ECLI:NL:RBMNE:2026:588

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
11849151 \ UC EXPL 25-6854
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:750 BWArt. 7:5 lid 4 BWArt. 6:230g lid 1 sub e BWArt. 6:230m BWArt. 6:230v BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst vloerleggen en levering materialen met onredelijk annuleringsbeding

Partijen sloten een consumentenovereenkomst waarbij eiser een PVC-vloer zou leggen en materialen zou leveren aan gedaagde. Gedaagde betaalde reeds €9.535,32, maar verweerde zich tegen verdere betaling en vorderde herstelkosten wegens gebreken.

De kantonrechter oordeelde dat gedaagde nog €5.280,58 verschuldigd is, bestaande uit het factuurbedrag minus minderwerk, plus lijmkosten en een boete voor verloren manuren. Het annuleringskostenbeding in de algemene voorwaarden werd vernietigd als onredelijk bezwarend, terwijl het boetebeding wel geldig werd geacht.

Gedaagde mocht geen schadevergoeding voor herstelkosten vorderen omdat hij zelf in verzuim was en de verbintenis tot herstel niet had omgezet in een schadevergoedingsverplichting. De wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten werden toegewezen. Proceskosten werden aan gedaagde opgelegd. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde moet €5.280,58 betalen voor vloer en materialen, annuleringskostenbeding wordt vernietigd, herstelkosten worden afgewezen wegens eigen verzuim.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11849151 \ UC EXPL 25-6854
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.P.E. Halfens,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. Y. Schrader, ARAG Rechtsbijstand.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen 1 t/m 13
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met bijlagen 1 t/m 3
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie met bijlagen 13 t/m 18
- de door [gedaagde] bij e-mailbericht van 12 januari 2026 nagezonden tijdlijn.
1.2.
De mondelinge behandeling van deze zaak vond plaats op 14 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: partijen met hun gemachtigden. Van de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Daarna heeft de kantonrechter beslist dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] heeft [eiser] opdracht gegeven om een PVC-vloer te leggen in zijn woning. Eerst was afgesproken dat [eiser] de vloer zou leggen op de begane grond, de eerste verdieping en de tweede verdieping maar uiteindelijk heeft [eiser] alleen de vloer op de begane grond gelegd. Volgens [eiser] moet [gedaagde] op basis van de overeenkomst nog € 6.763,79 betalen. Volgens [gedaagde] hoeft hij niets meer aan [eiser] te betalen en moet [eiser] juist € 1.028,50 aan hem betalen omdat de vloer niet goed is gelegd en hij daarom herstelkosten moet maken. De kantonrechter zal beslissen dat [gedaagde] nog € 5.280,58 moet betalen. Dat is minder dan het gevorderde bedrag, omdat de kantonrechter het beding in de algemene voorwaarden over de annuleringskosten vernietigt omdat het onredelijk bezwarend is. [eiser] hoeft de herstelkosten niet te betalen, omdat hij niet in verzuim is.

3.De beoordeling

in conventie (de vorderingen van [eiser] )
De verplichtingen op de grond van de overeenkomst
Partijen hebben een consumentenovereenkomst gesloten
3.1.
Partijen hebben een overeenkomst gesloten. De eerste vraag die de kantonrechter op grond van Europese regelgeving moet beantwoorden, is of sprake is van een consumentenovereenkomst. Dat is zo, omdat [eiser] bij het sluiten van de overeenkomst handelde in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, terwijl [gedaagde] consument was. Hoewel de overeenkomst voor een deel ziet op aanneming van werk [1] (het leggen van de vloer) en voor een deel op de koop van materialen (het leveren van de benodigdheden voor de vloer), geldt deze overeenkomst als een consumentenkoop. [2]
3.2.
