ECLI:NL:RBMNE:2026:64

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/6816
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 regels bestemmingsplanArt. 1.41 regels bestemmingsplanArt. 4.2.5 regels bestemmingsplanArt. 8.0a eerste lid Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 8.0a tweede lid Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning voor toegangspoort aan voetpad in woongebied

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft verleend voor het aanbrengen van een toegangspoort aan het einde van een voetpad in de openbare ruimte. De toegangspoort bevindt zich tussen twee percelen in een woongebied en is bedoeld om het plangebied te voet te kunnen verlaten.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het voetpad, inclusief de locatie van de toegangspoort, in stand moet worden gehouden en dat de poort de functie van het pad niet mag belemmeren. Eisers stelden dat de poort minimaal 1,5 meter breed moet zijn en twee richtingen moet kunnen bedienen, maar de rechtbank oordeelde dat een poort van 80 centimeter breed toereikend is en dat het omgevingsplan niet vereist dat het pad in twee richtingen gebruikt moet worden.

Verder is vastgesteld dat de toegangspoort niet als erf- of terreinafscheiding kan worden aangemerkt, maar als een ander overig bouwwerk binnen het woongebied, en dat deze niet in strijd is met de maximale bouwhoogte van 3 meter. Participatie voorafgaand aan het besluit was niet verplicht omdat het hier geen buitenplanse omgevingsplanactiviteit betreft.

De rechtbank concludeert dat de omgevingsvergunning niet in strijd is met het omgevingsplan en dat het college de vergunning terecht heeft verleend. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de vergunning in stand blijft en de toegangspoort conform de vergunning mag worden aangebracht.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de toegangspoort wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6816

