ECLI:NL:RBMNE:2026:599

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
16-127769-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 36d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vuurwapen- en harddrugsbezit met gevangenisstraf van twaalf maanden

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 6 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van het bezit van een vuurwapen met munitie en het aanwezig hebben van ruim 220 gram harddrugs (cocaïne en heroïne). De verdachte werd gedeeltelijk vrijgesproken van de handel in drugs, maar schuldig bevonden aan het bezit van het vuurwapen en de drugs.

Tijdens koningsnacht 2025 had de verdachte een geladen pistool bij zich in het drukke uitgaanscentrum van Utrecht en droeg hij een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs, deels verstopt in een sok. De verdachte bekende de feiten en verklaarde het vuurwapen bij zich te hebben om af te schrikken. De rechtbank achtte het dragen van een geladen vuurwapen op een drukke avond levensgevaarlijk en zag aanwijzingen voor drugshandel door de aanwezigheid van weegschalen en verpakkingsmateriaal.

De rechtbank hield rekening met het strafblad van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en het advies van de reclassering, die een gemiddeld recidiverisico inschatte. De opgelegde straf is twaalf maanden gevangenisstraf, met aftrek van de voorlopige hechtenis van ongeveer zeven maanden. Daarnaast werd de voorwaardelijke straf uit een eerdere zaak ten uitvoer gelegd. Diverse in beslag genomen voorwerpen, waaronder het vuurwapen, munitie, drugs, weegschalen en een telefoon met aanwijzingen voor drugshandel, werden onttrokken aan het verkeer. Geldbedragen en een telefoon zonder hoesje werden aan de verdachte teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf voor bezit vuurwapen en harddrugs, met tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straf.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16-127769-25 en 09-169701-23 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de PI [plaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 januari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de advocaat van de verdachte: mr. P.B. Spaargaren (hierna: de advocaat);
  • de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 26 april 2025 in Utrecht en/of Lopik een vuurwapen en zes scherpe patronen voorhanden heeft gehad;
feit 2
op 26 april 2025 in Utrecht en/of Lopik 128,74 gram cocaïne en 93,52 gram heroïne heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of aanwezig heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte beide feiten heeft gepleegd. Voor wat betreft feit 2 gaat de officier van justitie uit van het aanwezig hebben van de verdovende middelen en heeft zij voor het overige een gedeeltelijke vrijspraak gevraagd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht onder feit 2 de verdachte alleen te veroordelen voor het aanwezig hebben van de verdovende middelen, en dus voor het overige vrij te spreken. Verder voert de advocaat geen verweren over het bewijs.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Gedeeltelijke vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat niet is bewezen dat de verdachte de verdovende middelen heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd en zal de verdachte van dat gedeelte van de beschuldiging onder feit 2 vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
3.3.2.
Bekennende verdachte
De verdachte bekent dat hij de feiten heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 23 januari 2026;
Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , opgemaakt op 27 april 2025; [2]
3. Het proces-verbaal van bevindingen (categorisering vuurwapen), opgemaakt op 5 juni 2025; [3]
4. Het proces-verbaal van bevindingen (vervoersfouillering), opgemaakt op 26 april 2025; [4]
5. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, opgemaakt op 27 april 2025; [5]
6. Het proces-verbaal van bevindingen (overzicht verdovende middelen), opgemaakt op 10 september 2025; [6]
7. De verslagen van een deskundige, te weten rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut, telkens opgemaakt op 28 april 2025 door ing. C.M.M. Diever-Heezen, NFI-deskundige forensische drugsanalyse; [7]
8. De verslagen van een deskundige, te weten rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut, telkens opgemaakt op 1 mei 2025 door ing. A.G.A. Sprong, NFI-deskundige forensische drugsanalyse. [8]
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
1
hij, op 26 april 2025, te Utrecht,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Beretta, model 1935, kaliber 7.65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
en
- 6 scherpe patronen van categorie III van de Wet wapens en munitie,
voorhanden heeft gehad;
2
hij, op 26 april 2025, te Utrecht en Lopik, opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 128,74 gram van een materiaal bevattende cocaïne en
- ongeveer 93,52 gram van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
