Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, waarop verweerder niet tijdig heeft beslist. Na ingebrekestelling stelde eiseres beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen.
De rechtbank sluit zich aan bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn realistisch acht. Voor deze zaak betekent dit dat verweerder uiterlijk 27 augustus 2026 een besluit op bezwaar moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht. Het beroep wordt gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd.