6.3.Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee. Dit licht de rechtbank hieronder toe.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft twee medewerkers van een zorginstelling waar hij destijds woonde mishandeld en één daarvan daarbij ook nog bedreigd met de dood. Daarnaast heeft de verdachte een aan hem door de officier van justitie opgelegde gedragsaanwijzing overtreden die onder andere een locatieverbod inhield en de verdachte er juist van moest weerhouden om zich bij de desbetreffende zorginstelling te begeven. De tweede mishandeling, de bedreiging en het overtreden van de gedragsaanwijzing vonden plaats ruim een maand nadat zijn voorlopige hechtenis was geschorst in de zaak van de eerste mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer van de tweede mishandeling bewust opgewacht om haar ‘een lesje te leren’. Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De mishandeling van aangeefster [slachtoffer 1] heeft ervoor gezorgd dat zij schaafwonden, een blauw plek onder haar oor en een gat in haar trommelvlies heeft opgelopen. Aangeefster [slachtoffer 2] liep als gevolg van de mishandeling een snee in haar achterhoofd en een blauwe plek onder haar oog op.
De slachtoffers zijn hulpverleners die zorgen voor mensen en moeten te allen tijde veilig hun werk kunnen doen. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt dat zij door het handelen van de verdachte grote gevoelens van onveiligheid en stress hebben ervaren. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank kijkt ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het strafblad van de verdachte van 5 januari 2026 blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk misdrijf is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.
De adviezen van de deskundigen
De verdachte is van 28 april 2025 tot 6 juni 2025 opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). Over de verdachte is op 5 augustus 2025 een Pro Justitia-rapportage opgemaakt door S. Kapitein-De Haan, psychiater, en M.L. Sikkens, GZ-psycholoog (hierna: de deskundigen), beiden verbonden aan het PBC.
Door de deskundigen wordt in het PBC-rapport geconcludeerd dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een autismespectrumstoornis (zonder verstandelijke beperking). Deze stoornis was, vanwege de chronische aard, ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Het functioneren van de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten wordt volgens de deskundigen gekenmerkt door rigiditeit, achterdocht, sociale onvermogens, onvoldoende copingvaardigheden en gebrekkig empathisch vermogen, herleidbaar naar de autismespectrumstoornis. Juist in de aanloop naar de ten laste gelegde feiten, met het naar zijn idee onterecht afnemen van een voor hem belangrijke thuisbasis en oplopende stress door gebrek aan basale structuur, ervoer de verdachte vanuit het samenspel van deze problematiek een zeer beperkte mate van gedragskeuze. De verminderde gedragsbeheersing (waarbij alcoholgebruik mogelijk een katalyserende rol speelde) en het onvoldoende overzien van consequenties (ondanks besef van de wederrechtelijkheid van zijn handelen) en de ervaren wanhoop passen volgens de deskundigen bij een advies tot (minstens) verminderde toerekenbaarheid ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten.
De deskundigen achten het recidiverisico op soortgelijke feiten hoog gelet op de ernst van de autismespectrumproblematiek in combinatie met (nog) afwezig probleeminzicht. De verdachte wordt daardoor niet in staat geacht zelfstandig het opnieuw ontstaan van een dergelijke context en daarmee een hoog recidiverisico te voorkomen.
Om het hoge recidiverisico voldoende te beperken is het van cruciaal belang dat de verdachte klinisch wordt behandeld, waarbij wordt ingezet op behandeling gericht op de autismespectrumstoornis en de behandeling van de hieraan verbonden problematiek zoals de verslavingsgevoeligheid en (rand)psychotische kwetsbaarheid.
Gelet op de ernstige problematiek met een hoog recidiverisico achten de deskundigen een tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk om de noodzakelijke beveiliging te bieden.
