Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:659

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
604987 FT RK 26-1
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 369 lid 8 FwArt. 373 lid 4 FwArt. 376 lid 4 FwArt. 376 lid 9 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Definitieve afkondiging afkoelingsperiode in WHOA-procedure voor mobiliteitsdienstverlener

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 27 januari 2026 de voorlopige afkoelingsperiode die op 8 januari 2026 was verleend aan [verzoekster] B.V. definitief afgekondigd voor de duur van vier maanden. Deze periode beschermt [verzoekster] tegen verhaalsmaatregelen van schuldeisers en het uitspreken van faillissement, zodat zij een akkoord kan voorbereiden en aanbieden aan haar schuldeisers.

[verzoekster] is een mobiliteitsdienstverlener die door coronamaatregelen en vertraagde mobiliteitsafspraken in financiële problemen is gekomen. Met een schuldenlast van circa € 8,9 miljoen en een negatief eigen vermogen, streeft zij via een WHOA-procedure naar een akkoord dat meer waarde oplevert dan een faillissement. De rechtbank achtte de afkoelingsperiode noodzakelijk om de bedrijfsvoering voort te zetten en het akkoord voor te bereiden.

De belangen van de gezamenlijke schuldeisers worden niet wezenlijk geschaad, mede omdat de cashflowprognose een stabiele positie laat zien en de zakelijke opdrachtgever [belanghebbende] U.A. geen bezwaar maakte tegen de afkoelingsperiode. De rechtbank zag geen aanleiding tot aanvullende voorzieningen en wees het verzoek toe conform artikel 376 Faillissementswet Pro.

De afkoelingsperiode gaat in op 8 januari 2026 en houdt in dat schuldeisers geen verhaalsmaatregelen mogen treffen zonder toestemming van de rechtbank en dat faillissementsverzoeken worden geschorst. Hiermee krijgt [verzoekster] de ruimte om het akkoord binnen twee maanden aan te bieden.

Uitkomst: De rechtbank heeft de voorlopige afkoelingsperiode definitief afgekondigd voor vier maanden om de voorbereiding van een akkoord mogelijk te maken.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

afdeling toezicht
locatie Lelystad
afkondigen afkoelingsperiode
rekestnummer: 604987 FT RK 26-1
uitspraakdatum: 27 januari 2026
in de zaak van:
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. J. van den Dolder te Zuid-Beijerland.
belanghebbende:
de coöperatie
[belanghebbende] U.A.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
belanghebbende,
hierna te noemen: [belanghebbende] ,
advocaat: mr. A.M. Mennens te Utrecht.

1.De kern van de beslissing

1.1.
In deze beslissing wordt een op 8 januari 2026 voorlopig verleende afkoelingsperiode definitief afgekondigd. De duur van de afkoelingsperiode is vier maanden. Dit betekent dat schuldeisers van [verzoekster] geen verhaalsmaatregelen mogen nemen en dat niet het faillissement van [verzoekster] kan worden uitgesproken.
1.2.
[verzoekster] heeft de afkoelingsperiode nodig om een akkoord te kunnen voorbereiden en aanbieden aan haar schuldeisers. Dit akkoord is mede in hun belang, omdat daarmee meer waarde wordt gerealiseerd dan in het geval van een liquidatie van [verzoekster] . De stellingen van [verzoekster] en [belanghebbende] geven geen aanleiding om nadere voorzieningen te treffen ter beveiliging van de individuele belangen van [belanghebbende] .

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure volgt uit:
- de startverklaring van 5 januari 2026,
- het verzoekschrift van [verzoekster] van 5 januari 2026,
- de beschikking van 8 januari 2026,
- de aanvullende stukken van de zijde van [verzoekster] van 12 januari 2026,
- de zienswijze van [belanghebbende] van 14 januari 2026.
2.2.
Het verzoek is op 16 januari 2026 tijdens een behandeling in raadkamer behandeld en nader toegelicht. In raadkamer zijn, door middel van een video-verbinding, verschenen en gehoord:
- de heer [A] , bestuurder van [verzoekster] ,
- mevrouw mr. J. van den Dolder, advocaat,
- de heer [B] , adviseur van [verzoekster] ,
- de heer [C] , namens [belanghebbende] ,
- mevrouw mr. A.M. Mennens, advocaat,
- de heer [D] , namens belanghebbende NS,
- de heer [E] , namens belanghebbende NS.

