ECLI:NL:RBMNE:2026:67

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
16-199249-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van verdachte voor ontucht met minderjarigen met bijzondere voorwaarden en taakstraf

Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van ontucht met minderjarigen. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden en een taakstraf van 240 uur. De feiten vonden plaats tussen 1991 en 2004, waarbij de verdachte seksuele handelingen heeft gepleegd met zijn twee jongere zussen, die op het moment van de misdrijven nog minderjarig waren. De rechtbank heeft bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een behandelverplichting, en heeft overwogen dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend was gezien het lange tijdsverloop en de proceshouding van de verdachte. De rechtbank heeft de verklaringen van de slachtoffers als consistent en betrouwbaar beoordeeld, ondanks het lange tijdsverloop sinds de feiten. De verdachte heeft gedeeltelijk bekend, maar heeft ook delen van de beschuldiging ontkend. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, waarbij een schadevergoeding van € 5.000,- is vastgesteld voor immateriële schade. De rechtbank heeft de verdachte ook verplicht om de schadevergoeding aan de Staat te betalen, met wettelijke rente vanaf de datum van indiening van de vordering.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16-199249-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 15 januari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1972 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 18 december 2025. Het onderzoek is gesloten op 15 januari 2026.
Bij de inhoudelijke behandeling waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de advocaat van de verdachte: mr. S. Dogan (hierna: de advocaat);
  • de officier van justitie: mr. F. Koolhof;
  • de benadeelde partij: [slachtoffer 1] ;
  • het slachtoffer: [slachtoffer 2] ;
  • de advocaat van de benadeelde partij en het slachtoffer: mr. C.H. Dijkstra.
Op verzoek van de slachtoffers zijn zij gedurende de zitting enkel aangeduid met hun voorletter. Hier zal bij worden aangesloten in dit vonnis. De volledige namen van de slachtoffers zijn bij de procespartijen en de rechtbank bekend. De verdediging is hiermee niet in enig recht geschaad.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
Feit 1:in de periode van 1 januari 1998 tot en met 12 oktober 2002 in Langbroek en/of Doorn ontucht, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam, heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , die toen nog geen twaalf jaar oud was;
Feit 2:in de periode van 12 oktober 2002 tot en met 31 december 2004 in Langbroek en/of Doorn ontucht, waaronder seksueel binnendringen, heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , die toen boven de twaalf maar nog niet boven de zestien jaar oud was;
Feit 3:in de periode van 1 juni 1990 t/m 30 mei 1995 in Langbroek ontucht, waaronder seksueel binnendringen, heeft gepleegd met [slachtoffer 1] , die toen nog geen twaalf jaar oud was.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.3.
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van bepaalde onderdelen van de beschuldiging. Wel kunnen volgens de advocaat alle drie de feiten gedeeltelijk worden bewezen.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.3.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
Deze zaak ziet op seksuele handelingen die jarenlang en in veelvoud zouden hebben plaatsgevonden. Beide aangeefsters, zussen van de verdachte, waren op het moment dat het misbruik startte nog beneden de tien jaar. Hoewel verschillende gezinsleden wel tegenover de politie hebben uitgesproken dat zij vermoedens hadden dat er iets speelde, is niemand direct getuige geweest van de ontuchtige handelingen die destijds hebben plaatsgevonden. De aangeefsters hebben beiden jarenlang gezwegen over het seksuele misbruik. De verdachte heeft de feiten grotendeels bekend, maar op enkele onderdelenlopen de verklaringen uiteen.
De rechtbank moet allereerst de vraag beantwoorden of, aan de hand van het dossier en het onderzoek op de zitting, wat in de beschuldiging staat wettig en overtuigend kan worden bewezen. In zedenzaken speelt doorgaans het wettelijk bewijsminimum een belangrijke rol, wat betekent dat een verdachte niet kan worden veroordeeld op basis van slechts één getuigenverklaring; er moet ook voldoende steunbewijs zijn. Daarbij gaat het om de beschuldiging als één geheel, het is dus niet zo dat alle onderdelen van de tenlastelegging door minimaal twee bewijsmiddelen moeten zijn belegd. Het is verder ook van belang dat de rechtbank zich uitlaat over de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring als zij deze voor het bewijs gebruikt.
De rechtbank merkt op dat het bewijs in deze zaak in de kern ziet op verklaringen die (ruim) twintig jaar na de feiten zijn afgelegd. Het menselijk geheugen is feilbaar en sommige dingen gaan met de tijd verloren. Ook is algemeen bekend dat herinneringen door andere, latere gebeurtenissen kunnen worden beïnvloed. De rechtbank zal daarom behoedzaam met alle verklaringen omgaan. Bij gerede twijfel moet de rechtbank dit in het voordeel van de verdachte uitleggen, en dus de verdachte vrijspreken. Dat betekent niet dat bepaalde dingen niet zijn gebeurd, maar slechts dat er, juridisch gezien, onvoldoende bewijs voor bestaat.
De rechtbank wijst er verder nog op dat zij zich in dit vonnis enkel kan en zal uitlaten over de feiten die onderdeel uitmaken van de beschuldiging.
3.3.2
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1, 2 en 3 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.3
Bewijsoverwegingen
Betrouwbaarheid verklaringen van de aangeefsters
De rechtbank acht de verklaringen van beide aangeefsters consistent, authentiek en betrouwbaar. De verklaringen van de aangeefsters ondersteunen elkaar ook op belangrijke punten, omdat daaruit een bepaalde handelswijze van de verdachte is op te maken. De verklaringen van de aangeefsters worden ook in belangrijke mate ondersteund door de (deels) bekennende verklaring van de verdachte.
Dat de aangeefsters bepaalde details of specifieke tijdsaanduidingen niet meer kunnen benoemen, doet niets aan de betrouwbaarheid af. Dat is immers verklaarbaar door de factoren zoals eerder genoemd, waaronder het lange tijdsverloop.
Pleegperiode en gewijzigde wetgeving
Uit het e-mailbericht van [slachtoffer 2] blijkt dat zij inschat dat het misbruik is begonnen toen zij acht jaar oud was. Zij noemt in haar verklaring ook een duidelijk einde, namelijk 2004. De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, voor [slachtoffer 2] voldoende wettig en overtuigend bewezen dat de ontucht heeft plaatsgevonden in de periode die in de beschuldiging van feiten 1 en 2 staat.
Voor wat betreft de periode van feit 3, heeft de rechtbank rekening te houden met het volgende.
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij van 1 juni 1990 tot en met 30 mei 1995 met [slachtoffer 1] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd die bestonden uit, of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. De tekst van de tenlastelegging is ontleend aan artikel 244 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze gold van 1 december 1991 tot en met 30 juni 2024. De rechtbank merkt op dat gedurende het begin van de periode in de beschuldiging echter een andere wetstekst gold, namelijk dat strafbaar was de “vleselijke gemeenschap met een meisje beneden de twaalf jaar”. Volgens de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad moest destijds onder vleselijke gemeenschap worden verstaan het brengen van het mannelijke geslachtsorgaan in het vrouwelijke geslachtsorgaan (zie daarvoor onder meer conclusie Advocaat-Generaal Hofstee bij HR 18 mei 2010, LJN: BK6910; Kamerstukken II, 1988-1989, 20930, nr. 3 p. 7). De tekst van artikel 244 Sr betrof dus een wezenlijk andere strafbaarstelling vóór 1 december 1991.
Wat daar ook van zij, uit de bewijsmiddelen volgt in elk geval dat het misbruik zou zijn begonnen toen [slachtoffer 1] acht of negen jaar oud was, dus in de tweede helft van 1991 of in 1992. Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte één keer heeft geprobeerd om zijn penis bij haar naar binnen te duwen en dat dit heeft plaatsgevonden op de autostoel op zolder. Zij heeft ook verklaard dat verdachte pas later de zolder had opgeruimd en daar twee autostoelen had geplaatst, alwaar dit zou hebben plaatsgevonden. Gelet hierop en ervan uitgaande dat het misbruik van [slachtoffer 1] niet gelijk is begonnen met deze ene keer maar is gestart met andere door [slachtoffer 1] omschreven handelingen, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het door aangeefster beschreven moment, waarop de verdachte zijn penis in haar vagina heeft geprobeerd te duwen, vóór december 1991 heeft plaatsgevonden. Daarom ziet de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de hiervoor genoemde ontuchtige handeling plaatsvond vóór 1 december 1991 en zal de verdachte voor dat deel van de beschuldiging dan ook vrijspreken.
Het overige deel van de pleegperiode acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen. [slachtoffer 1] heeft weliswaar meerdere momenten genoemd waarop het zou zijn geëindigd, maar uit de bewijsmiddelen volgt dat de ontucht in elk geval nog tot en met haar elfde levensjaar heeft voortgeduurd, zoals ook in de beschuldiging als einddatum is opgenomen.
Ontuchtige handelingen feiten 1 en 2
De verdachte heeft bekend dat hij één keer met [slachtoffer 2] seks heeft gehad door middel van het brengen van zijn penis in haar vagina. [slachtoffer 2] heeft daarover verklaard dat zij niet meer weet wanneer dat precies is gebeurd. De advocaat heeft om die reden gevraagd de verdachte zowel onder feit 1 als onder feit 2 van dat deel van de beschuldiging vrij te spreken.
Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting volgt dat [slachtoffer 2] . naar zijn inschatting twaalf of dertien jaar moet zijn geweest toen de penetratie plaatsvond. De rechtbank ziet daarom voldoende wettig en overtuigend bewijs dat deze handeling in de periode van feit 2 is gepleegd. Die conclusie betekent dus ook dat een gedeeltelijke vrijspraak volgt voor dat deel van de beschuldiging onder feit 1.
Verder staat in de beschuldiging van feiten 1 en 2 dat de verdachte [slachtoffer 2] ontuchtige handelingen bij hem heeft laten plegen, namelijk het aftrekken en oraal bevredigen. De verdachte heeft bij de politie en ook ter terechtzitting verklaard dat dit is gebeurd, maar [slachtoffer 2] ontkent dit stellig. De gerede twijfel die de rechtbank op dit punt heeft moet, ondanks de bekennende verklaring van de verdachte, in het voordeel van de verdachte worden uitgelegd. De rechtbank spreekt de verdachte van dat deel vrij.
Ontuchtige handelingen feit 3
De advocaat heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het duwen van zijn penis in de vagina van [slachtoffer 1] , omdat de verdachte dit ontkent. De officier van justitie acht dit wel bewijsbaar.
De rechtbank overweegt dat de verklaringen van de verdachte en van de aangeefster op dit punt heel dicht bij elkaar liggen. De verdachte heeft namelijk verklaard over het wrijven van zijn penis bij de schaamstreek en daarmee meer druk zetten op de vagina. De aangeefster verklaart op dat punt dat de verdachte bleef proberen binnen te dringen in haar vagina, maar dat de penis niet verder in de vagina kwam en dat hij zeker wel iets naar binnen is gekomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat wel degelijk kan worden bewezen dat de verdachte zijn penis in de vagina van [slachtoffer 1] . heeft geduwd.
Tot slot heeft de verdachte ontkend dat hij een hond het geslachtsdeel van [slachtoffer 1] heeft laten likken. De advocaat heeft voor dit deel van de beschuldiging ook vrijspraak gevraagd. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit wel kan worden bewezen, omdat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is en het voorstelbaar is dat die gebeurtenis de verdachte niet is bijgebleven, maar het slachtoffer wel.
De rechtbank is van oordeel dat voor dit onderdeel van de tenlastelegging onvoldoende overtuigend bewijs is. De beschreven ontuchtige handeling past niet in het patroon dat het dossier laat zien. Verder bevat het dossier ook geen steunbewijs voor dit onderdeel. Gelet op de stellige ontkenning van de verdachte ter terechtzitting, is de herinnering van het slachtoffer wat de rechtbank betreft onvoldoende om tot het overtuigende bewijs te komen dat deze handeling ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De gerede twijfel die de rechtbank op dit punt heeft moet dan ook in het voordeel van de verdachte worden uitgelegd.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
1
hij in de periode van 1 januari 1998 tot en met 12 oktober 2002 te Langbroek, gemeente Wijk bij Duurstede, en Doorn, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1990, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , door
- de vagina en de schaamstreek van die [slachtoffer 2] aan te raken/te betasten, en
- zijn vinger(s)
in de vaginaen
zijntong tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 2] te brengen en/of te duwen en/of te bewegen;
2
hij in de periode van 12 oktober 2002 tot en met 31 december 2004 te Langbroek, gemeente Wijk bij Duurstede en Doorn, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1990, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , door
- de vagina en de schaamstreek van die [slachtoffer 2] aan te raken/te betasten, en
- zijn penis tegen de vagina en de schaamstreek van die [slachtoffer 2] te duwen, en
- zijn vinger(s)
en penis in de vaginaen/of
zijntong tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 2] te brengen en/of te duwen en/of te bewegen;
3
hij in de periode van 1 december 1991 tot en met 30 mei 1995 te Langbroek, gemeente wijk bij Duurstede, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1983, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , door
- de vagina en de schaamstreek van die [slachtoffer 1] aan te raken/te betasten, en
- zijn penis te laten vastpakken en zich te laten aftrekken en zich oraal te laten bevredigen door die [slachtoffer 1] , en
- zijn penis tegen de vagina en de schaamstreek van die [slachtoffer 1] te duwen, en
- zijn vinger(s)
en penis in de vaginaen
zijntong tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] te brengen en/of te duwen en/of te bewegen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd en schuingedrukt weergegeven. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1:met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;
feit 2:met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;
feit 3:met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.
4.2
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan een gedeelte van 24 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaar, met de bijzondere voorwaarden die de reclassering adviseert. De officier van justitie vordert bij de oplegging van een locatieverbod rekening te houden met de omstandigheid dat de zoon van de verdachte in [plaats] woont en dat hij hem moet kunnen halen en brengen.
De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).
