van eiseres adequaat waren meegenomen. De door eiseres overgelegde aanvullende medische stukken boden geen aanleiding tot een ander oordeel.

Ook de arbeidskundige beoordeling werd als voldoende onderbouwd gezien, waarbij de functies die eiseres zou kunnen verrichten passend werden geacht binnen haar beperkingen. De rechtbank concludeerde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij meer beperkingen had dan vastgesteld.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde dat het UWV de WIA-aanvraag terecht had afgewezen. Eiseres krijgt geen uitkering, geen terugbetaling van griffierecht en geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat het UWV de WIA-aanvraag terecht heeft afgewezen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3777

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Stoel)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. E.F. de Roy van Zuydewijn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiseres recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het Uwv vindt dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv de WIA-aanvraag terecht heeft afgewezen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de WIA-aanvraag van eiseres terecht heeft geweigerd
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres viel op 20 juni 2022 uit voor haar werk als [functie] voor 37,93 uur per week bij [bedrijf] B.V. in verband met klachten aan haar linkerschouder en -arm. Op 7 maart 2024 heeft eiseres een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.
2.1.
Met het besluit van 28 juni 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat eiseres per 17 juni 2024 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Om in aanmerking te komen voor een WIA-uitkering moet iemand minimaal 35% arbeidsongeschikt zijn. Eiseres is per 17 juni 2024 voor 15,26% arbeidsongeschikt geacht.
2.2.
Eiseres is het daar niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit van 11 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering in stand gelaten. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres is vastgesteld op 15,1%.
2.3.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op 2 januari 2026 aanvullende medische stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Eiseres was daarbij aanwezig samen met haar dochter, [A] , en bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

3. Aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht, moet de rechtbank beoordelen of het Uwv de WIA-aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Bij die beoordeling moet de rechtbank bekijken of het Uwv de regels uit de wet goed heeft toegepast. Daarbij is het zo dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, maar deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moeten de rapporten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, mogen deze geen tegenstrijdigheden bevatten en moeten de daarin getrokken conclusies voldoende begrijpelijk zijn.
3.1.
Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. Voor het aannemelijk maken dat de medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Bij de rechtbank werken namelijk geen artsen en de rechtbank kan zelf dus niet zomaar zeggen dat een verzekeringsarts een onjuiste medische conclusie heeft getrokken. Dit betekent dat hoe iemand zich zelf voelt zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
De medische beoordeling
3.2.
Eiseres voert aan dat haar belastbaarheid niet juist is vastgesteld. Volgens eiseres is onvoldoende rekening gehouden met de klachten aan haar linkerschouder en -arm. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat zij ook veel pijn ervaart aan haar linkerzijde als zij haar linkerzijde ontziet en handelingen verricht met haar rechterschouder en -arm. Op de zitting heeft eiseres ook toegelicht dat zij vanwege de pijn en schouderklachten alleen kleine stukjes kan autorijden en alleen als dit echt noodzakelijk is. Eiseres meent dat zij beperkt is voor beroepsmatig vervoer en dat voor haar een urenbeperking is aangewezen.
3.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de medische beoordeling onjuist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 11 juni 2025 overtuigend gemotiveerd welke beperkingen eiseres heeft als gevolg van haar linkerschouderproblematiek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij de medische informatie van de behandelend sector over de linkerschouderklachten serieus en kenbaar bij de beoordeling betrokken. Op basis van de verkregen medische informatie, maar ook haar eigen onderzoeksbevindingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hiervan een weging gemaakt en die klachten vertaald in objectieve beperkingen voor het verrichten van arbeid. Dit heeft geleid tot het aannemen van forse beperkingen voor met name de linkerzijde van eiseres in de functionele mogelijkhedenlijst van 14 juni 2024 (de FML). Door eiseres is niet aannemelijk gemaakt dat zij meer beperkingen heeft, ook wanneer zij zich bij haar handelingen beperkt tot het gebruik van de rechterkant van haar lichaam. De door haar kort voor de zitting nog overgelegde medische stukken geven geen ander beeld dan de al beschikbare medische stukken. De daaruit naar voren komende medische problemen met haar linkerschouder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep al betrokken in de medische beoordeling. Hoe eiseres haar klachten ervaart is op zichzelf onvoldoende om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Die is namelijk deskundig op het gebied van het vaststellen van arbeidsbeperkingen. Dat eiseres pijn ervaart bij het autorijden, is verder onvoldoende reden om haar beperkt te achten voor beroepsmatig vervoer, zoals zij stelt. Daar komt bij dat in de aan de schatting ten grondslag liggende functies geen sprake is van belasting op dit item. De beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidskundige beoordeling
3.4.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij de door de arbeidsdeskundige geduide functies om medische redenen niet kan verrichten. Zij wijst erop dat zij niet langer dan vijf mintuten aan een computer kan werken vanwege pijn. Desondanks is zij geschikt geacht voor functies waarin werken met een computer is vereist. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat ervan uit moet worden gegaan dat de beperkingen van eiseres, zoals vastgelegd in de FML, juist zijn. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat eiseres de werkzaamheden, die horen bij de functies die geduid zijn op grond van die FML, niet zou kunnen verrichten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de arbeidskundige bezwaar en beroep in het rapport van 10 juni 2025 per functie toereikend heeft gemotiveerd waarom daarin de belastbaarheid van eiseres niet wordt overschreden. Het bestreden besluit is dan ook gebaseerd op een voldoende zorgvuldige arbeidskundige grondslag. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv de WIA-aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.