3.De achtergronden

3.1.
[verzoekster] is een mobiliteitsdienstverlener. Zij beheert een digitaal platform (app) waarmee particulieren en werknemers van zakelijke klanten mobiliteitsdiensten kunnen afnemen van verschillende aanbieders van, onder meer, parkeerfaciliteiten, OV-reisdiensten, steps en fietsen. [verzoekster] incasseert de kosten voor de verleende dienst en draagt deze conform een afgesproken verdeelsleutel periodiek af aan haar opdrachtgevers. Particuliere klanten contracteren rechtstreeks met [verzoekster] . Zakelijke klanten contracteren met een dochtermaatschappij van [verzoekster] , de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] betaalt maandelijks aan [verzoekster] voor het gebruik van het platform en andere diensten.
3.2.
De aandelen in het kapitaal van [verzoekster] worden gehouden door zeven verschillende partijen. De bestuurder en meerderheidsaandeelhouder is [bedrijf 2] B.V., waarvan de heer [A] de bestuurder is. [verzoekster] houdt zelf alle aandelen in het kapitaal van [bedrijf 1] .
3.3.
[verzoekster] is in financiële problemen geraakt door de coronamaatregelen, waardoor er veel minder werd gereisd. Vervolgens zijn in 2022 nieuwe mobiliteitsafspraken niet of pas veel later doorgevoerd. [verzoekster] heeft vervolgens gereorganiseerd, kosten gereduceerd en nieuwe opdrachtgevers gezocht. De operationele herstructurering was eind 2023 afgerond. De schuldenlast van [verzoekster] is op dit moment te hoog voor de omvang van haar onderneming. [verzoekster] heeft een totale schuldenlast van ongeveer € 8,9 miljoen. Zij heeft schulden aan gelieerde vennootschappen en haar aandeelhouders (€ 5 miljoen), aan de Belastingdienst (€ 1,9 miljoen), aan Rabobank (€ 290.000) en handelscrediteuren (€ 1,6 miljoen). Het eigen vermogen van [verzoekster] per 30 november 2025 was -/- € 2,8 miljoen, met een balanstotaal van € 6,5 miljoen.
3.4.
[verzoekster] heeft een cashflow-prognose overgelegd. Het vooruitzicht op het aan te bieden akkoord laat een meerwaarde van ongeveer € 350.000 tot € 400.000 zien, op basis van eerste inschattingen van de liquidatie- en reorganisatiewaarde. In het geval van een faillissement zal enkel de preferente Belastingdienst hoogstwaarschijnlijk een gedeeltelijke uitkering ontvangen.
3.5.
[verzoekster] is gestart met de voorbereidingen van een akkoord. [verzoekster] vreest dat mogelijke incassomaatregelen, waaronder het aanvragen van een faillissement of beslagleggingen, het voortgaan met ondernemen frustreren. De directe aanleiding hiervoor is dat zij een betalingsregeling met een van haar schuldeisers, die eerder beslag had gelegd, niet meer kan nakomen. [verzoekster] vreest hierdoor opnieuw beslagleggingen.
3.6.
[verzoekster] heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure. Zij doet een verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode voor de duur van vier maanden. [verzoekster] zegt toe dat zij binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord zal aanbieden.
3.7.
[belanghebbende] is één van de opdrachtgevers van [verzoekster] . [verzoekster] faciliteert [belanghebbende] met de verhuur van parkeerplaatsen en het innen van parkeergelden. [verzoekster] incasseert de gelden en betaalt deze maandelijks achteraf door aan [belanghebbende] . Het gaat maandelijks gemiddeld om een bedrag van ongeveer € 56.0000. [verzoekster] heeft een aanzienlijke achterstand laten ontstaan in de doorbetalingen en [belanghebbende] vreest dat ook toekomstige doorbetaalverplichtingen onbetaald zullen blijven.

