ECLI:NL:RBMNE:2026:620

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
C/16/587276 / BE ZA 25-4
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot verstrekking van stukken in erfrechtelijke vordering na bewijslevering legitimaris

In deze civiele procedure inzake erfrecht heeft eiseres gesteld dat de legitimaris de overeenkomst waarin de legitimaire vordering aan haar is overgedragen, heeft ondertekend. De rechtbank heeft eiseres opgedragen bewijs te leveren van deze stelling. Eiseres heeft een verklaring van de legitimaris overgelegd waarin deze bevestigt dat de handtekening op de overeenkomst van hem is, welke verklaring is gelegaliseerd.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in haar bewijslevering is geslaagd en dat de legitimaris de overeenkomst heeft ondertekend. Op grond hiervan heeft eiseres recht op een afschrift van een deel van de gevorderde stukken. Gedaagde wordt veroordeeld om binnen acht weken een afschrift van onder meer de boedelbeschrijving, bankafschriften, polissen levensverzekeringen, aangiften erfbelasting en inkomstenbelasting te verstrekken.

Eiseres heeft verzocht om terug te komen op een eerdere bindende beslissing over wettelijke rente, maar de rechtbank wijst dit af omdat die beslissing niet berust op een onjuiste juridische grondslag. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van € 2.230,72, met een veroordeling tot betaling binnen veertien dagen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot het verstrekken van gevorderde stukken en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/587276 / BE ZA 25-4
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna: [eiser] ,
advocaat: mr. D. Vong, werkzaam in Rijen,
tegen
[gedaagde],
gedagvaard zowel in hoedanigheid van executeur als in persoon,
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.G. Hees, werkzaam in Laren.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025;
- de brief (akte) van [eiser] met daarbij een akte van depot;
- de antwoordakte van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De rechtbank heeft [eiser] in het tussenvonnis opgedragen om bewijs te leveren van haar stelling dat [A] de overeenkomst heeft ondertekend. [eiser] heeft vervolgens een verklaring van [A] overgelegd, waarin hij bevestigt dat de handtekening onder de overeenkomst van hem is. [eiser] heeft de handtekening van [A] onder deze verklaring laten legaliseren. [gedaagde] heeft zich daarop gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.2.
[eiser] is in haar bewijslevering geslaagd en de rechtbank stelt daarmee vast dat [A] de overeenkomst heeft ondertekend. Zoals in het tussenvonnis al is beslist, brengt dit mee dat [eiser] recht heeft op een afschrift van een deel van de door haar gevorderde stukken. De rechtbank zal [gedaagde] tot het verstrekken daarvan veroordelen.
2.3.
[eiser] heeft in haar akte betoogd dat de rechtbank moet terugkomen van de bindende eindbeslissing die zij in 3.17. over de wettelijke rente heeft genomen. [gedaagde] heeft zich hiertegen verzet. De rechtbank zal hier niet toe overgaan, omdat er naar haar oordeel geen sprake is van een beslissing die berust op een onjuiste juridische grondslag.
2.4.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
136,72
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
- nakosten
1.228,00
178,00
(2 punten × € 614,00)
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.230,72
De rechtbank kent geen punten toe aan de akte van [eiser] . [gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat hij [eiser] meerdere keren heeft gevraagd om bewijs dat [A] de overeenkomst heeft ondertekend. [eiser] heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven en het op een bewijsopdracht laten aankomen. De kosten die zij daarvoor in deze procedure heeft gemaakt, zal zij zelf moeten dragen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen 8 weken na vandaag (dus
uiterlijk op 25 maart 2026) een afschrift aan [eiser] te verstrekken van:
  • de boedelbeschrijving, met bewijsstukken betreffende de schulden en de kosten van de uitvaart en een taxatierapport betreffende het onroerend goed;
  • een bankafschrift van alle bankrekeningen van erflater met het saldo op de overlijdensdatum;
  • een overzicht van de polissen levensverzekeringen en de uitkeringen die in verband daarmee zijn gedaan;
  • de aangifte erfbelasting;
  • een opgave van alle giften die erflater tijdens zijn leven heeft gedaan;
  • alle bankafschriften vanaf zeven jaar voor overlijden van erflater of vanaf een latere datum als blijkt dat de desbetreffende bank daar (deels) niet meer over beschikt, in dat laatste geval dient [gedaagde] hiervan een schriftelijke onderbouwing (een verklaring van de bank) aan [eiser] te verstrekken;
  • de aangiften inkomstenbelasting in de periode van zeven jaar voor overlijden van erflater;
  • de boedelbeschrijving van de nalatenschap van de vooroverleden echtgenote van erflater en de aangifte erfbelasting in die nalatenschap;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.230,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.