In zaken waarin een overeenkomst is gesloten met een consument, geldt een aantal aanvullende regels die consumenten beschermen. Een deel van de bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dus ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Zo niet, dan moet de kantonrechter daar, ook ambtshalve, consequenties aan verbinden. De overeenkomst is op afstand gesloten en [eiser] heeft voldaan aan het consumentenrecht dat daarvoor geldt. [3] [eiser] mag zich dan ook op de inhoud van de overeenkomst beroepen en daarvan in beginsel nakoming vragen.
[gedaagde] zou voor de werkzaamheden en geleverde materialen € 16.335,32 betalen
3.3.
[eiser] en [gedaagde] hebben afgesproken dat [eiser] materiaal zou leveren en vloeren zou leggen. [gedaagde] zou de daarvoor verzonden facturen betalen. [eiser] heeft voor zijn werkzaamheden en de geleverde materialen twee facturen verstuurd. De eerste factuur is van 14 maart 2025 voor € 13.600,00 en de tweede factuur is van 27 maart 2025 voor € 2.735,32, samen in totaal € 16.335,32 inclusief btw.
3.4.
Het uitgangspunt van de wet is dat afspraken moeten worden nagekomen. Daarom mocht [eiser] normaal gesproken verwachten dat [gedaagde] het totaalbedrag van de facturen (€ 16.335,32) volledig zou betalen. In dit geval zijn er redenen waarom [gedaagde] niet het volledige restant van de facturen hoeft te betalen.
Dat [gedaagde] de overeenkomst (gedeeltelijk) heeft ontbonden is niet gebleken
3.5.
[gedaagde] stelt in de conclusie van antwoord weliswaar dat hij het recht had om de overeenkomst te ontbinden, maar niet dat hij de overeenkomst ook heeft ontbonden. Voor ontbinding is nodig dat [gedaagde] de overeenkomst daadwerkelijk heeft ontbonden met een schriftelijke verklaring. Daarnaast kan de kantonrechter een overeenkomst (gedeeltelijk) ontbinden. [4] Dat [gedaagde] de overeenkomst heeft ontbonden is niet gesteld en de kantonrechter is ook niet verzocht om de overeenkomst (gedeeltelijk) te ontbinden. Daarom wordt dit verweer verder niet besproken.
[gedaagde] moet nog € 5.280,58 aan [eiser] betalen
3.6.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] een bedrag van € 9.535,32 heeft betaald. [gedaagde] moet op grond van de afspraken in de overeenkomst, daarnaast nog € 5.280,58 aan [eiser] betalen. Dat bedrag is als volgt berekend:
Bedrag verschuldigd op basis van de facturen
€ 16.335,32
Min de al gedane betalingen
€ 9.535,32 -/-
Min het minderwerk
€ 2.966,42 -/-
Plus de kosten voor de geleverde lijm
€ 600,00
Plus de boete voor de verloren manuren
€ 847,00
Totaal
€ 5.280,58
3.7.
Hierna wordt toegelicht waarom de kantonrechter van deze bedragen uitgaat, waarom [eiser] geen recht heeft op de annuleringskosten en waarom de kantonrechter ook geen rekening houdt met de extra betaling van [gedaagde] van € 600,00.
[gedaagde] mag € 2.966.42 minder betalen, omdat [eiser] minder werk heeft verricht
3.8.
Het staat vast dat [eiser] de vloer op de eerste en tweede verdieping niet heeft gelegd en ook niet meer hoeft te leggen. [eiser] heeft de kosten voor het werk op de eerste en tweede verdieping becijferd op € 2.966,42 en stelt dat [gedaagde] dat bedrag niet hoeft te betalen, omdat die kosten zien op werkzaamheden die [eiser] niet meer uitvoert.
3.9.
Het bedrag van € 2.966,42 bestaat uit de volgende posten:
Werkzaamheden
Bedrag
Toelichting
leggen en egaliseren vloeren boven
€ 944,16
2.277,79 -/- 1.333,63 (op basis van de bedragen in de offertes)
Toeslag voor het visgraatpatroon
€ 512,30
1.137,80 -/- 625,50 (want 78,68 van 143,12 m2 wordt niet gelegd)
Montage van de stijlplint
€ 391,05
628,65 -/- 237,60 (want 78,68 van 143,12 m2 wordt niet gelegd)
Afwerking van de stijlplint
€ 100
150 -/- 50 (1 i.p.v. 3)
Leggen jumpax boven
€ 1.018,91
niet uitgevoerd
Totaal
€ 2.966,42
3.10.
[gedaagde] heeft onvoldoende uitgelegd waarom de berekening van het minderwerk volgens hem niet klopt. [gedaagde] geeft weliswaar aan dat hij de berekening van [eiser] niet kan volgen, maar dat is onvoldoende. [gedaagde] kon in dit geval niet volstaan met een algemene betwisting van het minderwerk, omdat [eiser] in de dagvaarding heeft toegelicht hoe hij het minderwerk heeft berekend. [gedaagde] had die berekening bovendien op 17 april 2025 ook al per mail van [eiser] ontvangen. [gedaagde] heeft dus voldoende gelegenheid gehad om hierover eventueel opheldering te vragen. [gedaagde] had concreet moeten aangegeven welke posten in de berekening volgens hem onjuist zijn.
3.11.
De kantonrechter vindt de berekening voldoende duidelijk, omdat daaruit blijkt hoe het minderwerk is berekend. Het bedrag aan minderwerk is bovendien redelijk, omdat rekening is gehouden met de verdeling tussen het werk op de begane grond en op de verdiepingen.
3.12.
De kantonrechter gaat ervan uit dat het minderwerk een waarde vertegenwoordigde van € 2.966,42 en dat dit bedrag in mindering strekt op het bedrag dat [gedaagde] op basis van de facturen verschuldigd is.
[gedaagde] moet € 600,00 extra betalen voor de geleverde lijm
3.13.
[gedaagde] moet € 600,00 extra betalen aan [eiser] , omdat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat [eiser] drie emmers lijm van € 200,00 per stuk heeft geleverd voor de vloeren op de eerste en tweede verdieping en dat daarvoor nog niet is betaald.
3.14.
[eiser] heeft toegelicht dat hij de lijm samen met de andere materialen heeft geleverd, omdat zijn werknemers de lijm nodig hadden om de opdracht uit te voeren. De lijm stond niet op de facturen, omdat deze normaal gesproken is verdisconteerd in de tarieven voor de geleverde arbeid. Doordat de vloeren niet door [eiser] zijn gelegd, maar de lijm wel is geleverd, moet alsnog voor de lijm betaald worden.
3.15.
Dit standpunt van [eiser] heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd weersproken. [gedaagde] geeft aan dat hij niet zeker weet of [eiser] de lijm heeft geleverd omdat de aannemer die de vloer uiteindelijk heeft gelegd, ook lijm in rekening heeft gebracht. Dat is onvoldoende. Het feit dat de aannemer lijm heeft gefactureerd, betekent namelijk niet dat [eiser] die drie emmers lijm niet heeft geleverd. Het één sluit het ander niet uit: het is mogelijk dat zij allebei lijm hebben geleverd. Van [gedaagde] mocht verwacht worden dat hij verder zou toelichten waarom het niet klopt dat [eiser] de lijm heeft geleverd en/of in rekening brengt. Omdat dat niet is gebeurd, staat voor de kantonrechter vast dat [eiser] de lijm heeft geleverd en [gedaagde] daarvoor € 600,00 moet betalen.
[gedaagde] moet € 847,00 extra betalen voor de verloren manuren (boetebeding)
3.16.
[gedaagde] moet € 847,00 extra betalen omdat de vloer niet kon worden gelegd op de afgesproken dag.
3.17.
[eiser] baseert deze vordering op een boetebeding dat in de checklist staat, die onderdeel uitmaakt van de overeenkomst. In de checklist staan verschillende voorwaarden genoemd waaraan de opdrachtgever moet voldoen, zodat de vloer op de geplande dag kan worden gelegd. Er staat ook een beding in dat inhoudt dat als de geplande installatiedag wijzigt en dat niet op tijd wordt doorgegeven, een boete van € 350,00 exclusief btw
(€ 423,50 inclusief btw) per ingeplande dag en per ingepland persoon in rekening wordt gebracht.
3.18.
De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of het boetebeding waarop [eiser] een beroep doet, onredelijk bezwarend is voor [gedaagde] . De bepalingen in de checklist zijn namelijk algemene voorwaarden als bedoeld in artikel 6:231 BW Pro, omdat de checklist vaker is gebruikt door [eiser] en over de inhoud daarvan niet afzonderlijk is onderhandeld door partijen.
3.19.
[eiser] heeft toegelicht dat het beding niet onredelijk bezwarend is. [eiser] levert met zijn bedrijf materialen voor vloeren en legt vloeren. Voor dat laatste is noodzakelijk dat hij medewerkers beschikbaar stelt om vloeren te leggen. Als [eiser] medewerkers heeft ingepland voor een opdracht, kan hij die medewerkers niet bij een andere klant inzetten. Werk dat op het laatste moment niet doorgaat, moet alsnog op een later moment worden uitgevoerd. Dat zorgt daarna voor problemen met de planning. Daarom is het voor [eiser] belangrijk dat hij op tijd hoort als een installatie niet kan doorgaan op de afgesproken dag.
3.20.
[gedaagde] heeft tegenover de toelichting van [eiser] , geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat het beding wel onredelijk bezwarend is. Dat had hij wel moeten doen, want ondanks de ambtshalve toetsing door de kantonrechter, rust op [gedaagde] de stelplicht (en zo nodig bewijslast) dat het beding onredelijk bezwarend is. Hij beroept zich er namelijk op dat het beding oneerlijk zou zijn. [gedaagde] heeft niet aan die stelplicht voldaan.
3.21.
De kantonrechter is van oordeel dat het boetebeding in dit geval niet het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument ( [gedaagde] ), in strijd met de goede trouw, aanzienlijk verstoort. Het boetebeding is een middel om de tijdige communicatie over de planning te stimuleren, en het zorgt er bovendien voor dat [eiser] (een deel van) de kosten van de verloren manuren, kan compenseren. Het tarief is, uitgaande van een werkdag van acht uur, ook redelijk. Daarom is de conclusie van de kantonrechter dat het beding niet onredelijk bezwarend is en dat [eiser] zich daarop mag beroepen.
3.22.
Er is ook voldaan aan de voorwaarden van het boetebeding. Volgens [eiser] stonden twee werknemers ’s ochtends bij de woning van [gedaagde] op de dag dat de vloer gelegd zou worden, maar konden zij niet aan het werk omdat [gedaagde] niet thuis was. [gedaagde] erkent dat de werknemers voor een dichte deur hebben gestaan en dat hij niet vooraf heeft laten weten dat hij niet thuis zou zijn. Dat [gedaagde] niet thuis was omdat hij zijn kind naar school moest brengen maakt hiervoor geen verschil. Van (de werknemers van) [eiser] kan namelijk niet worden verwacht dat zij blijven wachten tot zij aan het werk kunnen, zeker als niet duidelijk hoe lang dat zal duren.
3.23.
Of het (veel) vaker is gebeurd dat de werknemers bij de woning zijn vertrokken omdat zij niet aan het werk konden, zoals [eiser] stelt, kan in het midden blijven. [eiser] vraagt namelijk alleen vergoeding voor één dag en op grond van het voorgaande staat vast dat twee werknemers op één dag voor een dichte deur hebben gestaan en hun werk niet op de afgesproken dag hebben kunnen uitvoeren.
[eiser] heeft geen recht op annuleringkosten, want het beding is onredelijk bezwarend
3.24.
[eiser] stelt dat [gedaagde] de opdracht deels heeft geannuleerd en dat [gedaagde] daarom € 1.483,21 aan annuleringskosten moet betalen. [eiser] baseert deze vordering op artikel 12 van Pro de algemene voorwaarden van CBW voor woonwinkels van 1 juli 2017, die op de overeenkomst van toepassing zijn. Daarin staat dat kosten verschuldigd zijn als de opdracht wordt geannuleerd.
3.25.
De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden oneerlijke bedingen staan. [5] Anders dan bij het boetebeding dat hiervoor is besproken, geldt bij een beding over annuleringskosten dat het beding wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. [6] [eiser] kan dit vermoeden weerleggen door voldoende aannemelijk maken dat in dit geval een bedrag van € 1.483,21 een redelijke vergoeding is voor het door hem geleden verlies of de door hem gederfde winst.
3.26.
[eiser] is er niet in geslaagd om dit vermoeden te weerleggen. [eiser] heeft onvoldoende concreet heeft gemaakt waarom dit bedrag in deze specifieke situatie redelijk is. [eiser] had de annuleringskosten nader moeten onderbouwen, bijvoorbeeld met een berekening van de kosten van de ingeplande werknemers en eventuele overige onkosten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] weliswaar gezegd dat dit bedrag ongeveer overeenkomt met de verloren manuren en dat hij het geleden verlies nog buiten beschouwing heeft gelaten, maar dat is te weinig concreet om het wettelijke vermoeden te weerleggen dat het beding onredelijk bezwarend is voor [gedaagde] .
3.27.
Doordat [eiser] het wettelijke vermoeden niet heeft weerlegd, wordt het beding over de annuleringskosten als onredelijk bezwarend aangemerkt. De kantonrechter vernietigt artikel 12 van Pro de algemene voorwaarden over de annuleringskosten en wijst de gevorderde vergoeding voor de annuleringskosten af. [gedaagde] hoeft de annuleringskosten dus niet te betalen. Daardoor is ook niet meer van belang of de overeenkomst voor de bovenverdiepingen gedeeltelijk is geannuleerd of in onderling overleg is gewijzigd.
De kantonrechter houdt geen rekening met de contante betaling van € 600,00
3.28.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] € 9.535,32 heeft betaald op de openstaande facturen. [gedaagde] heeft daarnaast nog € 600,00 betaald en stelt dat die betaling ook in mindering strekt op de facturen van [eiser] . Dat laatste klopt volgens [eiser] niet.
3.29.
[gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat hij met deze betaling € 600,00 heeft afgelost op de openstaande facturen. De oorspronkelijke planning is niet gehaald. Partijen hebben op verschillende momenten contact gehad met elkaar over de gewijzigde planning, zo ook op 1 en 2 april 2025. Uit de schriftelijke uitwerkingen van de telefoongesprekken, blijkt dat [gedaagde] toen liet weten dat hij op vrijdag 11 april 2025 zou gaan verhuizen, en dat de vloer voor die tijd gelegd moet zijn. [eiser] had onvoldoende personeel beschikbaar om de vloer nog voor de verhuizing te leggen. [eiser] heeft toen aangeboden om aan werknemers te vragen om op zaterdag te komen werken en heeft [gedaagde] laten weten dat zij daarvoor een (extra) tarief van € 300,00 per persoon rekenen.
3.30.
[gedaagde] erkent dat vervolgens is afgesproken dat twee medewerkers op zaterdag de vloer zouden komen leggen en dat hij € 600,00 contant heeft betaald aan die twee medewerkers. De betaling zag dus op de vergoeding voor het werk op zaterdag en daarmee staat vast dat de betaling dus niet zag op de openstaande facturen van [eiser] . Het bedrag strekt dus ook niet in mindering op de vordering van [eiser] op [gedaagde] .
3.31.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij zich onder druk gezet voelde bij het maken van de afspraak over de € 600,00, maar hij heeft dat verder niet concreet gemaakt. Ook heeft [gedaagde] niet duidelijk gemaakt of de kantonrechter daaraan ook een juridische consequentie moet verbinden en zo ja, welke. De kantonrechter gaat daarom aan dit standpunt voorbij.
Wettelijke rente
[gedaagde] moet vanaf 30 mei 2025 de wettelijke rente betalen over € 5.280,58
3.32.
De kantonrechter zal beslissen dat [gedaagde] de wettelijke rente moet betalen vanaf
30 mei 2025 tot het moment dat hij volledig heeft betaald, zoals [eiser] heeft gevorderd.
3.33.
De wettelijke rente is een schadevergoeding voor de periode dat een schuldenaar te laat is met het betalen van een geldsom. Een schuldenaar moet rente betalen vanaf het moment dat sprake is van verzuim. [7] De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de gevorderde datum, omdat [gedaagde] op 30 mei 2025 in verzuim was. Waarom [gedaagde] toen al in verzuim was, wordt hierna toegelicht.
[gedaagde] is voor de facturen vanaf 8 april 2025 in verzuim
3.34.
Voor de bedragen die op de facturen stonden, is het verzuim ingetreden op 8 april 2025. Daarvoor was geen ingebrekestelling nodig. Partijen zijn namelijk overeengekomen dat de facturen betaald moesten worden uiterlijk op de dag van de installatie van de vloer. Daarom is het verzuim ingetreden op de dag dat de vloer op de begane grond is gelegd. [8] [gedaagde] heeft geen beroep gedaan op opschorting van zijn betalingsverplichting, maar heeft het standpunt ingenomen dat hij niet hoefde te betalen omdat hij al voldoende had betaald.
3.35.
Hoewel partijen tijdens de mondelinge behandeling niet wisten wanneer de vloer uiteindelijk is gelegd, blijkt uit de stukken dat dit op zaterdag 6 april 2025 en maandag
7 april 2025 moet zijn geweest. Uit het verslag van het telefoongesprek tussen de partner van [gedaagde] en [eiser] op 8 april 2025 blijkt namelijk dat de vloer toen al was gelegd. Dit komt ook overeen met de stellingen van partijen tijdens de mondelinge behandeling dat de vloer op zaterdag is gelegd en op de daaropvolgende maandag is afgemaakt.
[gedaagde] is voor de extra kosten (lijm en verloren manuren) vanaf 25 april 2025 in verzuim
3.36.
Voor de extra kosten vanwege de lijm en de verloren manuren, is [gedaagde] in verzuim sinds 25 april 2025. Voor deze kosten is niet expliciet een betaaltermijn afgesproken. Het verzuim treedt pas in nadat [eiser] [gedaagde] een termijn voor nakoming heeft gegeven en nakoming binnen die termijn is uitgebleven. [9]
3.37.
[eiser] heeft [gedaagde] op 17 april 2025 per e-mail geïnformeerd over het minderwerk en de extra kosten. [eiser] kwam tot de conclusie dat [gedaagde] nog € 6.763,79 moest betalen en heeft [gedaagde] een termijn gegeven tot 24 april 2025 om dat bedrag te betalen. Die termijn was in de gegeven omstandigheden redelijk, omdat:
  • [eiser] de materialen al veel eerder had geleverd
  • [gedaagde] zich op de betaling had kunnen voorbereiden, omdat [eiser] op 9 april 2025 (telefonisch) en 15 april (via mail) al had aangekondigd dat er nog een eindafrekening zou volgen
  • [gedaagde] al sinds 8 april 2025 in verzuim was met het betalen van het nog openstaande gedeelte (€ 6.800,00) van de oorspronkelijke facturen en dit bedrag daarvoor in de plaats kwam.
3.38.
[gedaagde] heeft niet binnen de gestelde termijn betaald en is daardoor sinds 25 april 2025 in verzuim.
3.39.
[eiser] heeft op 30 mei 2025 nog een extra termijn voor nakoming gesteld. Maar, het verzuim dat was ontstaan door de eerdere ingebrekestelling is daardoor niet komen te vervallen. Het is namelijk niet gebleken dat [eiser] afstand heeft gedaan van de gevolgen van de eerste ingebrekestelling.
Buitengerechtelijke incassokosten
[gedaagde] moet € 675,00 betalen voor de buitengerechtelijke incassokosten
3.40.
[eiser] vordert een bedrag van € 675,00 als vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten.
3.41.
[eiser] heeft [gedaagde] op 30 mei 2025 een aanmaning verstuurd die voldoet aan de wettelijke vereisten voor consumenten. [10] Het gevorderde bedrag voldoet aan de daarvoor geldende staffel. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 675,00 worden toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] in conventie van € 1.241,21 betalen
3.42.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.241,21
in reconventie (de vorderingen van [gedaagde] )
De herstelkosten
[eiser] hoeft de herstelkosten van € 1.028,50 niet te betalen
3.43.
[eiser] hoeft de herstelkosten van € 1.028,50 niet te betalen, omdat niet is voldaan aan de wettelijk vereisten voor schadevergoeding.
3.44.
[gedaagde] stelt dat de gelegde vloer gebreken vertoont die moeten worden hersteld. [gedaagde] vindt dat hij [eiser] voldoende kansen heeft gegeven om de vloer te herstellen en dat [eiser] de vloer niet binnen een redelijke termijn heeft hersteld. Daarom vordert hij vergoeding van de kosten die hij zal maken als hij de vloer door een derde laat herstellen. Die herstelkosten zijn volgens de offerte [onderneming] van 9 oktober 2025 in totaal
€ 1.028,50 inclusief btw. [eiser] erkent dat er herstel aan de vloer moet plaatsvinden, volgens hem is sprake van ‘opleverpunten’ en hij is bereid om dat op te lossen. Volgens [eiser] klopt het niet dat hij herstelkosten moet betalen en zijn de gevorderde herstelkosten bovendien te hoog.
Geen vervangende schadevergoeding omdat de verplichting van [eiser] niet is omgezet
3.45.
Hoewel [eiser] de vloer nog zou kunnen herstellen, wil [gedaagde] dat de vloer door een ander wordt hersteld en dat [eiser] de kosten daarvoor vergoedt. Juridisch betekent dit dat [gedaagde] de verplichting van [eiser] om de vloer deugdelijk te leggen wil omzetten naar een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. Zo’n omzetting is op grond van de wet mogelijk als de schuldenaar ( [eiser] ) in verzuim is en de schuldeiser ( [gedaagde] ) hem schriftelijk laat weten dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. [11]
3.46.
[gedaagde] niet heeft gesteld op welke datum hij de verbintenis heeft omgezet, maar dit moet na 24 juni 2025 zijn geweest. In de brief van 24 juni 2025 wordt het omzetten namelijk voorgesteld als alternatief voor herstel door [eiser] . De omzetting had op dat moment nog niet plaatsgevonden, herstel door [eiser] had toen nog de voorkeur van [gedaagde] .
3.47.
[gedaagde] heeft dus na 24 juni 2025 de verbintenis van [eiser] willen omzetten in een vervangende schadevergoeding. Dat was niet mogelijk omdat [gedaagde] op dat moment zelf al in verzuim was. Hierboven is uitgelegd dat [gedaagde] zelf geen beroep heeft gedaan op opschorting en vanaf 25 april 2025 voor alle vorderingen van [eiser] in verzuim verkeerde omdat hij niet op tijd had betaald. En zolang [gedaagde] in verzuim is, kan [eiser] op grond van de wet niet ook in verzuim raken. [12] Omzetting van de verbintenis van [eiser] in een verbintenis tot schadevergoeding was daarom niet mogelijk, daarom heeft [gedaagde] geen recht op een schadevergoeding.
Geen schadevergoedingsplicht vanwege wanprestatie
3.48.
[gedaagde] stelt ook dat [eiser] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis (wanprestatie) en dat, zo begrijpt de kantonrechter, [eiser] daarom de schade moet vergoeden die [gedaagde] door de tekortkoming lijdt. De schade bestaat uit de herstelkosten van € 1.028,50. [eiser] stelt dat hij de vloer nog niet hoeft te herstellen, omdat hij die verplichting heeft opgeschort.
3.49.
De verplichting om de vloer deugdelijk te leggen, kan nog steeds worden nagekomen. Dan geldt ook bij de wanprestatie dat [eiser] alleen schadeplichtig is als hij in verzuim is. [eiser] is niet in verzuim. In de brief van 25 april 2025 heeft [gedaagde] [eiser] verzocht om binnen zeven dagen een datum voor te stellen om de gebreken te herstellen. [eiser] heeft laten weten dat hij de gebreken aan de vloer wil herstellen, nadat de facturen betaald zijn. [eiser] stelt dus dat nakoming van zijn verbintenis mag worden uitgesteld (opgeschort) totdat [gedaagde] heeft betaald. [13] Dat beroep op opschorting slaagt. [eiser] had een opeisbare vordering op [gedaagde] . [eiser] was daarom bevoegd om de nakoming van het restant van zijn verbintenis (het herstellen van de gestelde gebreken) op te schorten totdat [gedaagde] zijn vordering had betaald.
3.50.
De tekortkoming van [gedaagde] rechtvaardigt ook het beroep van [eiser] op opschorting. [eiser] was het overgrote deel van zijn verbintenis op dat moment namelijk al nagekomen. Hij had de materialen geleverd en de vloer gelegd, het ging alleen nog om enkele herstelwerkzaamheden (volgens [gedaagde] ) of opleverpunten (volgens [eiser] ). Daar staat tegenover dat [gedaagde] pas € 9.535,32 had betaald van de totaal verschuldigde som van € 14.815,90 [14] . [eiser] is bovendien tegemoet gekomen aan de bezwaren van [gedaagde] om volledig te betalen voordat de vloer hersteld zou zijn, door hem een bepaalde vorm van zekerheid te bieden. [eiser] heeft namelijk voorgesteld dat [gedaagde] een bedrag van
€ 300,00 zou achterhouden en pas betalen nadat dat de vloer was hersteld.
Proceskosten
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] van € 1.241,21 betalen
3.51.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] in reconventie betalen.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
360,00
(2 punten × factor 0,5 × € 360,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
432,00
In conventie en reconventie
3.52.
De kantonrechter verklaart deze uitspraak wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.280,58, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 675,00 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.241,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
4.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.8.
verklaart de in 4.1, 4.2, 4.3, 4.6 en 4.7 genomen beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Haas en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
67422

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 7:750 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 7:5 lid 4 BW Pro.
3.Artikel 6:230g lid 1 sub e, artikel 6:230m en artikel 6:230v BW.
4.artikel 6:267 BW Pro.
5.Artikel 3 van Pro de Richtlijn 93/13 EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten en artikel 6:237sub i BW
6.Artikel 6:233 sub a BW Pro
7.Artikel 6:119 BW Pro
8.Artikel 6:83 sub a BW Pro
9.Artikel 6:81 en Pro 6:82 lid 1 BW
10.Artikel 6:96 lid 6 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
11.Artikel 6:87 lid 1 BW Pro.
12.Artikel 6:61 lid 2 BW Pro.
13.Artikel 6:262 BW Pro.
14.Het gefactureerde bedrag van € 16.335,32 min het minderwerk van € 2.966,42 plus de lijmkosten van € 600,00 plus de boete voor de verloren manuren van € 847,00.