4.De beoordeling

Rechtsmacht en bevoegdheid
4.1.
Omdat de rechtbank zich in het kader van deze akkoordprocedure buiten faillissement eerder (relatief) bevoegd heeft verklaard, is zij gelet op artikel 369 lid 8 Faillissementswet Pro (hierna: Fw) eveneens bevoegd kennis te nemen van het voorliggende verzoek.
Afkoelingsperiode
4.2.
[verzoekster] heeft in haar verzoekschrift toegezegd dat zij binnen twee maanden een akkoord zal aanbieden, zodat [verzoekster] kan worden ontvangen in haar verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode. Op grond van artikel 376 lid 4 Fw Pro wordt het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode toegewezen indien summierlijk blijkt dat aan drie vereisten wordt voldaan, namelijk (1) dat dit noodzakelijk is om de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of om de door schuldenaar gedreven onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd af te kunnen wikkelen, (2) dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en (3) dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.
4.3.
Een afkoelingsperiode is op dit moment noodzakelijk in het kader van de voorbereidingen van het voorgenomen akkoord. [verzoekster] heeft meerdere schuldeisers die aandringen op betaling, al dan niet onder druk van incassomaatregelen (beslaglegging) of het aanvragen van het faillissement. Omdat [verzoekster] in het kader van haar bedrijfsvoering gelden van derden zal moeten doorbetalen, zoals in het geval van [belanghebbende] , zal een beslaglegging haar bedrijfsvoering direct in gevaar brengen. Van een akkoord zal dan geen sprake meer kunnen zijn. Vooral voor de zakelijke opdrachtgevers van [verzoekster] is het van belang dat zij en hun werknemers voorlopig gebruik kunnen blijven maken van de dienstverlening van [verzoekster] .
4.4.
Uit de cash-flowprognose die [verzoekster] heeft overgelegd, volgt dat gedurende de afkoelingsperiode de positie van de gezamenlijke schuldeisers niet zal verslechteren. Omdat aannemelijk is dat de totstandkoming van een akkoord voor die schuldeisers meer zal opleveren dan een liquidatie, geldt dat de afkoelingsperiode in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers. Hierover wordt het volgende opgemerkt.
4.5.
Ten aanzien va de cash-flowprognose valt op dat [verzoekster] voor haar bedrijfsvoering in hoge mate afhankelijk is van opbrengsten uit [bedrijf 1] . De EBITDA van [verzoekster] per 30 november 2025 bedroeg € 362.734,-. Dit bedrag is uitsluitend positief doordat in de berekening van de EBITDA een bijdrage van [bedrijf 1] is opgenomen van € 723.183. [verzoekster] heeft een liquiditeitsprognose overgelegd waaruit volgt dat zij haar lopende verplichtingen kan voldoen.
4.6.
Uit de toelichting van [verzoekster] ter zitting volgt dat sprake is van een verplichte bijdragen van [bedrijf 1] , omdat zij gebruik maakt van activa en diensten van [verzoekster] . De bedrijfsvoering van [bedrijf 1] is zodanig met die van [verzoekster] verweven dat beide ondernemingen failliet zouden gaan, zonder herstructurering van [verzoekster] . De reden om niet ook voor [bedrijf 1] een akkoord aan te bieden, is dat zij geen bovenmatige schuldenlast heeft. Aldus de toelichting van [verzoekster] .
4.7.
Er zijn geen feiten of omstandigheden bekend op basis waarvan de belangen van individuele schuldeisers wezenlijk worden geschaad. De schuldeiser die in het verleden beslag heeft gelegd en opnieuw dreigt met verhaalsmaatregelen heeft, hoewel daartoe uitgenodigd, geen zienswijze ingediend en is ook niet ter zitting verschenen.
4.8.
Ten aanzien van [belanghebbende] geldt dat in de cash-flowprognose is voorzien in de maandelijkse afdracht. Tussen [verzoekster] en [belanghebbende] is overeenstemming bereikt over de wijze waarop nieuwe verplichtingen die tijdens de afkoelingsperiode zijn ontstaan, zullen worden nagekomen. [belanghebbende] heeft zich niet tegen verlening van de afkoelingsperiode verzet.
4.9.
[belanghebbende] heeft zich in haar zienswijze op het standpunt gesteld dat [verzoekster] gehouden is zekerheid te stellen voor de nieuwe verplichtingen. Zij heeft hiermee een beroep gedaan op artikel 373 lid 4 Fw Pro. Hierin is bepaald dat [belanghebbende] tijdens de afkoelingsperiode haar verplichtingen jegens [verzoekster] niet kan staken, voor zover zekerheid is gesteld voor de nakoming van de nieuwe verplichtingen die ontstaan tijdens de afkoelingsperiode. Een voorwaarde voor een beroep op dit artikel is dat [verzoekster] voor de afkondiging van de afkoelingsperiode in verzuim verkeerde. Ter zitting heeft [belanghebbende] zich op het standpunt gesteld dat zij, zonder rechterlijke tussenkomst en met onmiddellijke ingang, haar verplichtingen jegens [verzoekster] kan staken op het moment dat de lopende verplichtingen niet worden voldaan op de wijze die zij met [verzoekster] is overeengekomen. Partijen hebben geen stellingen ingenomen over de wijze en het moment waarop [verzoekster] in verzuim zou zijn en hebben slechts globaal inzicht gegeven in hun onderlinge rechtsverhouding en de afspraken die werden gemaakt in het kader van de afkoelingsperiode. De rechtbank zal over dit punt daarom niet oordelen en ziet geen aanleiding om voorzieningen overeenkomstig 376 lid 9 Fw te treffen.
4.10.
De conclusie is dat de rechtbank een (definitieve) afkoelingsperiode van vier maanden zal gelasten, ingaande op 8 januari 2026.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
kondigt een afkoelingsperiode af zoals bedoeld in artikel 376 Fw Pro voor een periode van vier maanden, ingaande op 8 januari 2026, die inhoudt:
- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van [verzoekster] behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van [verzoekster] bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt aangeboden;
- dat een door derden jegens [verzoekster] ingediend of in te dienen verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Neijt, voorzitter, mr. M.D.E. Leppens en
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, rechters, en in aanwezigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.