Zelfs bij een positief behandelverloop is een stapsgewijze resocialisatieroute volgens de deskundigen aangewezen. Daarentegen moet rekening worden gehouden met een moeizaam behandelverloop en het juist vanuit deze situatie (tijdelijk) toenemen van het recidiverisico (ook specifiek naar hulpverleners). Deze inschatting maakt dat behandeling vanuit een zorgmachtigingskader volgens de deskundigen niet passend wordt geacht en behandeling vanuit het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel een te groot risico op voortijdig stopzetten van deze behandeling met zich meebrengt. Bij een bewezenverklaring van het ten laste gelegde wordt vanuit deze afweging geadviseerd tot het opleggen van een tbs-maatregel. Een tbs met voorwaarden wordt volgens de deskundigen niet bij voorbaat kansloos geacht en zou bij constructief verloop voldoende mogelijkheden tot risicomanagement bieden.
In het zogeheten ‘maatregelenrapport’ van de reclassering van 29 oktober 2025, opgesteld door reclasseringswerker L. de Lange (Tactus Reclassering Flevoland), staat beschreven dat de reclassering positief adviseert over tbs met voorwaarden. Hoewel de motivatie van de verdachte volgens de reclassering slechts extrinsiek van aard lijkt te zijn (ter voorkoming van een maatregel tbs met dwangverpleging) biedt zijn medewerking mogelijkheden tot recidivebeperking en gedragsverandering. De reclassering houdt rekening met een moeizaam behandelverloop, maar ziet mogelijkheden om de verdachte te begeleiden in het kader van een tbs met voorwaarden. De reclassering adviseert oplegging van een tbs-maatregel met daarbij de volgende voorwaarden:
- geen strafbaar feit plegen;
- meewerken aan reclasseringstoezicht;
- meewerken aan een time-out;
- niet naar het buitenland gaan;
- opname in een zorginstelling;
- ambulante behandeling;
- begeleid wonen;
- een drugsverbod;
- een contactverbod met de slachtoffers;
- een locatieverbod voor [plaats] (zonder elektronische monitoring);
- dagbesteding;
- meewerken aan schuldhulpverlening.
Bovendien wordt door de reclassering geadviseerd om de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren alsmede om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM, artikel 38z Sr) op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs-maatregel.
Strafoplegging
Voor het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigen. Dit vindt de rechtbank ook passend en geboden vanuit het oogpunt van normbevestiging, vergelding en generale preventie. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder meegewogen dat de verdachte (met voorbedachten rade) hulpverleners heeft mishandeld. De rechtbank acht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar en houdt in de hoogte van de straf daar rekening mee
Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden opleggen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank realiseert zich dat dit een aanzienlijke kortere straf is dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De lange duur van de voorlopige hechtenis is onder andere een gevolg van het feit dat de verdachte in zijn schorsing wederom de fout in is gegaan en dat zijn gedrag en procesopstelling aanleiding gaf om hem te laten observeren in het PBC. Dit alles heeft de nodige tijd in beslag genomen. De rechtbank onderkent dat de voorlopig hechtenis langer dan wenselijk heeft geduurd.
De rechtbank wijkt in aanzienlijke mate af van de eis van de officier van justitie ten aanzien van de hoogte van de straf, omdat de rechtbank met het oog op vergelijkbare zaken lagere straffen als uitgangspunt heeft genomen. De straf die wordt opgelegd brengt, naar het oordeel van de rechtbank, de ernst van het bewezenverklaarde bovendien voldoende tot uitdrukking.
Oplegging tbs-maatregel met voorwaarden
Voor het kunnen opleggen van de tbs-maatregel met voorwaarden moet aan de volgende vereisten zijn voldaan:
I. er dient sprake te zijn van een tbs-waardig delict: een misdrijf bedreigd met ten minste 4 jaar gevangenisstraf, of dat is genoemd in 37a eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht;
II. er dient sprake te zijn van een verdachte bij wie ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens;
III. de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel (gevaarscriterium);
IV. verdachte dient zich bereid te hebben verklaard tot naleving van de voorwaarden;
V. er is een recente multidisciplinaire gedragsrapportage opgemaakt.
De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten 2 en 3 (16/340048-23) misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is.
Bij de verdachte was ten tijde van deze bewezenverklaarde feiten sprake van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank volgt daarbij de hierboven genoemde conclusies van de gedragsdeskundigen en legt die ten grondslag aan haar oordeel.