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] ,

[eiser 2],
[eiseres],
[eiser 3],
allen uit [plaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder
(gemachtigde: mr. E.T.E. Kemperman).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de omgevingsvergunning die het college heeft verleend voor het aanbrengen van een toegangspoort tussen de percelen [adres 1] en [adres 2] in [plaats] (de omgevingsvergunning). Aan de ene kant van de toegangspoort ligt de [adres 3] en aan de andere kant van het poort een bos, waarin het [zwembad] [plaats] is gelegen.
1.2.
Eisers wonen op de [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] en zijn het niet eens met deze omgevingsvergunning. Ze hebben hier bezwaar tegen gemaakt. Met het besluit van 30 september 2024 op het bezwaar van eisers heeft het college de omgevingsvergunning met een aanvulling van de motivering in stand gelaten. Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de eisers [eiser 1] en [eiser 3] , zij werden bijgestaan door mr. D.H. de Vries, de gemachtigde van het college en de medebuurtbewoners [persoon1] , hij is de partner van eiseres [eiseres] , en [persoon2] .
1.4.
Op de zitting is de afspraak gemaakt dat het college zou bezien of met instandhouding van de omgevingsvergunning een regeling kan worden getroffen die er in voorziet dat (een deel van) de bewoners van de [adres 3] , met een sleutel gebruik kunnen maken van de poort als doorgang. Met de brief van 4 december 2025 heeft het college aan de rechtbank meegedeeld dat hij na intern beraad heeft besloten geen verder overleg met aanwonenden over de op de zitting besproken mogelijke oplossing te voeren. Het college vraagt de rechtbank uitspraak te doen. Eisers hebben hier schriftelijk op gereageerd.
1.5.
De rechtbank heeft partijen de gelegenheid gegeven om aan te geven dat zij nogmaals willen worden gehoord op een tweede zitting. Beide partijen hebben aangegeven niet nader te willen worden gehoord. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek op 12 januari 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het toetsingskader?
2. Op grond van het omgevingsplan gemeente Utrechtse Heuvelrug (het omgevingsplan), waarvan het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ (het bestemmingsplan) onderdeel uitmaakt, rust op de locatie waar de toegangspoort inmiddels is aangebracht de bestemming ‘Woongebied’. Op een deel deze bestemming is een functieaanduiding ‘pad’ opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding moet een voetpad van tenminste 1,5 meter breed worden aangelegd en in stand worden gehouden om het plangebied te voet te kunnen verlaten. [1]
3. De rechtbank stelt vast dat een deel van het pad, zoals dat tussen de woningen aan de [adres 1] en [adres 2] is aangelegd met inbegrip van de locatie van de toegangspoort, buiten de in de verbeelding ingetekende aanduiding ‘pad’ zijn gelegen. Partijen zijn het er echter over eens dat het bestaande voetpad van 1,5 meter breed in stand moet worden gehouden. Daarom gaat de rechtbank in het vervolg van deze uitspraak aan deze vaststelling voorbij en volgt zij partijen in het standpunt dat het voetpad, zoals dat feitelijk aanwezig is, in stand moet worden gehouden om het plangebied te voet te kunnen verlaten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat door de indeling van de percelen in het plangebied de huidige locatie van het voetpad de meest logische locatie is. Bovendien kan het voetpad onverminderd de op grond van de toelichting van het bestemmingsplan beoogde functie vervullen om bij een eventuele calamiteit het gebied via het pad te kunnen verlaten.
Is de toegangspoort in strijd met het omgevingsplan?
4. Eisers voeren aan dat de toegangspoort net zo breed moet zijn als het in het omgevingsplan verplicht gestelde voetpad. Dit is tenminste 1,5 meter. De toegangspoort is maar 80 centimeter breed. Verder moet het pad en dus ook de toegangspoort volgens eisers twee kanten op gebruikt kunnen worden. Op de zitting werd door partijen toegelicht dat de toegangspoort nu is afgesloten en bij een calamiteit alleen geopend kan worden door de brandweer. Eisers vinden dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning hun belangen bij een onbelemmerd gebruik van het pad in beide richtingen ten onrechte niet, althans niet kenbaar, heeft meegewogen. Ook voeren eisers aan dat de toegangspoort niet kan worden aangemerkt als een erf- of terreinafscheiding als bedoeld in de regels van het omgevingsplan. Daarom had het college volgens eisers de hele toegangspoort in strijd moeten achten met het omgevingsplan en voor de hele poort moeten afwegen of daarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
5. De vraag die de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eisers moet beantwoorden is of de omgevingsvergunning voor het aanbrengen van de toegangspoort aan het einde van het bestaande pad in strijd is met het omgevingsplan.
6. De rechtbank stelt voorop dat op grond van vaste rechtspraak de regels van een bestemmingsplan (die nu deel uitmaken van het omgevingsplan) omwille van de rechtszekerheid letterlijk moeten worden uitgelegd. [2] De rechtszekerheid vereist immers dat van wat in het omgevingsplan is bepaald, in beginsel moet worden uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de regel hier op zichzelf duidelijk genoeg en komt voor de uitleg daarvan geen betekenis toe aan de niet-bindende toelichting.