feit 2:opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeventien maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt aan de verdachte een gevangenisstraf van tien maanden op te leggen, waarvan twee maanden voorwaardelijk, en de voorlopige hechtenis op te heffen.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf van twaalf maanden op, met aftrek van het voorarrest.
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte had tijdens koningsnacht, midden in het drukke uitgaanscentrum van Utrecht, een doorgeladen vuurwapen op zak. De verdachte is gaan rennen toen hij de politie zag en daarbij is het vuurwapen gevallen. Er mag van geluk gesproken worden dat het vuurwapen niet per ongeluk is afgegaan. Naar eigen zeggen had de verdachte het vuurwapen bij zich om “af te schrikken” en niet om te gebruiken. Hoewel onbekend zal blijven of en hoe de verdachte het wapen zou hebben gebruikt als de politie niet ter plaatse was, spreekt voor zich dat het dragen van een doorgeladen vuurwapen op een drukke uitgaansavond levensgevaarlijk is. Extra zorgelijk is dat de verdachte eerder op de avond op diezelfde plek al een opstootje had gehad, reden waarom de politie naar hem op zoek was.
Daarnaast had de verdachte in totaal ruim 220 gram cocaïne en heroïne in zijn bezit, waarvan hij een deel in gebruikershoeveelheden verstopt in een sok tussen zijn billen droeg. Het overige deel is in zijn woning aangetroffen, samen met een aantal weegschalen en een blok met witte papiertjes. De rechtbank ziet hierin een indicatie dat de verdachte zich bezig hield met het dealen van drugs; overigens heeft de verdachte ook verklaard dat het zijn bedoeling was de verdovende middelen tijdens koningsnacht te verkopen, maar zover was het volgens hem nog niet gekomen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Reclassering Nederland heeft op 21 januari 2026 een advies uitgebracht over de verdachte. Zij schrijven dat zij gelet op de beperkte openheid van de verdachte in de gesprekken, en tegenstrijdigheid in zijn antwoorden, slechts een beperkt beeld van hem hebben gekregen. Het recidiverisico schat de reclassering in als gemiddeld en de financiële situatie van de verdachte, het gebrek aan dagbesteding en het sociale netwerk zien zij als delictgerelateerde criminogene factoren. Door de houding van de verdachte, het ontbreken van een hulpvraag en de omstandigheid dat zijn familie hem aan een baan en woonruimte wil helpen na detentie, ziet de reclassering geen mogelijkheden om met interventies te werken aan het verlagen van het recidiverisico.
Uit de justitiële documentatie van 4 september 2025 volgt dat de verdachte al vanaf jonge leeftijd veelvuldig bij politie en justitie in beeld is gekomen vanwege verschillende strafbare feiten, waarvoor ook gevangenisstraffen zijn opgelegd. Verder is de verdachte al eenmaal eerder veroordeeld voor het aanwezig hebben van harddrugs.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in de openbare ruimte is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden en voor het aanwezig hebben van 200 tot 500 gram harddrugs is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.
De rechtbank acht strafverzwarend dat de feiten zijn gepleegd op een van de drukste uitgaansavonden van het jaar, middenin het uitgaanscentrum van Utrecht. Ook is de verdachte al eerder onherroepelijk veroordeeld voor harddrugsbezit en is dus voor feit 2 sprake van recidive.
De rechtbank ziet geen meerwaarde in het opleggen van een deels voorwaardelijke straf. De verdachte heeft geen hulpvraag en dus ziet de reclassering geen heil in het opleggen van bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de verdachte al eerder deels voorwaardelijke straffen gekregen, maar dat heeft hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De bekennende proceshouding en spijtbetuiging neemt de rechtbank ook niet in strafverminderende zin mee. Daarbij speelt een rol dat de verdachte in eerste instantie heeft gezwegen, en uiteindelijk in ieder geval voor feit 1 heeft bekend wat, gelet op de inhoud van het dossier, niet meer te ontkennen viel. De verdachte heeft kennelijk destijds bewust gekozen voor een criminele levensstijl, en daar hoort een straf bij. Voor zover de verdachte heeft beloofd zijn leven te beteren, is dat iets wat hij in de toekomst zal moeten bewijzen.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie, omdat de oriëntatiepunten waar de rechtbank mee werkt uitgaan van andere straffen dan de richtlijnen van het Openbaar Ministerie.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.
De voorlopige hechtenis
De verdachte heeft in totaal ongeveer zeven maanden in voorlopige hechtenis doorgebracht voor deze feiten. De ernstige bezwaren en de gronden zijn – gelet op de bewezenverklaring – nog altijd onverkort aanwezig. Nu aan de verdachte een langere straf wordt opgelegd dan de tijd die hij al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, ziet de rechtbank geen redenen de voorlopige hechtenis op te heffen.

6.Beslag

6.1.
In beslag genomen voorwerpen
Onder de verdachte zijn, volgens de beslaglijst, de volgende goederen in beslag genomen:
546,30 EUR Geld Euro
266,65 EUR Geld Euro
16 STK Munitie
12 STK Verdovende Middelen
63 STK Verdovende Middelen
9 STK Verdovende Middelen
4 STK Cocaïne
2 STK Cocaïne
11 STK Verdovende Middelen
0 STK Hashish
1 STK Hennep
1 STK Weegschaal
1 STK Weegschaal
1 STK Papier
1 STK Papier
1 STK Weegschaal
18. 1 STK Telefoontoestel (goednummer 3518881, zwart hoesje)
19. 1 STK Telefoontoestel (goednummer 3518882, zonder hoesje)
Verder is ook nog een pistool van het merk Pietro Beretta Gardone (goednummer 3518695) in beslag genomen.
6.2.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de verbeurdverklaring van het geld en de telefoon onder nummer 18 op de beslaglijst. De telefoon genummerd 19 op de beslaglijst mag wat de officier van justitie betreft worden teruggegeven aan de verdachte.
Over de overige voorwerpen op de beslaglijst hoeft volgens de officier van justitie geen beslissing meer te worden genomen, omdat de verdachte daarvan op zitting afstand heeft gedaan.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht beide telefoons en de geldbedragen aan de verdachte terug te geven.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
Pistool en munitie (feit 1)
De rechtbank zal het in beslag genomen pistool onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de Wet wapens en munitie. Met betrekking tot dit voorwerp is het onder 1 bewezen verklaarde feit begaan.
De rechtbank zal de in beslag genomen munitie ook onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de Wet wapens en munitie. De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit, aangetroffen in zijn woning. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven.
Verdovende middelen, weegschalen, papier en telefoon met hoesje (feit 2)
De rechtbank zal de verdovende middelen (beslaglijst nr. 4 tot en met 11) op grond van artikel 13a van de Opiumwet onttrekken aan het verkeer. Deze middelen staan in lijst I en zijn daarom voor onttrekking aan het verkeer vatbaar.
De rechtbank zal ook de weegschalen en het papier verbeurd verklaren. Deze voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane feit in de woning van de verdachte aangetroffen, tezamen met een hoeveelheid drugs die in gebruikershoeveelheden was verpakt. De rechtbank gaat ervan uit dat met de blokken papier ongevouwen ponypacks worden bedoeld. Het papier en de weegschalen kunnen dienen tot de voorbereiding van soortgelijke misdrijven en staat daarmee in relatie tot de strafbare gedraging.
In de telefoon met het hoesje (beslaglijst nr. 18) is een notitie aangetroffen waarin bedragen en grammen bijgehouden zijn van wat er betaald is. Ook zijn in die telefoon enkele berichten aangetroffen die erop duiden dat de gebruiker van die telefoon verdovende middelen (“
party supply”) aanbiedt. De rechtbank gaat er daarom van uit dat deze telefoon bedoeld was om mee te dealen. Gelet daarop is dit voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Dit voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit aangetroffen en kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven. De rechtbank zal daarom deze telefoon onttrekken aan het verkeer.
Geld en telefoon (zonder hoesje)
Het geldbedrag van € 266,65 is in de fouillering van de verdachte aangetroffen. Nu de verdachte wordt vrijgesproken van de verdenking van handel in verdovende middelen, ziet de rechtbank geen grondslag voor onttrekking aan het verkeer of verbeurdverklaring van dit geldbedrag.
Het geldbedrag van € 546,30 is gevonden in de woning van de verdachte en betreft een grote zak muntgeld. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat dit geld enig verband houdt met drugshandel. Datzelfde geldt voor de telefoon zonder hoesje, omdat daarop geen berichten zijn aangetroffen in relatie tot drugshandel.
De rechtbank zal daarom de teruggave gelasten aan de verdachte van de in beslag genomen geldbedragen en de telefoon zonder hoesje. Deze voorwerpen horen aan de verdachte toe. Het belang van strafvordering verzet zich niet tegen teruggave.

7.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De politierechter in Den Haag heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer
09-169701-23 op 28 september 2023 een gevangenisstraf opgelegd waarvan één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
7.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt primair de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat de verdachte niet wist dat hij in een proeftijd liep. Subsidiair verzoekt de advocaat de proeftijd te verlengen. Meer subsidiair verzoekt de advocaat de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf van 60 uur.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Dat de verdachte niet wist van de deels voorwaardelijke veroordeling vindt de rechtbank niet aannemelijk, omdat op 12 oktober 2023 door of namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis. Het hoger beroep is op 18 december 2024 niet-ontvankelijk verklaard, zodat het vonnis onherroepelijk is geworden.
De rechtbank zal de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijk opgelegde straf. Zij ziet geen redenen de verdachte nog een kans te geven door de proeftijd te verlengen, of door de straf om te zetten in een taakstraf. Daarbij speelt een rol dat de voorwaardelijke straf onder andere is opgelegd voor het aanwezig hebben van harddrugs. De verdachte heeft tijdens de proeftijd opnieuw eenzelfde feit gepleegd en lijkt dus van de eerdere straf niet te hebben geleerd.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
  • de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
  • de artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van
twaalf maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beslag
- gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende voorwerpen:
  • een geldbedrag van € 546,30 (beslaglijst nr. 1);
  • een geldbedrag van € 266,65 (beslaglijst nr. 2);
  • een telefoon (goednummer 3518882, beslaglijst nr. 19);
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
  • een vuurwapen, merk Pietro Beretta Gardone, goednummer 3518695;
  • 16 stuks munitie (beslaglijst nr. 3);
  • de verdovende middelen (beslaglijst nr. 4 tot en met 11);
  • een telefoon (goednummer 3518881, beslaglijst nr. 18);
- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:
  • de weegschalen (beslaglijst nr. 12, 13 en 16);
  • 2 stuks papier (beslaglijst nr. 14 en 15);
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 09-169701-23
-
wijstde vordering
toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter in de rechtbank Den Haag bij vonnis van 28 september 2023 opgelegde voorwaardelijke
gevangenisstrafvoor de duur van
één maand.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.C. Klink, voorzitter, mr. H.A. Gerritse en mr. L.R.H. Koekoek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, op of omstreeks 26 april 2025, te Utrecht en/of Lopik, althans in Nederland,
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Beretta, model 1935, kaliber 7.65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
en/of
- 6 scherpe patronen van categorie III van de Wet wapens en munitie,
voorhanden heeft gehad;
2
hij, op of omstreeks 26 april 2025, te Utrecht en/of Lopik, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 128,74 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 93,52 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,
zijnde cocaïne en/of heroïne,(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voetnoten

2.Pagina 9 en 10;
3.Pagina 122 tot en met 124;
4.Pagina 12;
5.Pagina 31 en 32;
6.Losbladig;
7.Pagina 94 tot en met 102;
8.Pagina 116 tot en met 118.