De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel vereist. Gelet op de inhoud van de hierboven besproken rapporten heeft de verdachte te maken met zodanige problematiek dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om hem onbehandeld in de maatschappij te laten terugkeren. Het risico op recidive wordt door alle deskundigen ingeschat als hoog als de verdachte onbehandeld detentie verlaat. Verder blijkt dat de verdachte moeite heeft met het behouden van motivatie voor het ondergaan van een behandeling. De verdachte heeft eerder niet meegewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek door een klinisch psycholoog. Uit de rapportages en uit het gesprek met de verdachte op zitting blijkt dat hij geen ziekte-inzicht heeft. Hij heeft op zitting keer op keer herhaald dat hij in het nauw gedreven werd, dat zijn hulpverlener zich achter zijn rug om met hem bleef bemoeien en dat hij niet anders kon dan dat met geweld een halt toe te roepen. Enige zelfreflectie laat hij niet zien. Ook op zitting gaf de verdachte aan zich niet te herkennen in de observaties van de deskundigen over achterdocht, wantrouwen, rigiditeit, het moeilijk kunnen inschatten van de intenties van anderen en het aangewezen zijn op praktische hulp. Juist deze afwezigheid van enig probleembesef maakt dat de behandeling van de problematiek bij de verdachte zeer lastig gaat worden. Enerzijds is hij daarvoor, alsook voor het dagelijkse leven, aangewezen op hulpverleners, maar anderzijds heeft hij zeer veel moeite om die hulpverleners te vertrouwen en hulp toe te laten, waarbij dat zelfs kan omslaan in geweld tegen hen. Een eerdere schorsing van de voorlopige hechtenis in mei 2024 liep al na een aantal dagen spaak, omdat de verdachte kortgezegd weigerde mee te doen in de kliniek waar hij geplaatst was. De verdachte verkoos toen een herleving van de voorlopige hechtenis boven een behandeling in een kliniek. Alleen de tbs-maatregel biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende zekerheid dat de verdachte daadwerkelijk zal worden behandeld en de kans op recidive voldoende zal worden ingeperkt. De rechtbank onderschrijft de conclusies van de deskundigen dat een voorwaardelijke strafdeel, zo daar al ruimte voor zou zijn, die garantie onvoldoende biedt. De motivatie van de verdachte is vooral extrinsiek, waarbij een mogelijke omzetting naar tbs met dwang hem kennelijk meer ‘motiveert’ dan een detentie, zoals de rechtbank bevestigd ziet in de eerder mislukte schorsing van de voorlopige hechtenis. Daarbij komt dat, zoals uit het reclasseringsrapport en het PBC-rapport naar voren komt, een langdurig en intensief traject noodzakelijk is om de behandeling goed op gang te krijgen en te houden. Die behandeling moet starten met een – mogelijk langdurige – klinische behandeling. Dit alles maakt dat de rechtbank geen minder verstrekkend kader ziet dan de maatregel van tbs met voorwaarden.
De verdachte heeft zich, zowel op de zitting als bij de reclassering, bereid verklaard om de voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering na te leven.
Het voorgaande maakt dat aan de vereisten voor oplegging van de tbs-maatregel is voldaan.
Alles overwegende acht de rechtbank de oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden passend en noodzakelijk.
De rechtbank zal de maatregel daarom opleggen en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden overnemen.
Dadelijke uitvoerbaarheid en geweldsdelict
De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen, zodat de maatregel, ingeval van omzetting in terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, niet gemaximeerd zal zijn.
De rechtbank zal de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren omdat er, zo volgt uit de adviezen, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Geen GVM
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank er geen meerwaarde in om naast de maatregel tbs met voorwaarden ook een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking aan de verdachte op te leggen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de maatregel van tbs met voorwaarden vele jaren kan duren, en de feiten waarvoor deze maatregel wordt opgelegd voor geweldsdelicten van relatief beperkte ernst zijn.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal de voorlopige hechtenis schorsen met ingang van de datum dat de verdachte terecht kan in de kliniek. Mocht de verdachte in hoger beroep gaan en zich hangende dat hoger beroep niet aan de voorwaarden van de tbs houden, dan is een kader nodig om te voorkomen dat de verdachte onbehandeld op vrije voeten komt. De rechtbank zal daarom de voorwaarden van de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis gelijkluidend laten zijn aan de voorwaarden van de tbs-maatregel.