7. De omgevingsvergunning ziet op het aanbrengen van een toegangspoort aan het einde van het voetpad om het plangebied te voet te kunnen verlaten. Een toegangspoort aan het einde van het pad belemmert op zichzelf niet dat het plangebied te voet verlaten kan worden. In de regels van het omgevingsplan staat niets over de breedte van een toegangspoort. Maar naar het oordeel van de rechtbank mag de toegangspoort de functie van het pad om het plangebied te voet te kunnen verlaten niet belemmeren. Dit betekent niet dat de toegangspoort tenminste 1,5 meter breed moet zijn. Ook een normale deur met een breedte van 80 centimeter is hiervoor naar het oordeel van de rechtbank toereikend. Ook dan doet de toegangspoort wat deze op grond van het omgevingsplan moet doen, namelijk dat men via het voetpad het plangebied te voet kan verlaten. In de regel in het omgevingsplan staat niet dat het plangebied via het voetpad – en dus ook via de toegangspoort – te voet betreden moet kunnen worden. Op grond van de letterlijke uitleg van de regel in het omgevingsplan, is de rechtbank het niet met eisers eens dat de toegangspoort op grond van het omgevingsplan twee kanten op gebruikt zou moeten kunnen worden. Dit betekent dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning geen rekening hoefde te houden met de belangen van eisers om het pad en dus ook de toegangspoort twee kanten op te kunnen gebruiken.
8. De bestuursrechter toetst besluiten. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. De rechtbank stelt vast dat de omgevingsvergunning niet is verleend voor een toegangspoort die op slot zit en alleen bij calamiteiten door de brandweer kan worden geopend. De omgevingsvergunning is verleend voor een toegangspoort, zonder dat er een voorschrift is opgenomen waarin is bepaald dat de toegangspoort moet worden voorzien van een slot. En de van de omgevingsvergunning deel uitmakende aanvraag ziet ook niet op een toegangspoort die op slot is en alleen door de brandweer kan worden geopend. Omdat het slot op de toegangspoort geen onderdeel uitmaakt van het besluit, kan de rechtbank over het feitelijk op slot zijn van de toegangspoort in deze procedure geen oordeel geven. Als de toegangspoort op slot zit en dus niet doet wat het op grond van het bestemmingsplan moet doen, namelijk het gebied via het voetpad kunnen verlaten, is dat een kwestie van handhaving.
9. De rechtbank is het met eisers eens dat de toegangspoort niet kan worden aangemerkt als een erfafscheiding, want de poort is niet geplaatst op een erf. De rechtbank is met het college van oordeel dat de toegangspoort is gebouwd op openbaar terrein. Ook op openbaar terrein kan sprake zijn van een terreinafscheiding. Door de toegangspoort worden het bos en de [adres 3] van elkaar gescheiden. Omdat op dit openbaar terrein geen hoofdgebouw [3] aanwezig is, is geen sprake van een terreinafscheiding die voor of achter (het denkbeeldige verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw wordt geplaatst. Anders dan eisers aanvoeren betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat de gehele toegangspoort in strijd is met het omgevingsplan. Binnen de bestemming ‘Woongebied’ zijn paden en overige andere bouwwerken (niet zijnde overkappingen) toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3 meter. [4] Naar het oordeel van de rechtbank moet de toegangspoort worden aangemerkt als een ander overig bouwwerk. Omdat de poort lager is dan de maximaal toegestane bouwhoogte van 3 meter is de toegangspoort niet in strijd met het omgevingsplan.
10. De conclusie van het voorgaande is dat het aanbrengen van de toegangspoort niet in strijd is met omgevingsplan. Dit betekent dat het college geen beleidsruimte heeft en de omgevingsvergunning voor deze omgevingsplanactiviteit moest verlenen. [5] Een motivering of met de toegangspoort sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie is in dat geval niet nodig. Die verplichting geldt alleen als de omgevingsplanactiviteit in strijd is met het omgevingsplan. [6]
Had participatie moeten plaatsvinden?
11. Eisers voeren aan dat voordat het college een besluit nam over het wel of niet verlenen van de omgevingsvergunning participatie had moeten plaatsvinden.
12. De gemeenteraad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten aangewezen waarvoor het bieden van participatiemogelijkheden verplicht is. Naar het oordeel van de rechtbank is het aanbrengen van een toegangspoort niet zo’n geval. Dit geldt temeer nu de rechtbank tot het oordeel komt dat de toegangspoort niet in strijd is met het omgevingsplan en er dus geen sprake is van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. En dus was participatie niet verplicht.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft en de toegangspoort conform deze vergunning aangebracht mag worden.
14. Omdat het beroep ongegrond is krijgen eisers het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4.1, aanhef en onder b, van de regels van het bestemmingsplan.
2.De rechtbank verwijst bijvoorbeeld naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6007.
3.Als bedoeld in artikel 1.41 van de regels van het bestemmingsplan.
4.Artikelen 4.1, aanhef en onder c, en 4.2.5 van de regels van het bestemmingsplan.
5.Artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
6.Artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl.