Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag en stelde dat verweerder niet tijdig op haar bezwaar heeft beslist. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder in gebreke is gesteld. Eiseres heeft vervolgens tijdig beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank oordeelt dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn een besluit moet nemen, aansluitend bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die een termijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn als realistisch beschouwt. In dit geval is de uiterste beslistermijn vastgesteld op 9 september 2026.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter M. Eversteijn en griffier E.S. Dorsman op 20 januari 2026.