5.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de feiten al zodanig oud zijn, dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen redelijk doel meer dient. De advocaat vraagt een lange gevangenisstraf op te leggen, waarvan slechts één dag onvoorwaardelijk in verband met het taakstrafverbod, met daarbij de bijzondere voorwaarden die de reclassering adviseert en een proeftijd van vijf jaar. Daarnaast vraagt de advocaat een taakstraf van maximale duur op te leggen.
5.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte op:
  • een gevangenisstraf van twaalf maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, met de bijzondere voorwaarden die de reclassering adviseert; en
  • een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis.
De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze straffen is gekomen. Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich jarenlang en veelvuldig schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn twee jongere zussen. Het bewezenverklaarde misbruik begon toen zij pas acht of negen jaar oud waren. De verdachte was toen al volwassen en het leeftijdsverschil tussen hen bedroeg maar liefst elf en achttien jaar. De seksuele handelingen bestonden mede uit het seksueel binnendringen van hun lichamen, zowel met zijn penis als op andere manieren. Het misbruik vond bovendien mede plaats in de ouderlijke woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig hadden moeten voelen. Daarnaast heeft de verdachte destijds geen voorbehoedsmiddelen gebruikt, waardoor hij zijn zussen heeft blootgesteld aan de risico’s van een geslachtsziekte of zwangerschap.
De verdachte heeft hierdoor op zeer ernstige wijze misbruik gemaakt van zijn morele en fysieke overmacht als (veel) oudere broer. De verdachte heeft bevrediging gezocht van zijn eigen seksuele verlangens en is daarbij volledig voorbijgegaan aan onder meer de psychische schade die hierdoor aan zijn zussen kon worden toegebracht. Hij heeft daarbij geen oog gehad voor hun lichamelijke integriteit en een gezonde seksuele ontwikkeling doorkruist.
De slachtoffers hebben op de zitting invoelbaar verwoord wat een enorme impact dit op hun leven heeft gehad, en nog steeds heeft. Zij hebben al die jaren dit geheim bij zich gedragen en zijn pas naar de politie gestapt toen zij signalen kregen dat er mogelijk misbruik speelde binnen het eigen gezin van de verdachte. De rechtbank benadrukt dat slachtoffers van seksueel geweld, zeker wanneer dit op jonge leeftijd plaatsvond, in géén geval verantwoordelijk zijn voor hetgeen hen en (mogelijke) latere slachtoffers is aangedaan. De volledige verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de verdachte. Ter terechtzitting heeft hij ook laten zien zich daarvan bewust te zijn.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De verdachte heeft direct bij de politie openheid van zaken gegeven en de feiten grotendeels bekend. Vanwege tussenkomst van Veilig Thuis zijn verschillende, intensieve hulpverleningstrajecten opgestart. De verdachte laat zien gemotiveerd te zijn om te veranderen en zijn verantwoordelijkheid te nemen. Doordat het misbruik aan het licht kwam, is het huwelijk van de verdachte op de klippen gelopen en heeft hij geen contact meer met zijn familieleden (van zijn ouderlijk gezin). Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van de verdachte van 11 november 2025 blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen voor strafbare feiten.
De reclassering heeft op 26 november 2025 een advies uitgebracht over de verdachte. De reclassering schrijft dat de verdachte in zijn jeugd seks gebruikte als manier om te vermijden en te ontladen, wat zich heeft doorgezet in zijn volwassen leven. Op korte termijn wordt het recidiverisico laag ingeschat, mede door de houding van de verdachte en de hulp die al is ingezet. Indien de verdachte echter opnieuw een relatie zou aangaan, waarbij sprake is van een inwonend minderjarig meisje en hij tegelijkertijd zou terugvallen in zijn eerdere gedragspatronen, kan het recidiverisico toenemen. De reclassering vindt het daarom wenselijk dat de verdachte voor een langere periode onder toezicht blijft. Daarnaast kost het proces van verandering tijd en is dus nodig dat de behandeling van de verdachte zorgvuldig wordt afgerond.
De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarden:
  • meldplicht bij de reclassering;
  • ambulante behandeling;
  • een contactverbod met [slachtoffer 1] . en [slachtoffer 2] ;
  • een locatieverbod voor de plaatsen [plaats] en [plaats] (zonder elektronische monitoring);
  • een verbod op het gebruik van alcohol en/of drugs, waaronder pijnstillers; en
  • dat de verdachte openheid geeft over zijn relaties, en over sociale contacten met betrekking tot minderjarigen.
De reclassering schrijft verder dat de oplegging van een gevangenisstraf aanzienlijke gevolgen voor de verdachte zal hebben, omdat hij dan waarschijnlijk zijn werk en woonruimte verliest. Dat kan leiden tot een verdere toename van het sociaal isolement waarin de verdachte zich al bevindt, wat het risico op recidive kan verhogen. De reclassering ziet geen beletsel voor de oplegging van een taakstraf.
Toepasselijk recht
Bij veranderde wetgeving tussen de pleegperiode en de oplegging van een straf, moet de rechtbank nagaan welke bepalingen ten voordele van de verdachte zijn en die bepalingen toepassen. Dat betekent niet alleen dat nieuwe wetgeving die gunstiger is óók van toepassing is op feiten die vóór de inwerkingtreding van die wet zijn gepleegd, maar ook dat nieuwe wetgeving die ongunstig is voor de verdachte niet met terugwerkende kracht mag worden toegepast.
De rechtbank stelt vast dat het Wetboek van Strafrecht op het moment dat de feiten werden gepleegd nog niet voorzag in een regeling van dadelijke uitvoerbaarheid (ingevoerd 1 april 2012). Ook de maximaal op te leggen proeftijd was ten tijde van de pleegperiode wettelijk begrensd tot drie jaar; pas in 2006 werd die maximale proeftijd voor specifieke gevallen verruimd. De oude bepalingen die golden ten tijde van het bewezenverklaarde zijn dus in het voordeel van de verdachte en de rechtbank zal die bepalingen dan ook toepassen. Dat betekent dus ook dat de rechtbank deze onderdelen van de door de officier van justitie geëiste straf in ieder geval niet kan opleggen.
De rechtbank wijst er ook op dat ten tijde van het plegen van de feiten nog geen taakstrafverbod in de wet was opgenomen (ingevoerd 3 januari 2012), zodat de rechtbank daar ook geen rekening mee hoeft te houden.
Strafoplegging
De rechtbank stelt voorop dat de feiten waarvoor de verdachte wordt veroordeeld zo ernstig zijn, dat deze in beginsel een gevangenisstraf van lange duur rechtvaardigen. De rechtbank houdt er echter rekening mee dat de feiten ruim twintig en dertig jaar geleden zijn gepleegd. De oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de stabiliteit in het leven van de verdachte fors ontwrichten en dat kan juist de kans op herhaling vergroten. Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van de verdachte rekening met zijn proceshouding, spijtbetuiging en zijn motivatie voor behandeling. De rechtbank vindt het niet wenselijk de behandeling, die de verdachte naar haar oordeel hard nodig heeft, met de oplegging van een gevangenisstraf te doorkruisen. Behalve vergelding zijn er dan ook op dit moment geen andere strafdoelen meer die, na zoveel jaar, met een gevangenisstraf kunnen worden bereikt. De rechtbank is daarom, alles afwegende, van oordeel dat een taakstraf van 240 uur meer passend is.
Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van twaalf maanden, als stok achter de deur. Daaraan zal de rechtbank de voorwaarden verbinden die de reclassering heeft geadviseerd. De verdachte heeft zich bereid verklaard zich aan die voorwaarden te houden. Indien de verdachte die voorwaarden niet naleeft of een nieuw strafbaar feit pleegt, dan kan het zijn dat (een deel van) die gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd. De rechtbank verbindt de (destijds) maximale proeftijd van drie jaar aan die voorwaarden, omdat de rechtbank verwacht dat de behandeling van de verdachte lange tijd in beslag zal nemen en zij het ook wenselijk vindt dat de verdachte voor langere tijd onder toezicht zal staan van de reclassering. De rechtbank geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden. Op het contact- en locatieverbod zal toezicht worden gehouden door de politie.
Voor wat betreft het locatieverbod, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de zoon van de verdachte in [plaats] woont. De rechtbank vindt het van belang dat de verdachte in staat moet blijven zijn zoon op het woonadres op te halen en weg te brengen. Het locatieverbod zal dus niet [plaats] (gemeente Utrecht) in zijn geheel omvatten, maar alleen het [locatie] , het [locatie] , de straat [straat] , de [straat] , de [straat] , de [straat] , de [straat] en de [straat] .
De rechtbank vindt het tot slot nog belangrijk te benoemen dat zij het recente (mogelijke) misbruik binnen het gezin van de verdachte niet meeweegt in de strafmaat. Deze feiten maken namelijk geen onderdeel uit van de beschuldiging.

6.Vordering benadeelde partij

6.1
Vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 20.000,- voor feit 3, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de benadeelde partij voor een deel van de vordering niet-ontvankelijk is omdat de feiten zijn gepleegd voordat de Wet Terwee in werking is getreden, dan wijst de advocaat erop dat een deel van de pleegperiode wel daarna valt en heeft zij de rechtbank verzocht gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.
6.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, inclusief de wettelijke rente. Daarnaast eist de officier van justitie de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de ontvankelijkheid van de vordering, gelet op de veranderde wetgeving in de tussenliggende periode.
6.3
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft erop gewezen dat vóór de inwerkingtreding van de Wet Terwee de maximaal toe te kennen schadevergoeding in strafzaken begrensd was tot € 680,67 (omgerekend naar euro’s). De advocaat refereert zich verder aan het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid en de hoogte van de vordering van de benadeelde partij.
6.4
Oordeel van de rechtbank
Toepasselijk recht
In de Wet Terwee, die in werking trad op 1 april 1995, werd de benadeelde partij een onbeperkte bevoegdheid gegeven tot vordering van geleden schade en werd de schadevergoedingsmaatregel in het Wetboek van Strafrecht geïntroduceerd. Voor de Wet Terwee in werking trad bestond slechts de mogelijkheid om een schadevergoeding van 1.500 gulden (omgerekend € 680,67) te vorderen binnen het strafproces. In het overgangsrecht bij die wet werd bepaald dat deze niet van toepassing is op strafbare feiten die zijn begaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van die wet.
De bewezenverklaarde periode onder feit 3 loopt van 1 december 1991 tot en met 30 mei 1995 en valt dus deels voor, en deels na de inwerkingtreding van die wet. De rechtbank is daarom van oordeel dat de Wet Terwee wél van toepassing is op de periode van 1 april 1995 tot en met 30 mei 1995.
Inhoudelijke beoordeling van de vordering
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De vordering is onderbouwd met een verslag van de psycholoog-psychotherapeut van de benadeelde van 24 september 2014, waaruit blijkt dat zij somberheid ervoer en dagelijks herbelevingen had van het seksuele misbruik door haar broer. Uit het verslag blijkt dat een plan van aanpak is ingezet langs de PTSS richtlijn, waarvoor EMDR-therapie is ingezet. Ook blijkt uit de vordering dat de benadeelde weer een terugval ervaart in haar psychische klachten, waarvoor zij is verwezen naar de praktijkondersteuner van de huisarts.
De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding van € 5.000,- billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk (mede gelet op de datum van invoering van de Wet Terwee) en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 9 december 2025 (de datum waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. In verband met het tijdsverloop is de rechtbank uitgegaan van deze ingangsdatum voor de wettelijke rente. De wettelijke rente beoogt namelijk deels de gevolgen van inflatie te ondervangen, terwijl inflatiecorrectie ook al wordt toegepast in de smartengeldbedragen zelf.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding deels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. Op dit moment staat niet vast dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering. De rechtbank begroot daarom de kosten op nihil.
Maatregel van schadevergoeding
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 5.000,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 december 2025 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 50 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straffen en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b (oud), 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 244 (oud) en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
-

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvan
12 (twaalf) maanden;
- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van
3 (drie) jarenvast;
- als voorwaarden gelden dat de verdachte:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- zich meldt binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres: Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat behandelen door De Waag Amersfoort of een soortgelijke zorgverlener, te
bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt;
- zich niet zal bevinden in Leusden, en zich niet zal bevinden op de volgende plaatsen (bossen) en straten in en rondom [plaats] (provincie Utrecht):
- het [plaats] ,
- het [plaats] ,
en de straten:
- [straat] ,
- de [straat] ,
- de [straat] ,
- de [straat] ,
- de [straat] en
- de [straat] ,
zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod.
- geen alcohol en/of drugs (waaronder pijnstillers) gebruikt, indien dit nodig wordt gevonden door de reclassering, en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
- stelt de reclassering op de hoogte als hij een relatie met een vrouw krijgt. Hij laat dan
weten of zij minderjarige (klein)kinderen heeft. Tevens is de verdachte open over zijn sociale contacten met betrekking tot minderjarigen;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt de verdachte daarnaast tot een
taakstrafvan
240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij (feit 3)
  • wijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
  • verklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
schadevergoedingsmaatregel
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 5.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 december 2025tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met
50 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. Michon, voorzitter, mr. J.G. van Ommeren en mr. F.F. Geerdink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 12 oktober 2002 te Langbroek, gemeente Wijk bij Duurstede, en/of Doorn, althans in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1990, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , door
- de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 2] aan te raken/te betasten, en/of
- zijn penis te laten vastpakken en/of zich te laten aftrekken en/of zich oraal te laten bevredigen door die [slachtoffer 2] , en/of
- zijn penis tegen de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 2] te duwen, en/of
- zijn vinger(s) en/of tong en/of penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 2] te brengen en/of te duwen en/of te bewegen;
2
hij in of omstreeks de periode van 12 oktober 2002 tot en met 31 december 2004 te Langbroek, gemeente Wijk bij Duurstede en/of Doorn, althans in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1990, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , door
- de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 2] aan te raken/te betasten, en/of
- zijn penis te laten vastpakken en/of zich te laten aftrekken en/of zich oraal te laten bevredigen door die [slachtoffer 2] , en/of
- zijn penis tegen de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 2] te duwen, en/of
- zijn vinger(s) en/of tong en/of penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 2] te brengen en/of te duwen en/of te bewegen;
3
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 1990 tot en met 30 mei 1995 te Langbroek, gemeente wijk bij Duurstede, althans in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1983, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , door
- de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 1] aan te raken/te betasten, en/of
- zijn penis te laten vastpakken en/of zich te laten aftrekken en/of zich oraal te laten bevredigen door die [slachtoffer 1] , en/of
- de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 1] door een hond te laten likken, en/of
- zijn penis tegen de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 1] te duwen, en/of
- zijn vinger(s) en/of tong en/of penis in de vagina, althans tussen de schaamlippen, van die [slachtoffer 1] te brengen en/of te duwen en/of te bewegen.
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
De rechtbank gebruikt voor de bewezenverklaring de volgende bewijsmiddelen:
Feiten 1 en 2
De aangeefster [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1990, heeft op 5 april 2024 een informatief gesprek zeden met de politie gevoerd, waarbij zij het volgende verklaarde:
Het begon in mijn ouderlijk huis in Langbroek. Mijn broer [verdachte] vroeg mij of ik meeliep naar de zolder van de schuur. Toen vroeg hij of ik mijn broek naar beneden wou doen. En toen ging hij met zijn hand of die mocht voelen. Toen ging hij dus voelen en hij ging zichzelf aftrekken. [2] Of dan ging je naar de wc en stond je in de rij te wachten. Dan ging hij naast je staan en als hij de kans kreeg dan ging hij met zijn hand naar je vagina om te voelen. [3] Hij riep je dan altijd naar dat schuurtje toe. In dat schuurtje, dan ging hij voelen en zichzelf bevredigen. Dat is vaak gebeurd. [4]
Ik mocht van mijn moeder geld verdienen en dan mocht ik in zijn woning schoonmaken op de [straat] in [plaats] . Een keer kwam hij thuis. Hij zei dat hij wou dat ik me ging uitkleden en op bed ging liggen. Dat deed je dan. Toen ging hij zichzelf ook uitkleden en toen ging hij naar binnen. Toen kwam hij klaar op mijn buik. [5]
Het stopte toen hij een relatie kreeg met [A] . Toen vroeg hij aan mij of we het dan nog een keertje konden doen. En toen zij ik nee. Toen is het gestopt. [6]
Het gebeurde heel vaak. De keer dat hij met zijn penis in mijn vagina is gekomen dat is één keer geweest. [7]
Uit een e-mail van aangeefster [slachtoffer 2] aan de zedenpolitie voorafgaand aan het informatief gesprek, volgt verder het volgende:
Voor zover ik mij kan herinneren begon het toen ik 8 jaar oud was en heeft het geduurd tot mijn broer [verdachte] een relatie kreeg met [A] . [verdachte] heeft in deze periode, zeer regelmatig, tot soms wel dagelijks, mij achtervolgd, geprobeerd om te kopen, te chanteren en gedwongen waarop hij seksuele handelingen met mij verrichte. [8]
De verdachte heeft op 14 april 2025 over de feiten een bekennende verklaring afgelegd bij de politie:
Ik heb [slachtoffer 2] . betast. Ik heb haar gelikt en uiteindelijk heb ik haar eenmalig gepenetreerd. Het betasten is meerdere keren gedaan. Dat houdt in met mijn vingers aan de vagina zitten. Het strelen. Mijn piemel langs haar plassertje halen. Ik heb haar betast, gevingerd. Dat deden we op de zolder. Ik heb met mijn tong haar vagina gelikt. Dat is een aantal keren gebeurd. [9] De eerste keer was bij het ouderlijk huis in [plaats] . [10]
De penetratie was in mijn huisje, in de slaapkamer. Ze was toen langsgekomen. Toen had ik haar weer gestreeld en gelikt en daarna had ik gevraagd of ik hem erin mocht stoppen. Toen heb ik hem voorzichtig langs de plasser gehaald en naar binnen geduwd. Toen hadden we kortdurend seks met elkaar. Ik kwam al vrij snel klaar, deels in haar en deels erbuiten. [11]
Het is gestopt op het moment dat ik mijn vrouw in 2004 heb leren kennen. [12]
Ter terechtzitting heeft de verdachte ook een bekennende verklaring afgelegd, waarbij hij aanvullend het volgende verklaarde:
Het binnendringen bij [slachtoffer 2] was meer aan het eind van de periode. Gelet op de fysieke kenmerken: borstvorming, schaamhaar en ongesteldheid zal ze rond de 12 of 13 zijn geweest. [13]
Feit 3
Op 13 mei 2024 deed [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1983, aangifte van seksueel misbruik tegen haar broer, [verdachte] , waarin zij verklaarde:
Ik weet dat ik jong was, 8 of 9 jaar oud. Ik weet dat het al aan de gang was voor
ik in de ontwikkeling was. Ik zat in groep 8 toen ik ongesteld werd, dus ik weet dat
het voor die tijd zeker was. Het misbruik was al lang aan de gang voor ik in de puberteit kwam. [14]
Het waren aanrakingen en binnendringen. Met binnendringen bedoel ik zijn piemel in mijn plasser. Het paste niet. Ook aanrakingen, vooral aan mijn plasser, of mijn vagina hoe moet ik het noemen. Zijn vingers zijn ook in mijn vagina geweest. Hij heeft ook aan mijn vagina gelikt. Ik heb hem ook moeten aftrekken en pijpen. [15]
Ik weet dat we vaak de zolder opgingen, we hadden een hele grote garage. We hadden een
hele grote garage. het was altijd heel moeilijk om daar te komen. Ik moest dan altijd
eerst en dan kwam hij daarna. We hadden de hele zolder vol met fietsen en auto
onderdelen, heel vies was het. Later weet ik dat hij het helemaal had opgeruimd en
dat hij twee autostoelen netjes had neergezet om het netjes te maken, om het
"gezellig" te maken. Daar gebeurden de handelingen voornamelijk. [16] Ik zou bijna zeggen dat het wel elke week gebeurde dat [verdachte] aan mij zat en mij seksueel misbruikte. [17]
Het heftigste wat er is gebeurd is dat hij is binnengedrongen, omdat het niet paste. Ik weet nog dat hij maar bleef proberen. Zijn piemel kon maar niet verder in mijn vagina en uiteindelijk stopte het. Ik lag daar op die stoel, op die autostoel op zolder. De ruimte die hij netjes had gemaakt. Hij is zeker wel iets naar binnen gekomen. [18]
De aangeefster [slachtoffer 1] heeft op 14 mei 2025 bij de politie verder nog aanvullend verklaard:
Aan het einde van groep 8 werd ik voor het eerst ongesteld. Ik was toen 11 jaar. Het kan voor mij bijna niet anders dan dat het misbruik voor die tijd heeft plaatsgevonden. Ik weet namelijk nog dat ik mij sterker voelde vanaf het moment dat ik ongesteld werd om nee tegen hem te zeggen en ik heb het gevoel dat er vanaf dat moment niets meer is gebeurd. [19]
De verdachte heeft op 14 april 2025 over de feiten een bekennende verklaring afgelegd bij de politie:
Met [slachtoffer 1] . is gebeurd: vingeren, likken en strelen en mijn piemel langs haar vagina ophalen. Dat was op verschillende plekken door het huis heen. Op het toilet, badkamer, zolder, schuur en slaapkamer. Op de [adres 2] in [plaats] . Met likken bedoel ik likken aan de vagina, aan de clitoris. Met piemel langs haar vagina bedoel ik: dan lag ze bijvoorbeeld op de buik of de rug en dan deed ik hem erlangs opsteken, tussen de benen langs de vagina. Erlangs opwrijven tot bijna een hoogtepunt. [20] Ik heb [slachtoffer 1] . misbruikt. Ik heb aan haar clitoris gezeten. [21]
Ter terechtzitting heeft de verdachte ook een deels bekennende verklaring afgelegd, waarbij hij aanvullend het volgende verklaarde:
Het klopt dat [slachtoffer 1] . mij ook handmatig en oraal heeft bevredigd. Het zou kunnen dat ik wel heb geprobeerd binnen te dringen met mijn penis in de vagina bij het wrijven bij [slachtoffer 1] ., maar dat het niet is gelukt. Wrijven langs de schaamstreek en daarmee wat meer druk zetten op de vagina, zeg maar. [22]

Voetnoten

2.Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden [slachtoffer 2] , pagina 24 onderaan.
3.Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden [slachtoffer 2] , pagina 25.
4.Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden [slachtoffer 2] , pagina 25.
5.Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden [slachtoffer 2] , pagina 25, onderaan en pagina 26.
6.Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden [slachtoffer 2] , pagina 26.
7.Het proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden [slachtoffer 2] , pagina 29.
8.Het proces-verbaal van bevindingen (e-mailbericht [slachtoffer 2] ), pagina 19.
9.Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] , pagina 122 en 123.
10.Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] , pagina 123.
11.Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] , pagina 123.
12.Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] , pagina 124.
13.De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 december 2025.
14.Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , pagina 56 onderaan.
15.Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , pagina 57.
16.Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , pagina 57 onderaan.
17.Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , pagina 58, halverwege.
18.Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , pagina 60.
19.Het proces-verbaal van bevindingen (aanvullende verklaring TRICA83), pagina 142.
20.Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] , pagina 124.
21.Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte [verdachte] , pagina 133.
22.De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 december 2025.